forum
"Een Paars kabinet is geen drama"
Mee eens
Niet mee eens
Geen mening
Stem
Vorige forums
Dankwoord bij de uitreiking van de Jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman Prijs 2007

Politiek en het kweken van begonia's


Stefan Paas won onlangs de De Savornin Lohmanprijs voor zijn boek Vrede stichten. Hier vindt u de rede die hij uitsprak bij het in ontvangst nemen van de prijs.

Door Stefan Paas


Geacht bestuur van de Stichting A.F. de Savornin Lohman, geacht College van Decanen van de Vrije Universiteit en geachte vertegenwoordigers van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme,
 
Heel hartelijk dank ik u en uiteraard de jury voor de toekenning van de A.F. de Savornin Lohman Prijs. Ik moet eerlijk bekennen dat ik dacht, toen ik voor de zomer gebeld werd door prof. Kuiper: ‘Wélke prijs?’. En wie is of was eigenlijk A.F. de Savornin Lohman? Vergeeft u mij deze onbenulligheid: u hebt te maken met een amateur op het gebied van de politiek en de politieke filosofie. Dit besef stemt mij alleen maar dankbaarder voor de erkenning die u mijn boek geeft. Die dankbaarheid wordt nog vergroot door een herinnering die bij mij bovenkwam. Ik heb namelijk één keer eerder een prijs gewonnen. Dat was de tweede prijs in een begoniakweekwedstrijd, toen ik in de derde klas van de lagere school zat. En omdat het nu toch het uur van bekentenissen is: ik durf nu wel toe te geven dat ik die prijs niet verdiende. Mijn moeder had het plantje opgekweekt en ik had er niet naar omgekeken. De Savornin Lohman Prijs is dus de eerste prijs waarvoor ik heb gewerkt. En dan voelt het toch beter om een prijs te krijgen.
 
Intussen is er wel een relatie tussen beide prijzen. Politiek en het kweken van begonia’s hebben veel gemeen. Ik doel nu niet op de cultuuropdracht die in neo-gereformeerde kring nogal eens wordt verbonden met het bedrijven van politiek. Daarover straks meer. Mijn vergelijking is minder diepzinnig. Zowel bij politiek als bij het kweken van planten is het zaak om een goede verhouding te vinden tussen wel ingrijpen en niet ingrijpen. Het is minstens zo belangrijk om te weten wanneer je wat moet doen als om te weten wanneer je niets moet doen. In onze tijd, waarin van politici voortdurend forse taal en ‘hard aanpakken’ wordt verwacht, is dat belangrijk om te zeggen. Moderne politieke stelsels zijn ontstaan vanuit een groeiend besef dat er terreinen zijn waar de politiek niets te zoeken heeft – zoals bijvoorbeeld de weg tot het heil. Als ik mij goed heb geïnformeerd, beweerde Lohman dit zelf aanvankelijk ook in zijn geschrift De hoogste vrijheid (1887). De staat is er niet om het zedelijk welzijn van de bevolking te bevorderen. Geen normen-en-waarden-offensief van overheidswege alstublieft. Ook integratie is zo’n aangelegenheid waarop de politiek maar heel weinig invloed kan uitoefenen. Sociale cohesie en integratie zijn niet primair politieke kwesties, maar een zaak van de samenleving zelf. De rol van de politiek is hier bescheiden: meer faciliterend en beschermend dan bewerkend. Wat tientallen jaren integratiebeleid hebben bewerkt, is nog altijd niet erg duidelijk.
 
Daarmee heb ik een onderscheid genoemd dat misschien voor de hand ligt, maar niet altijd voldoende wordt onderkend: het principiële onderscheid tussen politiek / overheid enerzijds en de samenleving anderzijds. Die gedachte beschouw ik als een typisch christelijke vrucht. Politiek is geen functie van de samenleving, zoals in postmoderne visies. In de 19e-eeuwse terminologie van Groen van Prinsterer: de vorst is niet een ‘hoogste ambtenaar’. Mensen verhouden zich tot de overheid, niet alleen als tot een instelling die in dienst staat van hen, maar als tot een macht die ‘van boven gegeven’ is.
Maar andersom geldt het ook. Er is een oeroude gedachte dat de samenleving wordt geschapen door de politiek. Die gedachte vind je al in het oude Nabije Oosten, waar het ontstaan van volken en staten werd gezocht in een mythologische strijd van de goden tegen de chaos. Het resultaat van die strijd, bijvoorbeeld in de mythologie van het oude Ugarit of Babel, is de stichting van een stad en de vestiging van het koningschap. De taak van de koning is vervolgens het domein van orde beschermen tegen de altijd dreigende chaos en bovendien dit ordelijke domein uit te breiden ten koste van de chaos. Oorlogvoeren is dan een heilige zaak, een voortzetting van de oorspronkelijke schepping. Elke politieke vijand behoort tot de as van het kwaad. Deze denklijn herleeft in de vroegmoderne tijd, wanneer de invloed van christelijk denken begint af te nemen. Je vindt hem bijvoorbeeld bij Hobbes. Alles begint met een sociale chaos, waarin iedereen oorlog voert tegen iedereen, aldus Hobbes. De sterfelijke god van de politiek brengt orde in die chaos. Vanzelfsprekend moet zo’n instantie worden bekleed met het gezag van de Schepper zelf. Gelijksoortige geluiden vinden we bij Spinoza. Het is naar mijn besef niet toevallig dat deze periode, waarin politieke denkers de maatschappelijke onrust van de godsdienstoorlogen proberen te bezweren, tegelijk de opmaat vormt voor een periode van oorlog tussen de naties. Interne pacificatie en het ontstaan van natiestaten leidde tot het uiteenvallen van het christelijke Europa in elkaar bevechtende staten. Dit was oudoosterse mythologie in een nieuw jasje: goddelijke orde binnenshuis en duivelse chaos daarbuiten.
Maar in de christelijke traditie begint de wereld met een tuin en met het in cultuur brengen van de aarde, niet met politiek of geweld. Een belangrijk theologisch inzicht dat daarachter schuilgaat is het inzicht dat geweld en oorlog niet het ontologisch primaat hebben, maar vrede (John Milbank). Politiek is geen scheppende instantie, zoals in oudoosterse mythologieën en bij veel seculiere denkers. De samenleving is dus ten diepste geen vrucht van oorlog en onderwerping. Politiek is in de klassieke christelijke visie een reactieverschijnsel of, zo men wil, een noodzakelijke bijzaak. De overheid werd volgens de kerkvaders ingesteld in Genesis 4 (de bouw van de eerste stad) of in Genesis 9, als Noach uit de ark komt en er wetten moeten komen over moord en doodslag.
Ik denk dat dit één van de meest fundamentele christelijke inzichten is als het gaat om politiek. Politiek is ingesteld, ‘vanwege de zonde’. De klassieke christelijke traditie heeft zich altijd een pre-politieke samenleving kunnen voorstellen. In zo’n samenleving kon er sprake zijn van gecoördineerde actie, organisatie, van gezag zelfs. Maar politiek of de instelling van een overheid met een geweldsmonopolie werd alleen nodig door de infiltratie van deze samenleving met het kwaad. Met andere woorden: de institutionalisering van gezag in wetgeving en dwang werd noodzakelijk door het kwaad. De samenleving had bescherming nodig. Dit stelt de klassieke christelijke visie op politiek scherp: belangrijk, maar niet te belangrijk. Beschermend, maar niet scheppend.
Dit staat haaks op de atheïstische politieke stroming die startte bij Hobbes en Spinoza en die we o.a. terugvinden in het Liberaal Manifest van de VVD. In het LM kan beweerd worden dat wij zonder politiek geen samenleving zouden hebben. Hier is er niets tussen het individu en de chaos dan de staat. Liberaal huisfilosoof Herman Philipse vat deze atheïstische staatsvisie goed samen: als er geen politiek is, is alles geoorloofd. In christelijk perspectief is dit afgoderij met de staat. Atheïsten nemen de politiek veel te serieus. En daar komen brokken van.
 
Op een andere manier nemen sommige christelijke stromingen de politiek echter óók te serieus. Op een andere manier, maar tegelijk op een manier die merkwaardig verwant is aan die oeroude, heidense opvatting van politiek. Waar de heidense opvatting de strijd tegen de chaos adopteert als model voor de overheid als sterfelijke schepper-god, daar zoeken sommige christelijke stromingen de oorsprong van politiek eveneens in de schepping. Hun model is dan niet zozeer de strijd tegen de chaos en duisternis, tegen Hetieten en Egyptenaren, tegen moslim-fundamentalisten en Noord-Koreanen – de slangen in ons paradijs. Zij adopteren vooral het model van planten en bouwen. In het oudoosterse scheppingsdenken en in de bijbel zijn dit net zozeer scheppingsbegrippen als oorlogvoering en onderwerping van de satanische machten. Maar politiek is naar klassiek-christelijke opvatting een reactie op de zonde, geen instelling bij de schepping. Het is ook niet een voortzetting van Gods schepping – de een of andere creatio continua. Op dit punt neem ik graag afstand van christelijke visies die hun denken over politiek baseren op de zogeheten cultuuropdracht in Genesis 1. Waarmee ik langs een omweg weer ben aangekomen bij mijn begonia.
In neo-gereformeerde politieke bezinning, vooral in Amerika, wordt nogal eens de nadruk gelegd op de rol van de overheid bij het tot ‘ontplooiing’ of ‘bloei’ brengen van de samenleving. Politieke activiteit is dan een vorm van rentmeesterschap en maakt deel uit van de cultuuropdracht in Genesis 1:26-28. Het leven in een politieke samenleving is een uniek middel waarmee God bepaalde dimensies in mensen tot bloei brengt die anders niet tot bloei hadden kunnen komen. Met andere woorden: onder andere door middel van aardse overheden brengt God potenties in zijn schepping tot ontwikkeling die anders niet tot ontwikkeling waren gekomen. Die ontplooiing of cultivering van de samenleving heeft vervolgens ook een toekomstperspectief: de komst van Gods koninkrijk van vrede en gerechtigheid. Politieke activiteit probeert iets van die vrede en gerechtigheid nu al te bewerken en daarmee laat zij hier en nu al iets zien van de volkomen regering van Christus. En dat niet alleen bij wijze van analogie, maar als vóórsmaak. In het Koninkrijk der Nederlanden proeven we iets van het Koninkrijk van God.
Dit betekent in deze optiek dus dat de taak van de overheid niet alleen gelegitimeerd is vanuit de schepping (de cultuuropdracht), maar ook vanuit de toekomst (de komst van het Koninkrijk). Politici mogen dan ook zeggen, zoals ik André Rouvoet ooit heb horen doen, dat zij als politicus meewerken aan het Koninkrijk van God. Voor iemand als James Skillen betekent dit dat de overheidstaak nooit beperkt kan blijven tot het bestrijden van misdaad en het beperken van de effecten van de zonde. De overheid doet niet alleen aan reparatie en onderhoud, maar zij bouwt ook mee aan het samenleven van mensen tot eer van God. Zelfs wanneer er geen zonde was geweest, zou er een overheid nodig zijn geweest. Politiek is een instrument in dienst van God om zijn toekomst te bewerken.
Ik wil graag benadrukken dat, voorzover mij bekend is, dit geen klassiek christelijk denken is. We vinden het niet in het NT, niet bij de kerkvaders en ook niet in de christelijke traditie tot de twintigste eeuw. Volgens mij vinden we het zelfs niet bij Kuyper, al heeft dit denken juist in de neo-gereformeerde hoek opgeld gedaan. Dat alles moet ons al enigszins argwanend maken tegen een dergelijke schoon klinkende visie. Het punt is hier niet of de overheid een instelling van God is en respect verdient en dergelijke. Dat is ook door christenen in het verleden altijd erkend. Maar om twee parallellen te nemen: ook de besnijdenis was een instelling van God, een ‘eeuwige inzetting’ zelfs, en toch werd hij afgeschaft in het NT. En ook het huwelijk is zo’n goddelijke instelling, maar toch zegt Jezus dat er in het Koninkrijk Gods niet gehuwd zal worden, noch ten huwelijk gegeven. In mijn boek werk ik uit dat het prima mogelijk is (en wat mij betreft zelfs nodig) om een houding van kritische distantie te ontwikkelen tegenover de overheid als een voorbijgaande instelling, zonder daarmee anarchistisch te worden en zonder christenen te verbieden in overheidsdienst te gaan of iets dergelijks. Maar dan is het wel nodig dat we de politiek wat minder hooggestemd benaderen dan zowel moderne seculiere liberalen als een aantal moderne protestanten doen.
 
Wanneer de politiek er is om de samenleving tot bloei te brengen – om te scheppen wat er niet is en om orde uit het niets tot aanzijn te roepen, heeft zij een nobele motivatie voor de meest bemoeizuchtige inmenging in de levens van mensen of in de aangelegenheden van andere staten. Meestal wordt zulke inmenging verdedigd met een beroep op noodzaak. In dit opzicht maak ik me zorgen om de obsessie met veiligheid waaronder westerse naties momenteel gebukt gaan. Op basis van verzonnen massavernietigingswapens zijn westerse landen Irak binnengevallen, tegen het dringend advies in van alle grote kerken. Maar Irak moest nu eenmaal tot democratische ontplooiing worden gebracht. Van een rechtvaardige oorlog volgens klassieke criteria was geen sprake. Andere argumenten zijn erbij gehaald: niemand wil toch zo’n vreselijke dictator handhaven? Gemakshalve wordt vergeten dat het westen wereldwijd op tientallen plaatsen toch al heel lang dictators laat zitten waar ze zitten. Als het afzetten van Saddam Hoessein het doel was van de hele operatie, waar blijft dan de rechtsgelijkheid? Wanneer is Kim Jung Il aan de beurt en wanneer Robert Mugabe? Lijden Koreanen minder dan Irakezen?
Die obsessie met veiligheid zien we ook binnenshuis. Onlangs las ik een artikel in het NRC van een hoogleraar gezinszaken. Het ging over de plannen van dit kabinet om meer achter de voordeur te komen. De reden was de toenemende kindermishandeling en ook de jeugdcriminaliteit moeten we niet vergeten. De hoogleraar liet met nuchtere cijfers en gegevens uit dossiers zien dat veel van wat geboekstaafd staat als mishandeling dat helemaal niet is. En veel van wat wij tegenwoordig jeugdcriminaliteit noemen, heette vroeger gewoon kattekwaad. Pietje Bell – een ‘ventje met gitzwart haar en ondeugende, donkere ogen’ – zou nu op z’n minst naar Bureau Halt moeten. Natuurlijk is er wel degelijk wat aan de hand, dat is niet het punt. En dan moet de overheid ingrijpen, dat is ook onbestreden. Maar de schreeuwende behoefte aan veiligheid in het welvarende westen kan er ook toe leiden dat we de overheid teveel ruimte geven om achter de voordeur te komen. En de overheid kan die behoefte manipuleren, geholpen door journalisten, door voortdurend te hameren op de ergste gevallen en te suggereren dat die tekenend zijn voor het verval van de samenleving en dergelijke.
Ik wil op mijn beurt geen doemscenario’s geven, alsof de dictatuur om de hoek staat. Maar het ideaal van bloei en ontwikkeling als politiek streven is mij te onbestemd. Alle totalitaire regimes legitimeren zichzelf met een beroep op het welzijn en de bestwil van burgers. Natuurlijk weet ik wel dat neo-gereformeerden hierover hebben nagedacht en zich hiertegen hebben proberen te wapenen door middel van noties als ‘soevereiniteit in eigen kring’ of een onderscheid tussen mensen als burgers en mensen in hun andere rollen (vader, moeder, werknemer, kind enz.). Maar met het concept van de overheid als begoniakweker blijft onherroepelijk verbonden dat de overheid een ‘sturende en richtinggevende taak’ (Roel Kuiper) heeft. Het heeft immers weinig zin om te spreken over een samenleving tot ‘bloei’ brengen, als men geen ideaal voor ogen heeft wat die bloei inhoudt.
In elk geval lijkt dit ideaal, als ik James Skillen goed begrijp, iets te maken hebben met een harmonieuze groei in diversiteit – de samenleving als een dans van verschillen op dezelfde muziek. De vergelijking met een ecosysteem is veelzeggend. Maar die vergelijking is ook misleidend-romantisch, althans wanneer men daarmee alleen een harmonieuze ontwikkeling van variaties wil suggereren. Ecosystemen kunnen namelijk ook homogener worden, zoals elke natuur­be­heerder weet. Bepaalde planten en dieren kunnen gaan domineren, veranderingen in de omgeving of het klimaat kunnen ervoor zorgen dat andere soorten het niet redden en exoten kunnen inheemse soorten verdringen. De vraag in hoeverre men de natuur zijn loop moet laten, keert voortdurend terug in discussies tussen jagers en natuurbeschermers – bijvoorbeeld wanneer het gaat over 8000 wilde zwijnen op de Hoge Veluwe. En waar bijna iedereen het er wel over eens is dat een zeker ingrijpen (afschieten en bijvoederen bijvoorbeeld) onvermijdelijk is, wordt in zulke discussies direct duidelijk dat dit ingrijpen in hoge mate afhankelijk is van normatieve visies op wat een ideaal natuurbeheer is.
 
In de mensenwereld wordt dit ‘beheer’ nog bemoeilijkt, omdat daarin heel verschillende ideeën bestaan over de samenleving. Met filosofen als Charles Larmore en Jeffrey Stout denk ik dat een steeds dieper wortelend besef van onontkoombaar pluralisme hét bepalende kenmerk is van westerse samenlevingen. Redelijke en goedwillende mensen kunnen sterk met elkaar van mening verschillen en doen dat ook voortdurend. Over onredelijke en kwaadwillende mensen hebben we het dan nog niet eens. In zo’n context is het vrijwel onmogelijk om als overheid te streven naar ‘bloei’, zonder andere opinies over wat ‘bloei’ inhoudt, geweld aan te doen. Dat maakt dit aspect van deze visie wat steriel: men kan op basis van deze theorie verdedigen dat een overheid méér moet doen dan straffen en beteugelen, maar het is in een levensbeschouwelijk verdeelde samenleving heel moeilijk concreet te maken wat die meerwaarde dan inhoudt.
Nu kan men mij op basis van dit soort praktische bezwaren ‘een duidelijk gebrek aan beginselvaste opbouw van een betoog’ verwijten. Dit was althans het oordeel van I.A. Diepenhorst over Lohman, toen hij schreef over Lohmans pragmatische visie op de overheid in De hoogste vrijheid. Zo werd mij de vorige week in CV•Koers door CU-kamerlid Joël Voordewind verweten, dat ik een ‘asociale overheidsvisie’ zou hebben. Nu, ik denk dat praktische bezwaren niet beginselloos zijn. Ten slotte leven we allen in ‘de praktijk’ en we zullen er toch wat mee moeten, denk ik zo. Ik heb nooit goed begrepen waarom theologie beginselvaster zou zijn als daarin onze huidige context niet verwerkt is. Maar ik geef graag iets meer theologisch gehalte aan mijn bezwaren tegen de overheid als tuinman of wildbeheerder. Ik noem twee dingen die ik verder uitwerk in mijn boek.
In de eerste plaats moeten we het begrip ‘bloei’ vermijden – dat is te activistisch. Bloeien moet een samenleving zelf doen en een overheid moet dat proces beschermen, maar kan het niet afdwingen of in een bepaalde richting sturen. De overheid draagt het zwaard niet tevergeefs, maar ik lees daar niets over een snoeimes of een zak kunstmest. Hier moeten we een ander begrip gebruiken, namelijk ‘gerechtigheid’. De overheid houdt zich bezig met recht, niet met bloei. Hier sluit ik mij aan bij Oliver O’Donovan. De overheid kan haar daden – en de dwang die daarmee noodzakelijk gepaard gaat – niet legitimeren met een beroep op de ‘bloei’ van de samenleving. In hetzelfde interview van zoëven zei Voordewind dat de overheid een verantwoordelijkheid heeft bij ‘dwang en criminaliteit’ in prostitutie. Vanzelfsprekend. De overheid heeft altijd een verantwoordelijkheid bij dwang en criminaliteit, of dit nu in de prostitutie gebeurt of anderszins. Dat is een kwestie van recht. Maar Voordewind vervolgt in één adem: ‘Hetzelfde geldt m.i. voor roken en teveel drinken. Dat is slecht voor je. De overheid moet mensen beschermen tegen slechte keuzes…’. Hier vinden we een naadloze overgang tussen de rechtstaak van de overheid en een visie op de overheid als vader of moeder.
Het feit dat de politiek nobele doelen nastreeft en goede dingen doet, is echter niet voldoende reden om de vrijheid van de samenleving te beteugelen. Er zijn zoveel goede dingen die gedaan kunnen worden en zoveel nobele doelen om na te streven, maar dat is op zichzelf geen reden om ze door de overheid te laten doen. Overheidsactie moet worden gelegitimeerd als een rechtshandeling, als het verhinderen of bestraffen van kwaad. Kwaad dat verricht is of kwaad dat in de toekomst dreigt te ontstaan (eventueel door roken of teveel drinken). Dit betekent vanzelfsprekend ook dat overheden niet moeten worden gelegitimeerd vanuit de cultuuropdracht in Genesis 1, maar als een instelling van Gods voorzienigheid omwille van de zonde. Management, organisatie en groepsvorming behoren tot de geschapen mogelijkheden van de mens, maar dat is nog geen politiek. De politieke functies van gebod en dwang veronderstellen een bedreiging van sociale relaties door de zonde, zodat een gecoördineerde verdediging van deze relaties noodzakelijk wordt.
In de tweede plaats moeten we politiek niet legitimeren vanuit Gods toekomst. Politici doen goed werk, maar zij bouwen niet aan Gods Koninkrijk. Politieke orde is geen voorsmaak van Gods volmaakte vrede en gerechtigheid. In herinnering aan Augustinus zou ik hier een ander kader willen introduceren: aardse politiek kan op zijn best een analogie vormen van Gods gerechtigheid en vrede. Dat doet zij door van zichzelf af te wijzen, door zich niet op te werpen als de gids naar het heil en door de kerk aan te sporen haar missiewerk zo goed mogelijk te doen. En op zijn slechtst is aardse politiek een parodie op Gods gerechtigheid en vrede. Dat is het geval wanneer overheden zich opwerpen als scheppers en goden, als het ultieme focus van loyaliteit. Aardse politiek bevindt zich zodoende tussen de beide polen van Romeinen 13 en Openbaring 13.
 
Laat ik proberen tot een afronding te komen.
Als christen hoor ik bij twee gemeenschappen die zich allebei in een identiteitscrisis bevinden. De kerk moet haar plek hervinden, nu het christendom van een nationale identiteit tot een subcultuur is geworden. Ik denk dat het terugwinnen van een klassieke christelijke visie op politiek als een belangrijke bijzaak daarbij belangrijk is. Daardoorheen schemert natuurlijk Augustinus met zijn leer van de twee rijken. De aardse stad is op haar best een analogie van en een heenwijzing naar de hemelse. Maar dat is zij juist door zichzelf kleiner te maken, niet groter. Dat was de kern van mijn verhaal vandaag.
Mensen die m’n boek hebben gelezen, weten dat dit verhaal niet de hoofdmoot ervan vormt. Want niet alleen de christelijke gemeenschap zit met identiteitsvragen. Nederland is al evenzeer in crisis: wie zijn ‘wij’ nog in een tijd van immigratie? Het is niet gemakkelijk, zegt Paul Scheffer, om een plek te vinden in een samenleving die met zichzelf overhoop ligt. Hij doelt daarmee uiteraard op immigranten. Maar ik denk dat het in zekere zin ook geldt voor christenen. Wie zijn ‘wij’, nu wij geen vanzelfsprekende toegang meer hebben tot de macht?
 
In mijn boek heb ik geprobeerd een weg te vinden naar een antwoord op die vraag: wie zijn ‘wij’? Als christen en als Nederlander. En wel in die volgorde. Ik ga hier niet herhalen wat ik daar heb gezegd. Maar mijn uitgangspunt is dat de samenleving niet wordt bijeengehouden door een gedeelde geschiedenis, etniciteit of zelfs taal. Al die inzetten sluiten onherroepelijk mensen buiten. Met Augustinus – die hierin wordt gevolgd door heel wat moderne en postmoderne denkers, zeg ik dat een volk wordt gevormd door gedeelde liefde en door onderling gesprek over de objecten van die liefde. Dit gesprek over vrijheid en gelijkheid is van levensbelang voor het instandhouden van de gemeenschap en voor het voeden van de politieke structuren. Met de titel ‘Vrede stichten’ heb ik gedoeld op het belang van dat gesprek en heb ik christenen en andere Nederlanders willen oproepen om vanuit hun eigen traditie en denkkader te investeren in dat gesprek. Als iemand die in het dagelijks leven geroepen is om een christelijke gemeenschap te leiden, realiseer ik me dat een deel van mijn taak bestaat uit het voeden en bevorderen van de praktijken die het gesprek over gedeelde liefde mogelijk maken. Als ik hier John Locke mag aanhalen: christelijke leiders moeten niet slechts afstand nemen van geweld, maar zij moeten hun gemeenten actief aansporen tot de plichten van vrede en welwillendheid jegens allen, tot zachtmoedigheid en tolerantie. ‘En wanneer iemand die belijdt een dienaar te zijn van het Goddelijk Woord en een heraut van het Evangelie, iets anders preekt, miskent en negeert hij de opdracht die hem is toevertrouwd en zal hij op een dag rekenschap moeten afleggen bij de Vredevorst’.
 
Dat lijkt mij een passend citaat ter afsluiting. Hartelijk dank voor uw aandacht.
 
 


Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel

© 2005 CV·Koers





AdverterenNieuwsbriefAbonnee wordenContact
© cv·koers 2010

inloggen
e-mailadres:
wachtwoord:
cv•extra dossiers
40 jaar cv•koers
Kerk en postchristendom
In den beginne
De multiculturele samenleving