,,En ineens is het of alle lawaai wegsterft, en ik teruggezet word in de tijd. Of ik Simon bij de tempel zie staan, met Jezus in zijn armen’’
Ik denk heel even dat de buurvrouw mij een zak stoofpeertjes of moesappels komt brengen, maar dan zie ik dat er bloed uit de plastic tas druipt. Een jaar lang heeft Gerrie haar kalkoenen gevoerd, toegemopperd en gekoesterd, en vanmorgen heeft ze hen eigenhandig en zonder een traan te laten de nek omgedraaid.
Vlees hoort in pakjes te zitten. Het hoort niet dood op mijn aanrecht te liggen en mij met gebroken ogen aan te staren. Ik ben geen vegetariër, maar ik zou het liefst een gat graven in de achtertuin en dit beest de begrafenis geven die het verdient.
Gerrie heeft het over broodkruim, pecannoten en appel, over het dichtnaaien van de buik en de juiste oventemperatuur, en ik probeer niet te kijken naar die klauwpootjes die hulpeloos omhoogsteken en naar dat gebroken nekje dat over de rand van het aanrecht bungelt. ,,O ja’’, zegt ze, terwijl ze opstaat, haar jas dichtknoopt en haar sjaal weer omwikkelt. ,,Hadden jullie nog plannen voor zaterdagavond? Meneer pastoor had namelijk een verzoek.’’
,,Balthasar’’, roept een klein meisje boven het lawaai uit. Ze wijst naar Irfans gezicht. ,,Kijk, mama, Balthasar!’’
Irfan glimlacht. ,,Jozef.’’
,,Ja’’, zegt de moeder. ,,Dit is Jozef. Dat zie je toch wel?’’
,,Maar hij is bruin! En kijk eens naar het kindje!’’ Ze prikt Prisca bijna een oog uit. ,,Het kindje is ook bruin. Hij moet wit zijn.’’
Haar moeder trekt haar snel mee. ,,Kom, dan gaan we buiten bij de kamelen kijken.’’
Irfan en ik zitten op een baal stro in een geïmproviseerde stal in de kerk, tussen de schapen, de herders, de engeltjes en de koningen, terwijl de dorpsgenoten met hun kinderen langs ons drommen.
Waarom heb ik toegestemd? Waarom heb ik niet gewoon nee gezegd? ,,Nee, we hebben andere plannen’’, had ik moeten zeggen. ,,Nee, we hebben geen zin.’’ ,,Nee, we kunnen niet.’’ In plaats daarvan kom ik met argumenten. ,,Maar ze is al bijna vijf maanden.’’ ,,Het is een meisje.’’ ,,We zijn niet katholiek.’’ Helemaal niet erg, zei de buurvrouw. Dat zou voor onze lieve Heer niks uitmaken. En dat het een meisje was ook niet. Als er maar een kindje was. Het was maar voor een paar uurtjes. Eeuwenlange traditie. Volksfeest. Iedereen zou komen.
Irfan was niet bepaald blij toen hij het hoorde. Hij had gisteren en vandaag een loodzwaar kamp in de Ardennen, en hij kwam vanmiddag moe en smerig thuis, en had alleen tijd voor een kop koffie en een snelle douche vóór we naar de kerk moesten.
De herders hebben het druk met de schapen, maar de engelen zitten op hun knieën voor de voerbak en strelen Prisca’s handjes en haar. ,,Wat een sjoen Jezeskèndj’’, zegt een oude man met een rood, verweerd gezicht. Hij draagt een dikke, geruite jas en blijft staan, zijn pet in zijn handen. Een paar witte haren waaien op. Hij doet me denken aan mijn vader, die al jaren geleden overleden is. In een opwelling til ik Prisca uit de voerbak en leg haar in zijn armen. Ze kijken elkaar aan, de oude man en het kleine meisje. Hij glimlacht naar haar. En ineens is het of alle lawaai wegsterft, en ik teruggezet word in de tijd. Of ik Simon bij de tempel zie staan, met Jezus in zijn armen. Nu kunt U mij, Heer, in vrede laten gaan, want mijn ogen hebben uw heil gezien.
Zo moet Maria zich gevoeld hebben, denk ik. Zo gelukkig. Zo trots. Zo met alle vezels van haar lichaam verbonden met haar baby, die tot rust kwam bij het horen van haar hartslag, die groeide door haar melk, die met die grote, bruine ogen naar haar keek alsof hij haar al eeuwenlang kende.
Ach, Maria. Het was maar goed dat je niet begreep wat de oude man bedoelde met die onheilspellende woorden over dat zwaard in je hart. Dat je nog niet wist dat je een paar maanden later midden in de nacht door de donkere straten van Betlehem zou moeten sluipen, alles achter zou moeten laten, het land uit zou moeten vluchten om je kind het leven te redden. Dat je nog niet wist dat je zoon afstand van je zou gaan nemen, zijn eigen gang zou gaan, dat hij een gevaarlijk leven zou gaan leiden, dat hij de meest gezochte man van het land zou worden, dat hij als topcrimineel beschouwd zou worden. Dat een Romein het doodvonnis over dit jongetje zou uitspreken, zijn rug kapot zou laten geselen, hem zou laten kruisigen. Dat je kind je op de zwartste dag van je leven een andere zoon zou geven in zijn plaats, omdat hij zelf een gruwelijke dood aan het sterven was. Een zwaard door je hart.
Als ik opkijk, zie ik de oude man tussen de mensen door wegschuifelen. Vlak voor hij de kerk uit gaat, trekt hij zijn pet uit zijn jaszak en zet hem op. Irfan legt Prisca voorzichtig terug in de voerbak. De engelen schieten toe, hurken neer en strelen haar handjes. In dulci jubilo, zingen de herders.
Rosalie



























Plaats reactie