Met de ontmaskering van frauderende academici valt – na de kerk, de politiek en de financiële sector – de laatste zuivere tempel: de wetenschap. Toch is er hoop, stelt Stefan Paas.
Een schok van ontzetting ging in september door spraakmakend Nederland bij het bekend worden van de grootschalige fraude door professor Diederik Stapel, sociaal psycholoog in Tilburg. Tot dan toe kwamen zulke dingen alleen voor in het buitenland. Denk aan de ontmaskering in 2002 van de natuurkundige Jan Hendrik Schön, werkzaam bij het gerenommeerde Bell-laboratorium en getipt als toekomstig Nobelprijswinnaar. Met denkbeeldige data stal hij de show bij het onderzoek naar halfgeleiders. Of neem het schandaal rondom de Zuid-Koreaan Hwang Woo-suk, pionier op het gebied van stamcelonderzoek. Over enige tijd zou hij een mens klonen. In 2006 werd bekend dat een groot deel van zijn resultaten was verzonnen.
Maar in Nederland hadden we zoiets nog niet gehad. Af en toe liep er weleens iemand tegen de lamp die stukken van een ander had overgeschreven. Wie herinnert zich René Diekstra niet? Maar Stapel was andere koek. Hier was een vooraanstaand geleerde die data zelf verzon, die zijn collega’s voorloog, promovendi intimideerde, en compleet zelfgefabriceerde ‘resultaten’ gepubliceerd wist te krijgen in de meest gerenommeerde tijdschriften. Hier was sprake van betonrot in het gebouw van de wetenschap.
Pedopriesters
In de commotie die volgde, zagen we een staaltje crisismanagement dat nogal deed denken aan de reactie van de Rooms-Katholieke Kerk bij de aanklachten tegen pedopriesters. KNAW-voorzitter Robert Dijkgraaf en andere verdedigers van de wetenschap verzekerden ons in alle toonaarden:
• ‘Dit is heel erg, maar het komt gelukkig heel weinig voor’ (er zijn veel meer goede priesters dan slechte)
• ‘Wetenschappers zijn natuurlijk ook maar mensen’ (het gebeurt echt niet alleen in de kerk)
• ‘Dit is geen wetenschap; het staat er juist haaks op’ (geloof heeft niets met misbruik te maken)
• ‘Wie fraude pleegt, is geen echte wetenschapper’ (zulke priesters verloochenen hun roeping)
• ‘Sociale psychologen zijn sowieso geen echte wetenschappers’ (dit is typisch gedrag voor priesters die in de jaren zestig zijn opgeleid)
• ‘De wetenschap heeft een groot zelfreinigend vermogen’ (foute priesters gaan er subiet uit)
Hoe geloofwaardig zijn zulke bezweringen? Vertrouwen we aartsbisschop Dijkgraaf? Tja, we kunnen geloven dat hij dit gelooft. En waarschijnlijk willen we ook graag geloven dat het waar is wat hij zegt. Maar hetzelfde geldt wanneer president Wim Eijk van dat andere bedrijf spreekt. Velen van ons willen graag aannemen dat het ook in religie uiteindelijk om iets mooiers gaat dan al die rotzooi waarover we te vaak moeten lezen.
Niettemin, zulke verdedigingen moeten getoetst worden. Nu weten we uit verschillende schattingen in diverse landen dat pakweg 5 procent van de priesters zich schuldig heeft gemaakt aan enige vorm van grensoverschrijdend gedrag tegenover kinderen. Dat is veel minder dan door sommigen is beweerd, maar het is angstwekkend veel als je bedenkt hoeveel slachtoffers enkelingen kunnen maken wanneer groepen kinderen min of meer aan hen worden uitgeleverd, zonder controle van buitenaf, en afgedekt door institutioneel machtsvertoon wanneer de misdaden uitkomen.
Hoe zit dat met wetenschappers? Inmiddels zijn we een paar maanden verder en zijn twee andere wetenschappers betrapt. Begin november nam een pijnonderzoeker in Nijmegen ontslag, na door een promovendus beschuldigd te zijn van gesjoemel met data. En later die maand werd hoogleraar Don Poldermans van het Erasmus MC ontslagen, nadat gebleken was dat hij zich niet hield aan ethische voorschriften bij onderzoek en dat hij onderzoeksgegevens had verzonnen. Naar Stapels collega Roos Vonk loopt bij het schrijven van dit artikel nog een integriteitsonderzoek.
Zijn zij het topje van de ijsberg? Het lijkt er wel op. In 2009 publiceerde de Edinburghse onderzoeker Daniele Fanelli een geruchtmakend artikel. Hieruit bleek dat 2 procent van de wetenschappers toegaf weleens onderzoeksmateriaal te hebben verzonnen, vervalst of gewijzigd. Gewoon bedrog dus. Daarnaast bekende 33,7 procent zich bezondigd te hebben aan andere twijfelachtige praktijken. Denk hier bijvoorbeeld aan het weglaten van resultaten die gewenste conclusies tegenspreken. Strikt genomen is dat geen fraude, want zo’n onderzoeker presenteert echte data, al zijn ze niet volledig. Maar de conclusies van zulk onderzoek zijn uiteraard waardeloos. Fanelli’s cijfers zijn gebaseerd op zelfrapportage door wetenschappers. Het ligt voor de hand dat wetenschappers – net als wij allemaal – niet graag toegeven dat zij de kluit belazeren. Het aantal zondaars zal in werkelijkheid dus veel hoger zijn. Daarop wijst ook het feit dat de cijfers omhoogschieten wanneer wetenschappers wordt gevraagd hoeveel collega’s zich schuldig maken aan bedrog (volgens hen ruim 14 procent) of aan twijfelachtige praktijken (72 procent).
Mythe van een zuivere wetenschap
Het is met de universiteit dus niet beter gesteld dan met de kerk. Integendeel, een zorgelijk groot deel van de wetenschappers blijkt best bereid om de boel te beduvelen als het van pas komt. Dat heeft grote gevolgen voor politieke beslissingen of medische behandelingen. Wetenschappelijke fraude kan letterlijk mensenlevens kosten. Om nog maar te zwijgen van miljarden euro’s en andere schade.
Het meest zorgwekkend is misschien wel dat het zo gemakkelijk is om te frauderen. Dijkgraafs geruststellend bedoelde verwijzing naar het ‘zelfreinigend vermogen’ van de wetenschap werd onmiddellijk weggehoond door wetenschapsjournalist Marcel Hulspas. Wetenschappers controleren elkaar helemáál niet: dat kost te veel moeite en tijd, en het levert te weinig op. Wie een ander betrapt op fouten, maakt geen vrienden en zo’n artikel maakt weinig kans geplaatst te worden. Hulspas’ cynische analyse liegt er niet om: ,,Vooruitkomen in de wetenschap doe je door je eigen mini-onderzoeksgebiedje af te bakenen, voortdurend te roepen dat je vreselijk belangrijk werk doet, regelmatig mini-resultaatjes te publiceren en verder iedereen die zich op jouw terreintje waagt agressief af te blaffen. Zo word je een alom erkend en gevreesd ‘expert’ op je terreintje” (De Pers, 10 september 2011).
Waarom houden Dijkgraaf c.s. dan zo hardnekkig vast aan de mythe van een zuivere wetenschap? Omdat we geen andere mythen meer overhebben. In de afgelopen eeuw is het ene na het andere instituut ontluisterd. Allemaal volgens hetzelfde patroon: van blind vertrouwen via teleurstelling naar afkeer. De kerk doet het al heel lang slecht. De overheid: wie gelooft nog in Vadertje Staat? En wie bankdirecteur is, durft dat al een tijd niet meer te vertellen op verjaardagen. Misschien is het daarom zo belangrijk te geloven in het drogbeeld van de zuivere wetenschap. We moeten toch ergens in kunnen geloven? ,,Het tragische is”, zegt Hulspas, ,,dat Dijkgraaf (en hij niet alleen) de illusie koestert dat wetenschappers een hoger slag mensen zijn. Supermensen die, in tegenstelling tot de stervelingen, over een bijzonder hoog normbesef beschikken, die volgens hem ‘uiterst kritisch’ staan tegenover hun eigen en elkaars werkzaamheden, en dus een blinkend schoon product zouden afleveren: wetenschap.”
Religieuze status
Dit is een illusie, zoveel is duidelijk. Maar waar komt zij vandaan? Ik vermoed: vanuit de welhaast religieuze status die de wetenschap heeft gekregen. Sinds de Verlichting zijn kerk en wetenschap erin geslaagd elkaar op afstand te zetten. De glorieuze winnaar van die strijd is zonder twijfel de wetenschap. Filosoof Herman Philipse vat samen: de voornaamste bron voor de wereldbeschouwing van moderne mensen is de wetenschap, niet de religie (Atheïstisch manifest, 19). Natuurlijk, uiteindelijk is wetenschappelijk misschien niet te bewijzen dat God niet bestaat. Maar denk eens aan het enorme succes van de wetenschap. Wat kan de religie daartegenover stellen?
Zo is door veel wetenschappers, de nieuwe atheïsten voorop, een tegenstelling geschapen tussen religie en wetenschap. Daarbij wordt ‘wetenschap’ gepresenteerd in haar abstracte essentie: het is de volhardende, stralende, zelfreinigende zoektocht naar waarheid. Daartegenover staat de religie, die steevast wordt geschilderd in breugeliaanse tinten. Met de nodige nadruk op haar irrationaliteit, haar gewelddadigheid, kortom op alles wat niet ‘wetenschappelijk’ is.
Dat is uiteraard een mythe. Natuurlijk, wetenschap ís de zoektocht naar waarheid. Maar wetenschap is veel meer. Velen wisten dit al in het pre-Stapelse tijdperk, anderen beseffen het nu misschien. Wetenschap, dat is Albert Schweitzer, maar ook Joseph Mengele. Het is aidsremmers en gifgas. Het is duistere geldstromen en onzindelijke afhankelijkheid, maar het is ook moedige artikelen en fantastische doorbraken. Wetenschappers ontwerpen MRI-scanners en clusterbommen. Wetenschap is de professor die de mooie studente net iets te vaak mondeling tentamen afneemt, maar ook degene die salaris inlevert om een collega aan het werk te houden. Het is de docent die thuis z’n gezin het leven tot een hel maakt, maar z’n studenten opstuwt tot topprestaties. Wetenschap, dat is integriteit en volharding; en het is geroddel en kinnesinne. Wetenschappers kunnen zich ongelooflijk concentreren op hun specialisme, en ze bemoeien zich voortdurend met dingen waar ze geen snars van begrijpen. Wetenschappers hebben al die troep uitgevonden die ons klimaat vergiftigt, en hopelijk vinden zij op tijd iets uit om ons er weer van af te helpen. En ja, de terroristen van 11 september gebruikten slechte religie om hun daad te verrichten. Maar daarbij vlogen zij in hightech Boeings.
Hoopvolle toewijding
Nu de laatste tempel haarscheurtjes vertoont, wordt het misschien tijd om eens na te denken wat een instituut nu waardevol maakt. Wetenschap is ‘ten diepste’ die systematische, cumulatieve zoektocht naar waarheid. Maar we weten ook dat die zoektocht niet los verkrijgbaar is van een hoop dingen waar we liever niet aan denken. Zo gaat het ook in de kerk ‘ten diepste’ om het levend houden van vragen als: ‘Wat is de zin van dit alles?’, of: ‘Hoe kan zo veel kwaad ongestraft blijven?’, of: ‘Is er iemand die ik dankbaar kan zijn voor mijn leven?’ Maar daar krijgen we een hoop bij cadeau waar we niet om gevraagd hebben. Welkom in de echte wereld.
De affaire-Stapel kan het scheurtje zijn in de laatste dijk die onze samenleving scheidt van totaal cynisme. Zelfs de wetenschap blijkt kwetsbaar voor zonde, hoogmoed en corruptie. Zelfs wetenschappers blijken mensen te zijn, niets beter of heiliger dan wie dan ook. Allemaal zakkenvullers, zullen de borreltafelprofeten vaststellen.
Maar wat leert dit ons? Iets wat we allang wisten, maar wat we telkens opnieuw moeten leren: wij kunnen onszelf niet verlossen. Niet door politiek, niet door rijkdom, niet door wetenschap, niet door religie. Elke toren van Babel zorgt vroeg of laat voor grootscheepse verwarring. Dat is geen sombere, maar een hoopvolle constatering. Een christelijke visie op menselijke instituten houdt volgens mij in dat we ruimhartig kunnen toegeven: met alles wat wij bouwen is het vaak veel erger gesteld dan wij willen toegeven. Het kwaad is onuitroeibaar. Als wij onszelf moeten verlossen, zijn we wel gedwongen om dat te ontkennen. Op die ontkenning wordt het soort optimisme gebouwd van moderne samenlevingen: als we het maar samen aanpakken, als we de juiste methode maar volgen, dan komt die betere wereld vanzelf. Onzin natuurlijk. Maar verleidelijke onzin.
Maar als wij geloven dat we meer bemind zijn dan we durven dromen, komt er hoop. Wat goed, schoon en waar was in onze instituten zal verlost worden. Dat geeft mij de kracht me in te zetten voor kerk en wetenschap. Hoop is namelijk niet gebouwd op optimisme; zij rust in de beloften van God. Het beste effect van de affaire-Stapel zou daarom zijn dat er ruimte komt voor een meer hoopvolle, illusieloze toewijding aan onze instituties.













Waar wil cv•koers als tijdschrift aan bijdragen? “Een volwassen geloof & een betrouwbaar getuigenis vanuit een vitale, gezonde gemeenschap." Een hele mond vol. Eerder blogde ik al over wat we als cv•koers met de thema’s 
Misschien heb je meegedaan aan de eindejaarsactie ‘elk kind een volle maag’ van Stichting Red een Kind. Zo ja: gefeliciteerd! Deze actie heeft ruim 170.000 euro opgeleverd. Met dit bedrag worden nu al 180 arme families in onder andere Ethiopië geholpen aan een échte geit, koe, een paar kippen of een groentetuin.
Hoeveel reclame zie je eigenlijk op een dag? In de bus, op tv, in het blad dat je leest, op facebook? Overal waar je komt, proberen reclamemakers hun product of dienst onder de aandacht te brengen. Jóuw aandacht! Dát het gebeurt is niet echt onderwerp van gesprek. De manier waarop is dat wel. Mag je een product mooier maken dan het is? En zo ja, hoe ver mag je daar in gaan?
Morgen ligt ‘ie bij de lezer op de mat: de cv•koers van februari 2012. Het is het eerste nummer waar ik als hoofdredacteur aan verbonden ben. In een situatie waarin alles nieuw is, is het verleidelijk om meteen allerlei veranderingen in gang te zetten. Tegelijkertijd hechten lezers juist aan een herkenbaar blad, dat er niet elke maand uitziet als een experiment. En ook wij, als nieuwe redactie, zullen eerst eens aan elkaar en aan het bladstramien moeten wennen.
Een van de veranderingen in het blad, is de toevoeging van QR-codes. We doen dat niet bij elke cd-recensie, maar vooralsnog alleen bij de artikelen over muziek. Een foto van de besproken artiest of band is mooi, maar het gaat natuurlijk om de muziek. Het even kunnen beluisteren van een nummer voegt daarom wel wat toe.
Plaats reactie