Voorpublicatie van John Pipers 'Genieten van God'
De mens is geschapen om God te eren – maar wat houdt dat dan in? We denken dan al snel aan het naleven van geboden en regels en aan zelfverloochening. Het gaat immers om Gods eer, niet om ons eigen verlangen naar plezier en geluk? De puriteinse theoloog John Piper kwam tot een bevrijdende ontdekking: we zijn geschapen om van God te genieten en we eren Hem het meest als we ons geluk zoeken in Hem.
Door John Piper
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Genieten van God
Dit artikel is verschenen in CV·Koers januari 2006
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
Geschapen om van God te genieten
De mens is geschapen om God te eren – maar wat houdt dat dan in? We denken dan al snel aan het naleven van geboden en regels en aan zelfverloochening. Het gaat immers om Gods eer, niet om ons eigen verlangen naar plezier en geluk? De puriteinse theoloog John Piper kwam tot een bevrijdende ontdekking: we zijn geschapen om van God te genieten en we eren Hem het meest als we ons geluk zoeken in Hem.
Door John Piper
Deze maand verschijnt de Nederlandse vertaling van 'Desiring God', waarin Piper zijn ‘christelijk hedonisme’ uiteenzet. Als CV·Koers-abonnee kunt u dit boek met korting bestellen. Hier alvast een voorpublicatie.
Je kunt de hele wereld op haar kop zetten door één woord in de geloofsbelijdenis te veranderen. Het eerste antwoord van de Westminster Catechismus luidt: ,,Het voornaamste doel van de mens is God verheerlijken en eeuwig van Hem genieten.’’ En? Net als met suiker en melk? Soms verheerlijk je God en soms geniet je van Hem? Soms krijgt Hij zijn eer, soms jij je blijdschap? En is een heel dubbelzinnig woord! Want hoe verhouden die twee dingen zich tot elkaar?
Het is duidelijk dat de theologen van weleer het niet over twee dingen hadden. Ze hadden het over ‘voornaamste doel’, niet over ‘ voornaamste doelen’. God verheerlijken en van Hem genieten, dat was voor hen één en hetzelfde doel. Hoe kan dat? Daarover gaat dit boek.
Het gaat me niet zozeer om de bedoeling van theologen uit de zeventiende eeuw. Maar Gods bedoeling in de Schrift vind ik wel heel erg belangrijk. Wat heeft God te vertellen over ons voornaamste doel? Hoe leert God ons Hem de eer te geven? Gebiedt Hij ons om van Hem te genieten? Zo ja, wat heeft die zoektocht naar blijdschap in God dan te maken met al het andere? Ja, echt al het andere! ‘Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods’ (1 Korinthiërs 10:31).
Het gaat er in dit boek bovenal om dat God in alle dingen van het leven wordt verheerlijkt op de manier die Hij zelf heeft bepaald. Met het oog daarop is dit boek geschreven, om je ervan te overtuigen dat ,,het voornaamste doel van de mens is God verheerlijken door eeuwig van Hem te genieten.’’
Hoe ik christenhedonist ben geworden
Toen ik studeerde, had ik het onbestemde, knagende gevoel dat er iets niet klopt als je goede dingen doet omdat je daar zelf gelukkig van wordt. Ik dacht dat het niveau van mijn morele handelen daalde naarmate mijn verlangen naar eigen genoegen sterker werd. Ik vond het toen niet erg om voor mijn eigen genoegen een ijsje te kopen in de mensa, omdat de morele gevolgen daarvan tamelijk onbeduidend leken. Maar gedreven worden door geluk of genoegen bij christelijk vrijwilligerswerk of in de kerk – dat leek mij egoïstisch, utilistisch, goedkoop.
Ik vond dat lastig, want ik kon geen passend alternatief verzinnen. Ik kampte met een heel groot verlangen naar geluk, een verschrikkelijk sterke behoefte om te genieten, maar steeds wanneer ik een morele keuze moest maken, zei ik tegen mezelf dat die behoefte geen invloed mocht hebben.
Vooral op het terrein van aanbidding en lofprijzing raakte ik gefrustreerd. Ik zag aanbidding puur als plicht, omdat dat onbestemde gevoel van eigenbelang nooit een rol van betekenis mocht spelen in mijn doen en laten. En dan gaat het niet meer van harte.
Maar toen bekeerde ik me tot het christelijk hedonisme. In een paar weken kwam ik erachter dat het onbijbels en hoogmoedig is om God te aanbidden zonder van Hem te genieten (let op de twee woorden: ‘van Hem’ – niet van zijn gaven, maar van Hem; niet van onszelf, maar van Hem). Door een hele reeks inzichten werd ik ‘christenhedonist’. Ik hoop dat het gaandeweg duidelijker wordt wat ik met deze vreemde uitdrukking bedoel. Hier komen die inzichten.
1. Tijdens mijn eerste periode op het seminarie leerde ik de kracht van het christelijk hedonisme en een van de belangrijkste vertegenwoordigers ervan kennen, Blaise Pascal. In zijn Gedachten schrijft hij: ,,Alle mensen zoeken het geluk. Er zijn geen uitzonderingen. Hoezeer de middelen die ze ervoor gebruiken ook verschillen – iedereen verlangt ernaar. Dat sommigen oorlog voeren en anderen dit niet doen, komt voort uit hetzelfde verlangen, dat in beiden leeft, maar met verschillende inzichten samengaat. Ook de kleinste wilsuiting is op dit doel gericht. Het is het motief voor alle daden van alle mensen, zelfs van degenen die zich gaan verhangen.’’
Dit was het antwoord op mijn eigen verlangens en die van mensen die ik kende, en daarom nam ik het direct aan en heb ik er geen ogenblik meer aan getwijfeld. Het trof me vooral dat Pascal helemaal geen moreel oordeel velt. Wat hem betreft is zoeken naar eigen geluk geen zonde, maar hoort het gewoon bij de menselijke natuur. Het is een wet van het mensenhart, zoals zwaartekracht een wet van de natuur is.
Deze gedachte betekende heel veel voor me en leidde tot een tweede ontdekking.
2. Op de universiteit was ik onder de indruk geraakt van het werk van C.S. Lewis. Maar pas veel later kocht ik een preek met de titel Het gewicht van heerlijkheid. De eerste bladzijde van die preek is een van de meest invloedrijke bladzijden in de literatuur die ik ooit gelezen heb. Daarop staat het volgende te lezen: ,,Als je twintig goede mensen in onze tijd zou vragen wat volgens hen de hoogste deugd is, dan zou negentien keer het antwoord luiden: zelfverloochening. Had je dit gevraagd aan bijna om het even welke grote christen uit vroeger tijden, dan zou het antwoord zijn geweest: liefde. Ziet u wat er is gebeurd? Er is een negatieve term in de plaats van een positieve gekomen, en dit is iets van meer dan taalkundig belang. De negatieve idee van zelfverloochening omvat niet allereerst een gedachte aan bevordering van goede dingen voor anderen, maar aan het zelf ontberen daarvan, alsof het voornaamste was dat wij iets missen en niet dat anderen gelukkig zijn. Volgens mij is dit niet de christelijke deugd die Liefde heet. Het Nieuwe Testament heeft veel te melden over zelfverloochening, maar niet over zelfverloochening als doel in zichzelf. Er staat dat je jezelf moet verloochenen en je kruis moet opnemen om Christus te kunnen volgen; en bijna iedere beschrijving van wat we zullen aantreffen als we dat doen appelleert aan verlangens. Als er bij de meeste moderne mensen een latente gedachte bestaat dat het verkeerd is het goede voor jezelf te verlangen en vurig te hopen op het genieten daarvan, dan beweer ik dat die gedachte via Kant en de stoïcijnen is binnengeslopen en geen deel uitmaakt van het christelijk geloof. Als je in de evangeliën kijkt naar de schromeloze beloften van beloning en als je ziet om wat voor verbijsterende beloningen het gaat, dan krijg je zelfs de indruk dat de Heer onze verlangens niet te sterk maar te zwak vindt. Wij zijn halfhartige wezen, we rommelen wat met drank en seks en status, terwijl er oneindige vreugde geboden wordt; zoals een onnozel kind dat wil doorgaan met moddertaartjes maken in de gribus omdat het zich niets kan voorstellen bij een vakantie aan zee. We zijn veel te gauw tevreden.’’
Het stond voor mij zo vast als een huis: het is niet slecht om te verlangen naar eigen goed. Het grootste probleem van mensen is eigenlijk dat ze veel te snel tevreden zijn. Ze genieten helemaal niet met de vastbeslotenheid en hartstocht die je mag verwachten. En zo zijn ze tevreden met zandtaartjes van begeerte en verlangen ze niet naar eindeloze vreugde.
Nog nooit van mijn leven had ik een christen, en zeker geen christen van het formaat Lewis, horen zeggen dat we allemaal naar eigen geluk zoeken (zoals Pascal zei) en al helemaal niet dat we dat behoren te doen. Het probleem is niet dat we te sterk verlangen naar geluk, maar juist veel te zwak.
3. Het derde inzicht staat al in de preek van Lewis, maar wordt wat duidelijker verwoord door Pascal, in zijn Gedachten: ,,Wat anders roepen deze hunkering en onmacht ons toe dan dat de mens ooit waarachtig geluk gekend heeft, waarvan hem nu niets anders is overgebleven dan de indruk, het volkomen lege spoor, dat hij vergeefs tracht te vullen met alles wat hem omringt, waarbij hij, als aanwezige dingen niet helpen, niet-aanwezige te hulp roept, die daar echter geen van alle toe geëigend zijn omdat deze oneindige diepe kloof slechts door iets oneindigs en onveranderlijks, namelijk door God zelf, gevuld kan worden.’’
Als ik er nu op terugkijk, dan is het zo ongelooflijk duidelijk, dat ik niet begrijp hoe ik zo blind kon zijn. Al die tijd probeerde ik mijn grote verlangen naar geluk te onderdrukken om God oprecht te kunnen prijzen, vanuit een soort ‘hoger’, minder egoïstisch motief. Maar nu begon het me te dagen dat mijn nadrukkelijke en hardnekkige verlangen naar geluk niet moest worden onderdrukt, maar dat het moest worden gestild – door God! De overtuiging dat lofprijzing alleen kan voortkomen uit het geluk dat te vinden is bij God, werd steeds vertrouwder.
4. Het volgende inzicht kwam weer van C.S. Lewis, deze keer uit zijn Gedachten over de Psalmen. Hoofdstuk negen van dit boek heeft de titel ‘Lofprijzing’. Naar mijn idee zijn het de woorden over lofprijzing bij uitstek – de meest treffende woorden over lofprijzing die ik ooit gelezen heb.
Lewis zegt dat het gebod om God te prijzen, dat in de Psalmen voortdurend terugkeert, een grote belemmering voor hem vormde toen hij in God begon te geloven. Hij begreep niet waar dat allemaal goed voor was; bovendien leek het alsof onze aanbidding nodig of begeerlijk zou zijn voor God ‘zoals voor een ijdele vrouw die naar complimentjes vist.’ Vervolgens laat hij zien waarom hij het bij het verkeerde eind had. ,,Maar het allerduidelijkste kenmerk van lofprijzing, al of niet aan God gericht, ontging mij merkwaardig genoeg. Lofprijzing zag ik als een vorm van goedkeuring of aanbeveling of eerbetoon. Ik merkte nooit dat ieder genot en iedere vreugde als vanzelf uitmondt in lofprijzing (…). De wereld gonst en galmt van lofprijzing. Minnaars bezingen hun geliefden, lezers hun lievelingsdichters, wandelaars het landschap, spelers hun favoriete sport. (…) De problemen die ik, in het algemeen, met het prijzen van God had berustten geheel en al op de absurde gedachte dat we bij het allermeest Waardeerbare niet hetzelfde zouden mogen doen wat we zo graag, zelfs onwillekeurig doen bij alles wat we verder waarderen. Ik denk dat we zo graag de lof verkondigen van dingen waar we ons in verlustigen omdat lof niet slechts een uiting maar de voltooiing van de vreugde is – haar officiële bekroning.’’
Dat was het eerste begin van mijn opkomend hedonisme. Door God te prijzen en zo mijn hoogste roeping en eeuwige bestemming na te volgen, komt de blijdschap waar ik zo naar verlangde niet in gevaar, maar komt ze juist tot vervulling. Mijn vroegere poging om te aanbidden zonder eigenbelang bleek een inwendige tegenstrijdigheid te zijn. Als je God niet op waarde schat en niet van Hem geniet, kun je Hem niet aanbidden. Lofprijzing is geen alternatief voor blijdschap, maar het bewijs van blijdschap. Als je niet van God geniet, kun je Hem niet eren. Als je tegen God zegt dat iets anders je meer voldoening geeft, dan ben je bezig met het tegenovergestelde van aanbidding. Dat is ontheiliging.
Dit zag ik niet alleen bij C.S. Lewis, maar ook bij Jonathan Edwards, een achttiende-eeuwse dominee. Niemand had me ooit verteld dat we God verheerlijken met onze blijdschap in Hem. Juist door die blijdschap in God wordt lofprijzing voor God een eer en is het geen schijnheiligheid. Edwards zegt dat heel duidelijk en krachtig: ,,God verheerlijkt zich voor het oog van zijn schepselen op twee manieren: 1. Doordat Hij zichzelf kenbaar maakt in (…) hun denken. 2. Doordat Hij zichzelf schenkt in hun hart en doordat zij zich verblijden en verheugen in de dingen die Hij van zichzelf laat zien, en daarvan genieten (…) God wordt niet alleen verheerlijkt doordat zijn heerlijkheid zichtbaar is, maar vooral doordat die heerlijkheid blijdschap oproept. Wanneer schepselen zich verheugen in Gods heerlijkheid, wordt God meer verheerlijkt dan wanneer ze haar alleen maar zien. (…) Degene die getuigt van zijn kennis over Gods heerlijkheid, verheerlijkt God minder dan degene die getuigt van zijn instemming met die heerlijkheid, en zijn blijdschap erover.’’
Dat was een geweldige ontdekking. Ik moet verlangen naar blijdschap in God, wil ik Hem verheerlijken als de meest waardevolle werkelijkheid in het heelal. Blijdschap is niet los verkrijgbaar. Ze is een wezenlijke onderdeel van aanbidding.
Er is een naam voor mensen die proberen te prijzen zonder blij te zijn. Zulke mensen noemen we schijnheilig. Lofprijzing is volmaakte vreugde en het voornaamste doel van de mens is opgaan in die vreugde – dat is misschien wel de meest bevrijdende ontdekking die ik ooit heb gedaan.
5. Vervolgens ging ik de Psalmen voor mezelf lezen en kwam ik overal de taal van het hedonisme tegen. De zoektocht naar blijdschap bleek niet slechts een mogelijkheid, maar een gebod: ‘En verlustig u in de HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten’ (Psalm 37:4).
Hiernaar waren de psalmdichters op zoek: ‘Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God’ (Psalm 42:2-3). ‘Mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water’ (Psalm 63:2). Tegenover het motief van de dorst wordt een beeld geplaatst waarin die dorst gelest wordt, wanneer de psalmdichter zegt: ‘Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten’ (Psalm 36:9).
Ik ben erachter gekomen dat je Gods goedheid, het vaste fundament voor aanbidding, niet vereert uit belangeloos respect. Nee, het is iets waar je van geniet: ‘Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is’ (Psalm 34:9). ‘Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!’ (Psalm 119:103).
C.S. Lewis zegt dat God in de Psalmen ‘allesverkwikkend’ is. Zijn volk aanbidt Hem zonder aarzelen vanwege de ‘blijdschap mijner verheuging’ (Psalm 43:4). Hij is de bron van volmaakte en eindeloze vreugde: ‘Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk’ (Psalm 16:11).
(…)
Een voorlopige definitie van christelijk hedonisme
Een frisse blik op de wereld (en een frisse blik kan eeuwen oud zijn) gaat niet samen met simpele definities. Er is een heel boek nodig om er een klein beetje grip op te krijgen. Een vlot en oppervlakkig oordeel is vrijwel altijd onjuist. Wat er op de volgende bladzijden te lezen staat, laat zich niet raden! Wie denkt dat dit het zoveelste voorbeeld is van een moderne mens die zichzelf graag in het middelpunt plaatst, zit er ver naast. Geweldig, al die verrassingen die liggen te wachten!
Eigenlijk wil ik de definitie van christelijk hedonisme liever bewaren tot het eind van dit boek, als eventuele misverstanden uit de weg geruimd zijn. Als auteur zou je zo graag willen dat de eerste zin wordt gelezen in het licht van de laatste en omgekeerd! Maar helaas, je moet ergens beginnen. Daarom geef ik de definitie van tevoren, in de hoop dat die welwillend en in het licht van de rest van dit boek geïnterpreteerd wordt.
Christelijk hedonisme is een levensfilosofie die gebaseerd is op de volgende vijf overtuigingen:
1. Het verlangen om gelukkig te zijn is een algemeen menselijke ervaring, die goed is en niet zondig.
2. We moeten het verlangen om gelukkig te zijn nooit ontkennen of belemmeren, alsof het een slechte prikkel zou zijn. We moeten dit verlangen juist proberen te versterken en het voeden met alles wat diepe en blijvende voldoening geeft.
3. Diep en blijvend geluk is alleen in God te vinden. En dan bedoel ik echt: in God.
4. Het geluk dat bij God te vinden is, wordt volmaakt als het op de veelkleurige wijze van de liefde gedeeld wordt met anderen.
5. Hoe meer we het verlangen naar eigen vreugde uitbannen, hoe moeilijker het wordt om God te eren en andere mensen lief te hebben. Positief gesteld: het verlangen naar vreugde is een noodzakelijk onderdeel van alle dienst en deugd.
Dat wil zeggen: ,,Het voornaamste doel van de mens is God verheerlijken door eeuwig van Hem te genieten.’’
Deze maand verschijnt de Nederlandse vertaling van ‘Desiring God’ onder de titel ‘Verlangen naar God‘. Hierin zet Piper zijn ‘christelijke hedonisme’ uiteen. Als CV·Koers-abonnee kunt u dit boek met korting bestellen.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Genieten van God
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
