forum
"Fors bezuinigen? Prima, maar niet op zorg!"
Mee eens
Niet mee eens
Geen mening
Stem
Vorige forums

‘Ik wil twijfelaars een hart onder de riem steken’


kaders:
Wie is Boele P. Ytsma?
De kathedraal van Boele
Hoop is een belangrijk woord voor pastor en coach Boele Ytsma. Een onverwachte combinatie met het woord twijfel, waarmee hij bekend is geworden. Gesprek met een twijfelaar vol vertrouwen.

Door Annemarie van den Berg-Nap


‘Ik wil twijfelaars een hart onder de riem steken’ Boele Ytsma maakte tien jaar geleden een diepe geloofscrisis mee waarin hij veel zekerheden verloor. Hij veranderde van een ,,bijbelgetrouw evangelisch christen’’ in een zoeker, een twijfelend gelovige. Ytsma ziet de twijfelaar als gepassioneerd mens. ,,Twijfelen is niet onverschillig weglopen van het geloof, twijfelen is een worsteling – heel vaak een worsteling met God’’, schrijft hij op pagina 82 van zijn boek Van de kaart. De twijfelaar zou volgens Ytsma in plaats van afgewezen of veroordeeld te worden juist omarmd moeten worden in de kerk, omdat de twijfelaar echte vragen stelt en zoekt naar waarachtigheid.
 
Welke rol heeft het EO-programma ‘Herberg de Verandering’ (waarin Ytsma vertelde over zijn geloofstwijfel, uitgezonden in december 2008, red.) en hoe gelovigen hierop reageerden, gespeeld in je besluit het boek ‘Van de kaart’ te schrijven?
,,De uitzending van Herberg de Verandering is voor mij een spin-off geweest. Nog dezelfde nacht had ik enkele tientallen mailtjes als reactie op de uitzending. En een week later enkele honderden. Mensen begonnen hun levensverhaal te vertellen, en bij wijze van spreken zag ik de tranen op papier. Dat greep mij aan, omdat ik me toen pas ten volle realiseerde dat mijn verhaal niet op zichzelf staat, maar dat heel veel mensen dit meemaken. Ik wist toen ook eigenlijk meteen dat ik mijn verhaal aan die mensen wilde vertellen. Een week na de uitzending besloot ik het verhaal op te schrijven en dat heeft geresulteerd in het boek Van de kaart, uitgegeven bij Boekencentrum.’’
 
Wat zijn de reacties op je boek?
,,Veel lezers herkennen het proces van vertwijfeling, de angst en de ontreddering. Ook krijg ik reacties van mensen die afgewezen zijn in het verleden, omdat ze zich bijvoorbeeld met meer esoterisch christendom bezighielden, of omdat ze homoseksueel zijn. Zij hebben zo schrijnend het contrast gevoeld tussen de harde veroordeling enerzijds en de vrome woorden anderzijds. Er zijn ook mensen die mij schrijven: ‘Ik was geen twijfelaar, maar nu ik het lees, gaan er plotseling deurtjes open waar ik het bestaan niet van wist.’’’

Klaas Hendrikse
Je brengt mensen aan het twijfelen?
,,Ja, maar dan wel in de zin van dat ze inzien: ‘de wereld is groter dan ik dacht’. Het is niet mijn doel mensen aan het twijfelen te brengen, of in een crisis te storten. Mijn primaire agenda is om mensen die in die twijfel zitten een hart onder de riem te steken. Om tegen hen te zeggen: ‘Joh, het voelt wel erg, het is ook erg, maar je verliest niet het wezenlijke.’’’
 
Dat zou je natuurlijk in jouw geval kunnen zeggen. Jij hebt een nieuw spoor gevonden. Wat als je alles kwijtraakt wat je ooit lief was?
,,Zelfs dan denk ik nog: ‘Zal dat het laatste zijn?’ Er was een jongen die reageerde op de televisie-uitzending. Hij zat toen midden in dat proces en we mailden wat heen en weer. Plotseling bleef het stil. Onlangs kreeg ik weer een bericht van hem waarin hij schreef met een zeker elan: ‘Het proces is voltooid, ik ben atheïst.’ Ergens ben ik er niet ongerust over. Vaak moeten mensen eerst door een periode van bevrijding heen om daarna weer authentiek geraakt te kunnen worden. Wat ik van mijn ontmoeting met Klaas Hendrikse (auteur van Geloven in een God die niet bestaat, red.) heb geleerd, is dat je ook echt een gelovige kunt zijn, terwijl je atheïst bent.’’
 
Dat is voor veel mensen moeilijk te begrijpen. Leg eens uit.
,,Het hangt natuurlijk van de definitie van beide woorden af. Ik ben overigens geen advocaat van Klaas Hendrikse. Dat heeft hij beslist niet nodig. Ik ben ook kritisch over hem. Theïsten geloven in een soort wezen met fysieke, maar onzichtbare eigenschappen. En daarvan zegt Klaas Hendrikse, en wat mij betreft met recht: dat is strikt genomen een heidense manier van over God denken. Want zo maak je een beeld van God. A-theïsme betekent dat je niets meer in handen hebt, zelfs geen mentaal beeld van God. Je moet God aanwijzen in waar je Hem tegenkomt. In ontmoetingen, in ontroering. Daarom vind ik het heel mooi hoe Hendrikse het verhaal van Mozes, die vraagt of hij God van aangezicht tot aangezicht mag zien, uitlegt. God zegt dan tegen Mozes: ‘Niemand kan mijn aangezicht zien en leven. Maar je mag Me wel zien, maar in het voorbijgaan.’ Klaas Hendrikse zegt hierover – en dat vind ik persoonlijk heel ontroerend – dat wij God heel vaak zo zien: achteraf. Kijk, Hij was daar. Als je op die manier openstaat voor de aanwezigheid van God, dan ben je wat mij betreft heel erg gelovig.’’
 
De crux van geloven
Maar christenen willen juist vaak vooraf God erbij hebben. Ze vragen een zegen, vragen om Gods leiding of bescherming...
,,Dan biedt het leven zelf veel voorbeelden. Heleen en ik zijn twintig jaar getrouwd. We zijn elkaar al die tijd trouw gebleven, dat geeft vertrouwen voor de toekomst. Maar garanties hebben we niet. Het waarnemen van God achteraf mag vertrouwen geven om het te wagen. Zo vertaalt Hendrikse ook de betekenis van God: ‘Ga maar, dan ga Ik met je mee.’ Dat is een belofte. Maar geen garantie. Het is ook een belofte die pas waar wordt op het moment dat je gaat. Dat is denk ik ook precies de crux van geloven en vertrouwen: ‘Heb ik het geloof, heb ik het vertrouwen om te gaan?’ De Psalmen gaan daar voortdurend over: ‘U was bij me, maar waar bent U nu? Maar ik ga toch weer op pad.’ Die worsteling van je verlaten voelen, maar je toch weer toewijden. Dat is wat geloven is, en altijd is geweest.’’
 
In je boek schrijf je dat onder invloed van het postmodernisme ‘betekenis’ belangrijker is geworden dan ‘waarheid’. Voor veel gelovigen heeft geloof echter juist alles met waarheid te maken. 
,,Dat geeft wrijving. Wat je ziet aan de rechterkant van de kerk, zowel in de gereformeerde als de evangelische orthodoxie, is dat die rechtser, harder en fundamentalistischer wordt. Volgens mij bewijst dat mijn punt. Heel vaak ligt daar denk ik onbewust de angst achter: we gaan het verliezen. Ik geloof dat we zozeer in de voltooiing van het postmodernisme zitten, dat het nu echt in onze vezels is doorgedrongen. Ik zie en constateer het als een onafwendbaar gegeven. Daarom denk ik: verzet je er dan ook niet tegen. Want verzet tegen de tijdgeest wordt altijd vroeg of laat koddig. Dat wil niet zeggen dat je de tijdgeest moet na-apen, maar je moet ermee in gesprek gaan. Dat leidt tot heel veel verlies in termen van dat oude waarheidsgeloof. Maar tegen mensen die midden in de twijfel zitten, daar tegenaan hikken of er zelfs tegen zijn, zou ik willen zeggen: ‘Kijk eens naar de mensen die dat al hebben doorgemaakt. Zijn ze nou echt zo veel kwijtgeraakt? Zijn het nou echt van die liederlijke figuren die los van God zijn, of zijn het mensen die weliswaar een vreemde taal spreken, maar gek genoeg toch ook ontroerd raken door de woorden van Jezus? Die hun verantwoordelijkheid kunnen nemen en zich inzetten voor recht en gerechtigheid? En waren dat niet de dingen die Jezus ook wilde?’’’
 
Mensen voor wie het geloof een houvast is, schrikken van het woord twijfel. Zij ervaren je als een onheilsprofeet, omdat je zegt dat het ‘oude geloven’ gaat verdwijnen onder invloed van de tijdgeest.
,,Als mensen in vrede kunnen leven met die manier van geloven, dan feliciteer ik ze van harte. Maar ik denk wel dat het een kwestie van tijd is. Als ik terugkijk, en dat hoor ik steeds weer terug bij de mensen die veel in mijn verhaal herkennen, dan zie ik dat als de twijfel echt doorbreekt, je ontdekt dat je ’m al eerder had. Maar je kon of wilde hem niet zien. Van mensen die echt heel erg boos op mij worden, denk ik: ‘Je bent vlakbij de doorbraak van de twijfel. Waarom zou je anders boos worden? Dan kan ik je toch niet raken?’ Ik vond het doodeng, dat wegvallen uit het verhaal. Ik doe daar niet triomfalistisch over, van ‘oh, wat een heerlijke ervaring’. Maar ik denk dat het onafwendbaar is. En bij de een zal het veel heftiger gaan dan bij de ander. Maar nu ik er doorheen ben, zou ik tegen iedereen die hier nog bang voor is, willen zeggen: ‘Ik begrijp je angst, maar je overleeft het. Ik sta nu aan de andere kant.’”
 
Twintigers en dertigers
Je staat nu weer op een kruispunt in je leven. Je laat de dorpsgemeente achter je. Wat ligt er voor je?
,,De functie van dorpspastor of wijkpredikant vraagt in hoge mate een talent om ‘op de winkel te kunnen passen’. En dat bedoel ik beslist niet cynisch. Ik ken geen enkele predikant die zegt: ‘Zoals het is, moet het blijven.’ Maar je moet je met veel kunnen verzoenen. Ik merk dat ik dit onvoldoende kan om trouw te blijven aan deze functie. Ik ga graag op zoek naar hoe je op een authentieke en nieuwe manier kerk kunt zijn in de 21e eeuw. Ik pretendeer niet de antwoorden te hebben, hoor. En ik denk dat je daarvoor primair moet zijn bij de twintigers en dertigers van deze tijd. Daarom word ik zo boos als er gesproken wordt over deze groep als het ‘gat’ van de kerk. Twintigers en dertigers zijn het hart van de kerk! Zij weten hoe de wereld in elkaar zit, want ze maken er deel van uit. Ze ademen een postmoderne tijdgeest en zij zijn professioneel actief in een netwerksamenleving. En ze zijn oud genoeg om verantwoordelijkheid te kunnen nemen. De twintigers en dertigers zijn wat mij betreft sleutelfiguren in de transitie naar een nieuwe tijd. Ik zit zelf als net veertiger aan de achterkant van die groep, maar voel me daar nog heel erg bij betrokken. Maar ik voel ook de verantwoordelijkheid om vooral te kijken naar mensen die jonger zijn dan ik, en die het nog beter begrijpen dan ik.’’
 
Je ziet jezelf ook als bruggenbouwer waarbij je je wilt blijven verbinden aan de traditionele kerk. Gaat dat wel samen: bruggenbouwer en pionier?
,,Ik heb er bewust voor gekozen als zelfstandige verder te gaan, omdat ik niet opnieuw ingekapseld wil worden waardoor ik maar beperkte bewegingsruimte heb. Maar ik besef heel goed dat het feit dat we nog van een kerk kunnen spreken te maken heeft met de trouw van ons voorgeslacht. Hoewel ze op dit moment soms een enorme sta-in-de-weg kunnen zijn voor de ontwikkeling naar de toekomst toe, voel ik me – dat is wel een spagaat – ook enorm dankbaar. Ik voel me een pionier, een voorloper, maar wel behorend bij een achterhoede waarmee ik mij verbonden weet. In Nederland heerst heel snel in de media, ook in de kerk, een toon van cynisme: ‘ach, hij moet het maar waarmaken’. Maar hoop is altijd een kernbegrip voor mij geweest. Ons bezinningshuis heette niet voor niks: Huis van Hoop. Cynisme maakt niets mogelijk, maar een ruimte van hoop wel! Ik sta tot mijn verbazing plotseling op een plek waar ik iets zou kunnen betekenen voor het geloof en de kerk en ik voel me er klaar voor.’’



Dit artikel maakt deel uit van het dossier Kerk en postchristendom

Dit artikel is verschenen in CV·Koers september 2009

Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel



AdverterenNieuwsbriefAbonnee wordenContact
© cv·koers 2010

inloggen
e-mailadres:
wachtwoord:
cv•extra dossiers
40 jaar cv•koers
Kerk en postchristendom
In den beginne
De multiculturele samenleving