De metamorfose van de kerk (deel 1)
Onze samenleving verandert en kerken veranderen mee. Filosoof Evert Jan Ouweneel schetst in een drieluik de metamorfose van de kerk. Wat zijn de mogelijkheden en gevaren? In dit eerste deel: de megakerk.
Door Evert Jan Ouweneel
Er doet zich iets merkwaardigs voor onder westerse christenen: terwijl een groot deel zich vergaapt aan het succes van allerlei megakerken in de wereld, moet een ander groot deel juist niets meer hebben van welk kerkinstituut dan ook. Zo enthousiast als het ene deel de kerkmodellen van Rick Warren en Bill Hybels overneemt, zo enthousiast genieten anderen ervan dat zij aan geen enkel model meer gebonden zijn. Deze anderen zoeken het onderling contact juist in de kleinschaligheid van een huisgemeente of in de kruimeligheid van een netwerk.
Evert Jan Ouweneel is filosoof en zelfstandig docent. Daarnaast is hij vice-voorzitter van GIDSnetwerk.
Dit artikel is alleen in de interneditie van CV•Koers verschenen.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Kerk en postchristendom
Dit artikel is verschenen in CV·Koers juli 2007
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
Van dorpskerk naar megakerk
Onze samenleving verandert en kerken veranderen mee. Filosoof Evert Jan Ouweneel schetst in een drieluik de metamorfose van de kerk. Wat zijn de mogelijkheden en gevaren? In dit eerste deel: de megakerk.
Door Evert Jan Ouweneel
Er doet zich iets merkwaardigs voor onder westerse christenen: terwijl een groot deel zich vergaapt aan het succes van allerlei megakerken in de wereld, moet een ander groot deel juist niets meer hebben van welk kerkinstituut dan ook. Zo enthousiast als het ene deel de kerkmodellen van Rick Warren en Bill Hybels overneemt, zo enthousiast genieten anderen ervan dat zij aan geen enkel model meer gebonden zijn. Deze anderen zoeken het onderling contact juist in de kleinschaligheid van een huisgemeente of in de kruimeligheid van een netwerk. Wat heeft de toekomst: de megakerk of de huisgemeente, het instituut of het netwerk? In onze tijd wordt vaak geprobeerd de kracht van megakerken en huisgemeenten te combineren door het laatste in de vorm van ‘kringen’ of ‘celgroepen’ in het eerste onder te brengen. Ook wordt vaak geprobeerd de instituten tot netwerken te verenigen. Maar daarmee lijkt de klus nog niet geklaard: steeds meer christenen keren het hele verschijnsel ‘kerkinstituut’ de rug toe.
Dit is een drieluik over maatschappelijke ontwikkelingen die hun weerslag hebben op het ‘kerkelijk leven’. In het eerste deel richt ik mij op het verband tussen onze mobiele samenleving en het succes van megakerken. Het tweede deel is gewijd aan het verband tussen onze post-industriële samenleving en de opmars van het netwerk-christendom. In het derde deel waag ik mij aan de beschrijving van een ‘win-win kerk’, waarin de organisatorische kracht van megakerken gecombineerd wordt met de organische kracht van netwerken en huisgemeenten. Ik beperk mij in dit alles tot de westerse protestantse kerken.
Deel 1: van dorpskerk naar megakerk
Deel 1: van dorpskerk naar megakerk
De mobiele christen
De mobiliteit van de moderne westerling heeft het kerkleven danig op zijn kop gezet.
Vroeger was een kerk verzekerd van een vaste aanhang: mensen woonden hun hele leven in dezelfde plaats en bezochten hun leven lang dezelfde kerk, ongeacht de (on)aantrekkelijkheid van hun kerkgenoten, de organisatie en de preek. Men hield vast aan de eigen kerk omdat het hele leven met deze kerk verbonden was. Mensen dachten daarbij meer aan het nakomen van hun sociale en godsdienstige verplichtingen dan aan het bevredigen van hun eigen individuele behoeften.
Inmiddels moeten de meeste kerken maar afwachten wie er aan komt waaien. Vereiste scholing en aantrekkelijke carrièremogelijkheden maken dat moderne christenen zelden meer in de plaats en gemeenschap van hun jeugd verblijven. Regelmatig veranderen zij van woonplaats en moeten de kerkelijke contacten weer helemaal opnieuw worden opgebouwd. Deze in- en uitloop bevordert niet bepaald de onderlinge verbondenheid in een kerkgemeenschap.
Nu was het wisselen van kerk aanvankelijk nog overzichtelijk en voorspelbaar: bij verhuizing koos men automatisch voor de kerk van de eigen gezindte in de nieuwe plaats of woonwijk. Inmiddels zijn veel christenen echter niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk mobiel. Kerkelijk Nederland ligt voor hen open - zover als zij maar met hun auto reizen willen. Op basis van welk criterium zullen zij nu hun keuze maken? De praktijk leert dat velen niet alleen letten op spirituele en bijbel-inhoudelijke aspecten, maar ook (en vaak zelfs vooral) op de kwaliteit van: de leiders, de organisatie, de aangeboden ‘diensten en producten’ en de onderlinge omgang.
Oftewel, mobiele christenen stellen kwaliteitseisen aan een kerkgemeenschap en gaan voorbij aan kerken die daar niet aan kunnen beantwoorden. Deze gang van zaken zet de ‘economie van de kerk’ op zijn kop: daar waar men vroeger automatisch iets ‘verkocht’, moet men nu zien aan te sluiten bij de wensen en behoeften van de klant omdat er anders niets wordt ‘verkocht’. Veel kerken die deze omslag niet weten te maken en niet weten om te schakelen van een ‘aanbodgestuurde’ naar een ‘vraaggestuurde’ organisatie, lopen leeg of leiden een kwijnend bestaan.
Is dit nu dat verwenste consumentisme waarover wij ons hevig zouden moeten opwinden? Ik ga er niet zonder meer van uit. De samenleving heeft een onomkeerbare revolutie in beweeglijkheid doorgemaakt, zowel geestelijk als lichamelijk. Dat heeft niet alleen een prijs (meer onrust, minder cohesie, en inderdaad het gevaar van consumentisme), maar levert ook iets op. Ten eerste is een ongezond soort automatisme in de kerkgang bij velen weggevallen - de nieuwe vraag luidt: ik hoef hier niet te zitten, dus waarom zit ik hier? Ten tweede is in veel kerken een ongezond soort automatisme verdwenen in het organiseren van diensten en het uitdragen van het Evangelie - het nieuwe devies luidt: voorzie in een behoefte en lever maatwerk.
Van kerk naar megakerk
Sommige kerken leveren inderdaad maatwerk en groeien als kool. Het bekendste voorbeeld in Nederland is de Vrije Baptistengemeente Bethel in Drachten. De allerbekendste voorbeelden komen echter uit Noord-Amerika: de Cristal Cathedral met Robert Schuller, Saddleback Church met Rick Warren, Redeemer Presbyterian Church met Tim Keller, Lakewood Church met Joel Osteen en Willow Creek Community Church met Bill Hybels. Het past geheel in onze tijd dat deze kerken en leiders beschikken over uitstekende management- en marketingkwaliteiten.
Onderzoek uit 2000 en 2005 van de Amerikaanse socioloog en megakerk-deskundige Scott Thumma (na te lezen op hirr.hartsem.edu) laat zien dat er in de Verenigde Staten ten minste 1200 protestantse megakerken (met wekelijks 2000 of meer bezoekers) bestaan. Dit is een verdubbeling ten opzichte van het jaar 2000! Vaak bevindt zo’n kerk zich in een snelgroeiende buitenwijk van een grote stad, waar de grond goedkoper is en de juiste soort mensen woont: 'consumer oriented, highly mobile, well-educated, middle class families'.
Tussen 35 en 40 procent van de megakerken rekent zichzelf niet tot een bepaalde denominatie. Vaak staat een charismatisch leider (in eenderde van de gevallen zonder ‘papieren’) aan zowel de basis als de top van de gemeenschap, zodat een megakerk vaak de visie en persoonlijkheid van deze leider reflecteert.
Opvallend en veelzeggend is, dat megakerken in de behoeften van zowel binnen- als buitenkerkelijken voorzien:
Opvallend en veelzeggend is, dat megakerken in de behoeften van zowel binnen- als buitenkerkelijken voorzien:
- Naar binnen toe fungeren zij als een spiritual shopping center waar iedereen kan vinden wat hij zoekt. Omgekeerd worden bezoekers van megakerken flink aangemoedigd commitment te tonen: het vereist immers vele toegewijde vrijwilligers om zo’n shopping mall draaiende te houden en te laten groeien.
- Naar binnen toe proberen veel megakerken tevens te voorkomen dat mensen alleen massaal en anoniem de wekelijkse samenkomst bezoeken. Er wordt bewust gestreefd naar het ontstaan van ‘familiebanden’, naar intimiteit, onderlinge zorg en betrokkenheid, door alle bezoekers die zich aan de megakerk willen committeren onder te brengen in kleine ‘kringen’, ‘celgroepen’, of hoe ze maar worden genoemd.
- Naar buiten toe vervullen bijna alle megakerken een vaak indrukwekkende sociaal-maatschappelijke rol: 99 procent deelt voedsel uit en bekommert zich om buitenkerkelijke jongeren en tieners, 91 procent geeft financiële steun aan armen en biedt geestelijke hulp in gevangenissen, 85 procent bekommert zich om mensen die mishandeld of verslaafd zijn, 84 procent verleent zorg aan buitenkerkelijke senioren, 80 procent brengt bezoeken aan tehuizen en ziekenhuizen, en 78 procent verschaft mensen (veilig) onderdak.
Al deze activiteiten maken duidelijk dat in megakerken de scheidslijn tussen kerk, zorginstelling, ‘goededoelenorganisatie’ en soms onderneming moeilijk te trekken valt: naast de gebruikelijke samenkomsten komt men er ook concerten, georganiseerde reizen, winkels, dagopvang, ouderenzorg, financiële steun, voedselhulp et cetera tegen, en naast het wekelijkse bulletin worden er ook cd’s, televisieprogramma’s, dvd’s, boeken, tijdschriften geproduceerd. Weliswaar blijft het ‘kerkelijk karakter’ van de organisatie zichtbaar in erediensten en doopdiensten, maar deze gebeurtenissen liggen ingebed in een setting die zo breed is, dat kerk-zijn zo ongeveer alle menselijke activiteiten kan omvatten, op alle dagen van de week, zolang het maar door christenen wordt georganiseerd.
Ten slotte moet nog worden opgemerkt, dat megakerken dikwijls met allerlei kleinere, geestverwante kerken een netwerk of associatie vormen. Thumma spreekt over een 'quasi-kerkverband', waarbij de leider van de megakerk ook leiding geeft aan zo’n verband. Netwerken rond megakerken zijn echter veel losser dan traditionele kerkverbanden: kerken distantiëren zich gemakkelijk van de ene megakerk om zich vervolgens bij een andere aan te sluiten. Zo ‘kruimelig’ willen de megakerken het ook hebben: geen exclusief, rigide kerkverband waarin men bij elkaar hoort omdat dit ooit in de geschiedenis zo is beklonken of vanwege een uiterst specifiek gedachtegoed, maar een netwerk van kerken die samenwerken omdat zij om elkaar geven en dezelfde missie delen. (Hier komen wij op kerkniveau dezelfde mentaliteit en mobiliteit tegen als die van de individuele moderne christen.)
Navolgenswaardig?
Is dit de toekomst: deze megakerken die als mammoetorganisaties vele christenen weten te verenigen en een dienende hand uitstrekken naar alle geledingen van de samenleving? Kijken we naar de praktijk, dan blijken de megakerken inderdaad dé trendzetters onder westerse christenen te zijn. De succesverhalen van sommige megakerken worden door miljoenen christenen gelezen en als navolgenswaardig opgevat. Zelfs veel kerken die niet streven naar 2000 of meer bezoekers per week, laten zich in hun beleidsbepaling inspireren door wat de ‘reuzen’ doen.
Toch, ondanks deze grote invloed van megakerken, is er ook sprake van een belangrijke tegenbeweging: weg van het kerkinstituut en richting de informelere setting van een huiskamer of netwerk. Dit roept de vraag op wat nu precies navolgenswaardig is aan megakerken. Wat kunnen niet alleen kerkelijke maar ook buitenkerkelijke christenen leren van het verschijnsel megakerk?
Navolgenswaardig aan veel megakerken is naar mijn idee, dat zij het verschijnsel ‘kerk-zijn’ zover hebben opgerekt dat het alle menselijke activiteiten kan omvatten en in vele noden kan voorzien. Oftewel, megakerken hebben het kerkinstituut van zijn introverte en nauwdenkende automatismen ontdaan en omgebouwd tot een aantrekkelijk antwoord op de vele vragen van zowel binnen- als buitenkerkelijken. Hier wordt gewerkt aan het bijbelse ideaal van het ene 'Lichaam van Christus', waarin alle leden hun kwaliteiten inzetten ter ondersteuning en verrijking van de anderen, en waarin alle leden tegelijk beseffen dat een sterk en gezond Lichaam geen doel in zichzelf is, maar zélf weer geroepen is tot dienstbaarheid aan de omgeving (vaak een grote stad).
Minder navolgenswaardig is het centralistische en bureaucratische karakter van veel megakerken. Dat is namelijk vragen om te veel macht aan de top en te veel regels aan de basis. (Ik moet hier natuurlijk generaliseren; het gaat mij om een algemene zwakke plek in het verschijnsel megakerk.)
Over het eerste (te veel macht aan de top) merkt Thumma op, dat diverse megakerken wel belijden met een team aan de top te werken, maar in de praktijk vaak kritiekloos de visie en beleidsbepalingen van de ene senior pastor of senior minister volgen. Heel begrijpelijk natuurlijk, wanneer megakerken hun hele bestaan te danken hebben aan deze persoon. Bovendien: hoe groter de organisatie, hoe groter de gevolgen wanneer de leiders er niet uitkomen en hoe groter dus de behoefte aan een krachtige Chief Executive Officer die knopen doorhakt. Dikwijls echter wordt zo’n kerkelijke CEO onvoldoende gecorrigeerd of aangevuld, en duldt hij alleen die mensen om zich heen die weinig weerstand bieden. Het gevolg is, dat de beperkingen van een hele megakerk identiek zijn aan die van de leider. Dit probleem wordt niet zonder meer opgelost door een team van leiders aan de top te plaatsen, want ook een heel team kan de beperkende factor in een organisatie zijn. Het probleem is hier niet leiderschap, maar centralisme. En natuurlijk gaat het om een algemeen probleem dat zich in iedere organisatie voor kan doen. Maar in een megakerk treft het vele mensen, en is het wel nodig dat er boven een gemeenschap van 20.000 christenen één hoofdbestuur of senior pastor werkzaam is?
Wat het tweede betreft (te veel regels aan de basis), megakerken zijn zó omvangrijk dat zij alleen dankzij rigide gezags- en organisatiestructuren kunnen voortbestaan. Met deze structuren is op zich niets mis; die zijn inherent aan iedere organisatie. Hoe groter echter de organisatie, hoe belangrijker het is dat medewerkers niet hun eigen gang gaan maar zich onderwerpen aan ‘directie en afdelingshoofden’ en aan de wijze waarop de dingen nu eenmaal geregeld zijn. Zo komt al gauw de organisatorische kant van kerk-zijn centraal te staan, en daarmee de vraag: hoeveel krijgen wij door goed management en goede marketing voor elkaar?
Op dit punt begint vaak het verzet van degenen die het kerkinstituut met vreugde vaarwel hebben gezegd - en vaak zien zij in kleinere kerken hetzelfde als in megakerken. Niet alleen bespeuren zij in de gezags- en organisatiestructuren een industriële werkwijze die steeds minder aansluit bij onze post-industriële netwerk-samenleving (zie het volgende deel), zij zien ook de organische kant van kerk-zijn in de verdrukking raken. Kerkleiders hebben volgens deze buitenkerkelijke christenen veel te veel te zeggen over wat wel en niet de visie van de gemeente is en wat daar wel en niet in past. Wat zou er gebeuren als een gemeente haar visie geheel zou laten afhangen van wat er leeft onder gemeenteleden, van wat zich aandient, van wat 'de Geest aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil' (1 Kor. 12:11)? Visie ontvangen betekent dan: aansluiting zoeken bij de bewogenheid van een gemeenschap en niet buiten het organische draagvlak van die bewogenheid treden. Leider zijn betekent dan: opmerken en verwoorden wat in veler harten leeft, de boel bij elkaar houden en op elkaar afstemmen. Dit brengt ons helemaal in de actualiteit van de post-industriële samenleving (Lees hier deel 2 van het drieluik).Evert Jan Ouweneel is filosoof en zelfstandig docent. Daarnaast is hij vice-voorzitter van GIDSnetwerk.
Dit artikel is alleen in de interneditie van CV•Koers verschenen.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Kerk en postchristendom
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
