forum
"Geen CU meer in het kabinet. Geloof en macht gaan niet samen"
Mee eens
Niet mee eens
Geen mening
Stem
Vorige forums
Preken in een postchristelijke cultuur (deel 2)

Tim Keller: Hoe kunnen preken aansluiten bij niet-kerkelijke hoorders?


De cultuur is veranderd en dus zijn mensen veranderd. Veel predikanten worstelen ermee wat dit zou moeten betekenen voor hun manier van preken. Dr. Tim Keller (Redeemer) hield een reeks toespraken over ‘preken in een postchristelijke cultuur’, die Stefan Paas bewerkte tot een tweedelig artikel. In dit tweede deel gaat Keller in op de vraag hoe je postchristelijke hoorders echt kunt bereiken met het Evangelie.

Door Tim Keller en Stefan Paas


Tim Keller: Hoe kunnen preken aansluiten bij niet-kerkelijke hoorders? Afscheid van de Christenheid
In de inleiding stelden we vast dat het kernprobleem van de prediking vandaag te maken heeft met het feit dat mensen anders zijn dan vroeger. Onze voorouders groeiden op in een ongebroken christelijke cultuur. Zelfs als ze geen trouwe kerkgangers waren, ademden zij die cultuur volkomen vanzelfsprekend in. Die cultuur van de christenheid, het corpus christianum, is voorbij. Niet langer geeft de brede culturele omgeving aan mensen een fundamentele christelijke wereldbeschouwing, waarop kerken kunnen voortbouwen. Vroeger geloofden de meeste mensen dat de Bijbel betrouwbaar was, dat God persoonlijk, oneindig en eeuwig was, dat wij Hem toewijding verschuldigd zijn, dat er verzoening nodig was. In zo’n situatie hoefden predikers niet veel na te denken over contextualisatie. Preken kon er – eenvoudig gezegd – op neerkomen dat je mensen opriep om ‘te doen wat juist was’. Je kon mensen aanspreken op hun gebrek aan vroomheid of kerkgang en dat werd geaccepteerd. Een prediker kon mensen vanzelfsprekend oproepen om naar de kerk te komen en gedoopt te worden. Je kon hen ‘ergens op aanspreken’, zogezegd. Het ‘verhaal’ van mensen in deze gekerstende of traditionele cultuur luidde ongeveer als volgt: ,,Ik wil goed en hoogstaand zijn en God behagen”. De kerk hoefde slechts te zeggen: ,,Zonder God kan jouw verhaal niet goed aflopen. Je kunt nooit goed genoeg zijn, zonder de vergeving en kracht van Christus”.
 
Opnieuw contextualiseren
De missioloog Lesslie Newbigin heeft in een aantal boeken de consequenties getrokken uit de teloorgang van deze ongebroken christelijke wereld in het Westen. Uit zijn werk is een beweging voortgekomen die de kerken in ons werelddeel oproept om weer ‘missionair’ te zijn. Dat wil zeggen, wij zullen moeten erkennen dat wij ons opnieuw op een ‘zendingsveld’ bevinden, omringd door mensen die een fundamenteel andere wereldbeschouwing hebben dan die van de Bijbel. Wij zullen werkelijk moeten contextualiseren, als wij mensen tot bekering willen leiden. Dat betekent in de eerste plaats dat wij de wereldbeschouwing (het ‘verhaal’) van de omringende cultuur moeten binnengaan, In de tweede plaats moeten wij het verschil (h)erkennen tussen de oudere wereldbeschouwingen die van invloed waren op mensen in een meer gekerstende cultuur enerzijds en de nieuwe cultuur anderzijds. Ten derde dienen wij de verhalen van de omringende cultuur ‘na te vertellen’ met het Evangelie. Dat betekent dat wij elk verhaal zowel uitdagen en bekritiseren als bevestigen en verheffen.
 
Het ‘verhaal’ van ons leven
Een verhaal gehoorzaamt aan een eenvoudige structuur: het begint met een onevenwichtigheid, een ‘storing’ (bijvoorbeeld een ziekte, een weggelopen schaap, of een verloren munt). In het vervolg proberen de belangrijkste personen in het verhaal dit evenwicht te herstellen. Het eind van het verhaal is het resultaat van deze pogingen: er is een nieuwe situatie bereikt. Dit kan het herstel van het evenwicht zijn, of een nieuwe onevenwichtigheid, of het in stand blijven en zelfs verergeren van het bestaande probleem. Dat biedt dan stof voor een volgend verhaal.
Wij mensen geven betekenis aan iets door het in een groter geheel te zetten, door er een kop en een staart aan te geven. Wij geven onszelf en de dingen om ons heen zin, door ze een plaats te geven in een verhaal. Als wij willen uitleggen wie wij zijn, vertellen we ons levensverhaal. Wij vertellen waar we vandaan komen, wat onze plannen zijn, wie belangrijk voor ons zijn geweest, wat wij moeilijk vinden en fijn. Wie geen verhaal kan geven aan alles wat met hem is gebeurd en wat hij heeft gedaan, verliest het vermogen om zin te geven aan zijn leven. Het leven is dan niets anders dan ‘het ene stomme ding na het andere’.
Na de ramp met het World Trade Center probeerden allerlei mensen er ‘betekenis’ aan te geven door die gebeurtenis te plaatsen in een verhaal. De progressieven zeiden: ,,Dit komt omdat de USA de schurkenstaat van deze wereld is en de onderdrukten vechten nu terug”. De conservatieven zeiden: ,,Dit komt omdat de USA staat voor vrijheid en democratie en nu hebben de slechteriken ons aangevallen”. Dit zijn uitersten en er waren ook subtielere verhalen, maar het punt is dat niemand zin kon geven aan dat wat gebeurd was, zonder een soort van plot te bedenken, met hoofdpersonen die een probleem creëren of proberen op te lossen.
Sinds het begin van de geschiedenis hebben mensen ook verhalen gebruikt om betekenis te geven aan het leven zelf. Iedereen weet dat de wereld als geheel uit balans is: er is iets behoorlijk mis. Allereerst is er iets mis met ons. Niets lijkt ons ooit helemaal en langdurig gelukkig en tevreden te kunnen maken. Minnaars, landschappen, ervaringen, zij lijken ons allemaal die ultieme vreugde te beloven, maar zij kunnen die nooit leveren als het erop aankomt. Zij wijzen naar iets waarnaar wij verlangen, iets wat de wereld nooit kan geven. In de tweede plaats is er ook iets mis tussen ons, in de samenleving van mensen. De wereld is vervuld van oorlog, lijden en onrecht. Iets lijkt de hele wereld uit zijn evenwicht te hebben gebracht. Wat is dat ‘iets’? En wat is de oplossing?
 
Het verhaal van de wereldbeschouwing
Toen aan het begin van de 5e eeuw het West-Romeinse rijk op instorten stond na onophoudelijke aanvallen van de barbaren, wisten de heidenen waarom dit kwam. Het verhaal dat zij vertelden, luidde ongeveer als volgt: ,,Ooit was Rome machtig en onaantastbaar. Maar toen kwam er een sekte op, die het oude geloof in onze goden heeft verdrongen. Nu zijn er zelfs keizers die christen zijn geworden. Het is duidelijk waartoe dit heeft geleid: onze ondergang is de schuld van de christenen. Alleen wanneer wij terugkeren tot de goden van weleer, zal Rome weer opstaan”. Hun verhaal was helder: het verleende zin en betekenis aan de huidige toestand. Augustinus, de grootste christelijke denker ooit, nam de handschoen op in zijn De civitate Dei (‘De stad van God’). Hij ontrafelde het heidense verhaal en herschreef het met behulp van het Evangelie.
Wanneer een cultuur antwoorden geeft op deze grote vragen, formuleert zij een wereldbeschouwing: een interpretatie van de betekenis van het leven. Deze wereldbeschouwing is dat wat de cultuur verstaat onder het probleem in het leven, de strijd tegen dat probleem en de manier om ‘verlost’ te worden. Natuurlijk is die wereldbeschouwing niet bij iedereen even sterk te vinden: mensen worden zich er meestal pas bewust van wanneer zij gedwongen worden na te denken over wat hen beweegt en waarom zij er zijn. Maar toch: het is niet zozeer een kwestie van onder woorden brengen. Mensen laten in hun daden zien wat hen beweegt, in welk ‘verhaal’ zij zichzelf een rol toebedelen. Dat is het kleine verhaal van hun leven, maar daar doorheen schemert ook het grote verhaal van de westerse cultuur. De grote verhalen zijn bepaald nog niet voorbij, al worden zij niet langer beleefd en verteld binnen religieuze kaders. De filosoof Charles Taylor laat dit goed zien in zijn boekje De malaise van de moderniteit: wij leven binnen een context van belangrijke vragen, die wij niet zelf formuleren. Zij overstijgen ons, zijn aan ons ‘gegeven’ als het ware. Wij kunnen ons leven niet willekeurig en geheel individueel zin geven. Om een voorbeeld te noemen: iemand kan wel zeggen dat de zin van zijn leven ligt in het feit dat hij schoenmaat 46 heeft, maar tenzij dit getal 46 een bijzonder getal is in zijn cultuur (bijv. een heilig nummer), is zijn opmerking triviaal, zonder betekenis. Daarom is het wel degelijk van belang, ook in een postmoderne cultuur, om het grote verhaal, de grote vragen en antwoorden, op te zoeken achter de keuzen en levenswijze van mensen.
Elke cultuur heeft een ‘wereld-verhaal’, dat bestaat uit algemeen aanvaarde antwoorden op de vraag: “wat is er mis met de wereld en hoe kan dat gerepareerd worden”. Als je die vraag nader bekijkt, zie je dat het hierin draait om drie fundamentele kwesties: (a) met welk doel zijn wij er? – hoe zouden de dingen moeten zijn?; (b) wat is er mis gegaan? Wat heeft het leven uit het evenwicht gebracht?; (c) wat is de oplossing? Hoe realiseren we die?
Elke samenleving heeft een bepaalde ‘wereldbeschouwing’, in het kader waarvan alle menselijke activiteiten plaatsvinden. De Grieken zagen het voornaamste probleem in het lichaam en de wereld van de materie. Oosterse godsdiensten en culturen geloofden dat het voornaamste probleem was dat hij in illusie leeft en daardoor zelfzuchtige begeerten ontwikkelt. Een ‘wereldbeschouwing’ is een ‘wereld-verhaal’: een verslag van hoe de dingen zouden moeten zijn, wat ervoor gezorgd heeft dat ze zijn zoals ze zijn en hoe wij het weer in orde kunnen brengen. De belangrijkste facetten van dit ‘verhaal’ voor predikers zijn:
doel van het leven of van het heelal. Waarom is er iets en niet veeleer niets? Waarom zijn wij hier? Naar welke doelen zouden we moeten streven? Dit is de ‘missie’: een veronderstelling van het ultieme ‘goed’, de hoogste waarde;
het probleem met de menselijke natuur. Wat is er vooral mis met ons? Waarom zijn dingen niet zoals ze moeten zijn? Waarom slagen we er niet in onze doelen te bereiken? Wie zijn onze ‘tegenstanders’: wie of wat verhindert ons te slagen?;
de oplossing, het middel van verlossing. Wat is de belangrijkste manier om dat wat verkeerd is op te lossen of te repareren? Hoe kunnen we door de barrières heen breken? Wie zijn onze ‘medestanders’: de krachten die ons zullen helpen om onszelf te redden?
 
Iedereen heeft een bepaalde ‘werkhypothese’, hoe ruw en summier ook, die dit soort vragen beantwoordt. Deze ‘hypothese’ is onze ‘wereldbeschouwing’ of ons ‘wereld-verhaal’.
In het vervolg gaan we er op in hoe een prediker het ‘verhaal’ van moderne westerse mensen kan binnengaan en veranderen.
 
Het verhaal binnengaan, onder kritiek stellen en opnieuw vertellen
Het verhaal binnengaan
Eerder noemden we het voorbeeld van Augustinus, die in zijn tijd het ‘wereld-verhaal’ van de heidenen herschreef. Dat deed hij door dit verhaal eerst binnen te gaan, het te beproeven op zijn draagkracht. Hoe gaan we het verhaal van mensen binnen? Het is ons niet gegeven mensen te bekeren, maar hoe krijgen we hen zo ver dat ze onze boodschap ten minste serieus nemen? Twee begrippen zijn daarbij erg belangrijk voor verkondigers: geloofwaardigheid en relevantie. We werken beide begrippen wat verder uit.
 
1. Geloofwaardigheid.
Geloofwaardigheid is uiterst belangrijk. Het is menselijkerwijs gesproken beslissend voor de vraag of onze boodschap overkomt. Voor alle duidelijkheid: geloofwaardigheid is niet hetzelfde als waarheid. Iets kan waar zijn, maar toch niet voor iedereen geloofwaardig. Wanneer we bijvoorbeeld aan een stam die in de oerwouden van de Amazone leeft willen uitleggen dat de aarde rond is en dat er zich in het uiterste noorden en zuiden enorme ijskappen bevinden, zal dat voor deze mensen niet zomaar geloofwaardig zijn. Een theologisch begrip als ‘collectieve schuld’, ongeacht of het waar is, is voor moderne westerse mensen nauwelijks voorstelbaar. Willen we dat mensen de waarheid van onze boodschap erkennen, dan zullen wij ons moeten begeven in het gebied van wat zij geloofwaardig en voorstelbaar vinden.
Wij zullen dus ons best moeten doen voor de ander geloofwaardig te zijn (als we onszelf niet eens geloofwaardig vinden, zijn we niet serieus bezig). Daarmee is ‘geloofwaardigheid’ geschetst als een daad van communicatie. We gebruiken hier de klassieke driedeling van Aristoteles in Logos (woord/inhoud), Pathos (hartstocht/overtuiging) en Ethos (betrokken­heid/in­tegriteit) om dit verder uit te werken.
a. Logos: om geloofwaardig te zijn, dienen wij in de eerste plaats de taal van de ontvanger te spreken. Daarom moeten wij woorden en verwijzingen gebruiken die hij kan verstaan. Dit kan per persoon of groep verschillen, zelfs binnen dezelfde overkoepelende cultuur. Sommige mensen worden bijvoorbeeld meer geraakt door feiten, cijfers en argumenten, terwijl anderen meer opsteken van een interactieve en beeldende benadering.
Een opmerking hierbij is wellicht niet overbodig. In de tijd van de Christenheid was er veel minder verschil tussen ‘kerktaal’ en taal die buiten de kerk werd gesproken. Bijbelse terminologie en bijbelse concepten waren onderdeel van het gangbare spraakgebruik. Politieke documenten uit de 17e en 18e eeuw bijvoorbeeld, zijn doorspekt met toespelingen op en verwijzingen naar de Bijbel. In onze huidige situatie is dat allemaal anders geworden. Een missionaire kerk die werkelijk wil communiceren met de cultuur er omheen, zal zich heel bewust moeten toeleggen op verstaanbaar spreken. Wat betekent dat concreet?
• we moeten bijbels taalgebruik niet vermijden, maar wel ernstige pogingen doen om die taal uit te leggen op een manier die werkelijk te begrijpen is voor mensen zonder een christelijke achtergrond. In het bijzonder moeten we ervoor waken de Bijbel zomaar te citeren of opmerkingen te maken op een toon als ‘iedereen die een beetje intelligent is, zou dit toch moeten weten!’. Let erop hoe je bronnen en autoriteiten aanhaalt;
• we moeten nooit spreken over niet-gelovigen alsof zij er niet bij zijn. Wij moeten altijd ervan uitgaan dat wij beluisterd worden door niet-gelovige media. Wanneer je preekt, alsof het hele dorp of de hele stad aanwezig is in de kerk (en niet alleen enkele verstrooide christenen), zullen er uiteindelijk ook in werkelijkheid mensen uit het dorp of de stad binnenkomen. Dat komt in de eerste plaats omdat postmoderne mensen het christendom ‘uitproberen’ via tientallen mini-beslissingen. Zij willen zien hoe het werkt. In de tweede plaats zullen christenen gemakkelijker hun buren en vrienden durven uitnodigen, wanneer je op deze manier spreekt;
• we moeten ‘stamtaal’ vermijden: onnodig evangelisch of gereformeerd jargon en archaïsche taal, of een zogeheten ‘geestelijke toon’ (d.i. typische gebedstaal);
• we moeten ervoor oppassen om te spreken in ‘wij-zij’-tegenstellingen: badinerende grapjes, die spotten met mensen van een ander geloof of overtuiging en laatdunkende opmerkingen over de levensstijl van mensen die anders denken dan wij. Probeer voortdurend te bedenken wat de noden, verlangens, tegenwerpingen en twijfels van de sceptische toehoorder of zoeker zal zijn. Breng die onder woorden en ga er op in, met respect en sympathie. Dit zal je beter afgaan, naarmate je dieper geraakt bent door het Evangelie van genade. Ontvangen genade breekt onze hoogmoed af;
• we dienen sentimentele, plechtige, emotioneel manipulatieve praat te vermijden. Wij benaderen daarentegen onze cultuur met de vriendelijke, bescheiden, maar vreugdevolle ironie, die het Evangelie in ons verwekt. Er is een ‘ironie van het ware Evangelie’ en er bestaat een realisme dat een combinatie is van nederigheid en vreugde. Wij doen ook ons best om niet vooruit te lopen op de niet-gelovigen, door zoveel emoties te laden in onze woorden dat we hen afschrikken of achterlaten;
• tenzij al het bovenstaande een vrucht is van een hart dat werkelijk door het Evangelie is veranderd, is het niet meer dan marketing en reclame.
b. Pathos: om geloofwaardig te zijn, dienen we de juiste non-verbale communicatie te gebruiken. Non-verbale communicatie is een ingewikkeld en uitgebreid terrein. Het gaat hier om gebaren, hoe je staat, timing, tempo, gezichtsuitdrukking, houding, stemgebruik, toonhoogte, intensiteit, ritme, nadruk enzovoort. Op ontelbaar veel manieren laat je je emotie en overtuiging zien. Daarbij maakt het verschil wie je tegenover je hebt. Geen prediker kan voor zichzelf beslissen of hij de passende emoties goed tot uitdrukking brengt, zonder dat hij commentaar vraagt en krijgt van zijn hoorders. Je moet er bewust naar vragen, juist omdat veel op dit gebied zo onbewust gaat. Allerlei non-verbale codes die mensen als ongepast ervaren, zullen ‘uitgefilterd’ worden en achteraf heb je geen idee wat er nu precies is gebeurd met datgene wat je wilde overbrengen. Je blijft alleen achter met een vaag besef dat er iets niet ging zoals het moest.
c. Ethos: de spreker moet uiteraard zelf geloofwaardig zijn. Volgens Aristoteles is dit het belangrijkste kenmerk van een geloofwaardige spreker. Het voorbeeld dat de prediker geeft, is een belangrijk onderdeel van de communicatie. Wanneer je spreekt tot een grote groep, is je reputatie (hoe je ‘overkomt’) van invloed op de communicatie. Veel toehoorders zijn geruime tijd bezig, tijdens je preek, om hun standpunt ten aanzien van de prediker te bepalen! Wanneer zij hem al kennen, hebben zij al een idee over zijn geloofwaardigheid. Dit idee is uiterst moeilijk te veranderen, noch door een geweldige, noch door een armzalige communicatie. Wanneer je geen groot spreker bent, maar bekend staat als iemand die in zijn leven toont wat hij zegt en werkelijke liefde voor mensen heeft (integriteit en compassie), zullen mensen die je kennen zich niet snel een buil vallen aan je preek. Andersom, wanneer je een geweldige spreker bent, maar verder niet integer, zullen alleen onbekenden en gasten genieten van wat je zegt. De vaste toehoorders weten beter. Als zij zelf integer zijn, zullen zij vertrekken of je vermanen. Als zij dat niet zijn, vinden ze het best bij je uit te houden.
Persoonlijke transparantie en een duidelijke kennis van en betrokkenheid op het hart van mensen, kunnen je geloofwaardigheid bezorgen, zelfs bij mensen die je niet of nauwelijks kennen. De manier waarop je dat doet, luistert nauw. Milde zelfspot wordt bijvoorbeeld erg gewaardeerd in een seculiere stedelijke context, maar dat moet wel in je zitten. Als je het probeert te spelen, ben je niet langer integer en breek je je geloofwaardigheid af. Kortom, niet elke spreker is geschikt voor elke context.
 
2. Relevantie
Om een wereldbeschouwing ‘binnen te komen’ moeten we er min of meer gaan wonen, of er ten minste een vertrouwde gast zijn. Je komt er niet zomaar binnen met je eigen stijl en je eigen culturele bril op. Je zult het referentiekader van de ander ook intellectueel moeten kennen, zelfs al ben je erop uit om het te veranderen. Hoe doe je dat?
a. In de eerste plaats zul je een behoorlijke kennis van deze wereldbeschouwing moeten hebben. Je zult met kennis van zaken moeten kunnen verwijzen naar de romans, muziekteksten, TV-programma’s, auteurs, denkers, die je hoorders kennen en die hun wereldbeschouwing vertegenwoordigen. Je gebruikt illustraties die iets betekenen voor deze mensen (en dat betekent weer dat je veel leest en veel praat met mensen die leven binnen deze wereldbeschouwing). Je zult nooit orthodoxe christelijke uitspraken doen, zonder te laten merken dat je heel goed beseft hoe moeilijk, dwaas, aanstootgevend of verwarrend ze kunnen zijn voor mensen die leven met deze wereldbeschouwing. Er is niets zo irritant als het gevoel te hebben dat je wordt genegeerd of niet erkend in je vragen. Zeggen dat Jezus Gods toorn aan het kruis droeg en nooit zeggen ‘Ik weet dat dit afgrijselijk klinkt in de oren van veel mensen vandaag’ is een vorm van belediging.
b. In de tweede plaats moet je werkelijke sympathie voor deze wereldbeschouwing tonen, althans in hoge mate. Wij doen dat niet, wanneer wij (a) ‘strooien poppen’ maken: een karikatuur schetsen van de moderne levensbeschouwing en die vervolgens afschieten. Dit zal niemand overtuigen, alleen degenen die het al met je eens waren; (b) geen werkelijke sympathie laten zien en niet, waar mogelijk, de waarheid erkennen van problemen die mensen hebben met het christelijk geloof. Kortom, je kunt niet zeggen: ‘Nou, zo is het nu eenmaal’ of, erger nog, op geen enkele manier laten merken dat je weet dat mensen ook anders kunnen denken.
c. De belangrijkste manier om een wereldbeschouwing binnen te gaan, is te gaan van de ‘bekende waarheid’ naar de ‘onbekende waarheid’. Dit houdt het volgende in:
• er is altijd ‘waarheid’ in een bepaalde cultuur of levensovertuiging. Het is nooit allemaal onzin wat iemand gelooft. Door algemene genade en algemene openbaring zijn er overtuigingen en waarden die grotendeels overeenkomen met die van de christelijke wereldbeschouwing. Romeinen 1 vertelt ons dat iedereen de waarheid van God diep van binnen ‘kent’. Op de een of andere manier leven veel mensen alsof de God van de Bijbel bestaat, omdat zij dat ‘weten’ diep in hun hart. Elke cultuur erkent delen van Gods waarheid;
• het is belangrijk dat je zulke waarheden die overeenkomen met de Bijbel opspoort en benoemt. Citeer gezaghebbende bronnen, waarin je hoorders vertrouwen hebben en toon dan hoe de Bijbel deze waarheden ook uitdrukt, maar op een levendiger en rijkere en vollediger manier. Begin niet met het bekritiseren van de wereldbeschouwing van de ander. Je begint met er ‘binnen te gaan’ en dat doe je door er rond te kijken en het eens te zijn met bepaalde elementen daaruit. Zo kun je bijvoorbeeld seculiere jongeren vertellen over seksuele ethiek, door het gebrek aan preutsheid van de Bijbel te laten zien en open te spreken over de schoonheid van seks. Daag hen dan uit in hun losbandigheid en promiscuïteit. Uiteraard betekent dit niet dat hun gebrek aan preutsheid was gebaseerd op de juiste veronderstellingen; het is simpelweg een gemeenschappelijke plaats om te gaan staan. Het zal overigens duidelijk zijn dat je deze benadering nu juist niet moet kiezen bij moslims of hindoes. Begin dan met te spreken over de heiligheid van seks;
• begin nu met duidelijk te maken hoe hun ideeën van God niet overeenkomen met deze waarheden en overtuigingen. Laat hun zien wat zij niet weten. Hieronder wordt dat verder uitgewerkt.
• Om ‘relevant’ te zijn en dus de wereldbeschouwing van de ander binnen te gaan, is het belangrijk om in te gaan op de ‘behoeften’ waarvan mensen zich bewust zijn. Dit wordt vaak voorgesteld als de belangrijkste of zelfs enige weg waarop wij seculiere mensen kunnen bereiken. Nu is het uiterst belangrijk dat je laat zien dat je vertrouwd bent met de verlangens en angsten van mensen. Dat spreekt vanzelf; het is niet meer dan gezond verstand en je ziet het ook gebeuren bij Paulus, die zich in zijn verschillende toespraken aanpast bij de noden en verlangens van zijn toehoorders. Maar als je het alleen maar hebt over de ‘behoeften’ van mensen, zonder hun wereldbeschouwing werkelijk binnen te treden en als je die wereldbeschouwing vervolgens niet bekritiseert en uitdaagt, zal je nadruk op ‘ervaren behoeften’ uitdraaien op een marketingstrategie. Klandizie is het resultaat; geen bekeerlingen of discipelen.
 
Het verhaal onder kritiek stellen en opnieuw vertellen
Een geloofwaardige en relevante spreker is menselijkerwijs gesproken in staat om de wereldbeschouwing van zijn hoorders te bekritiseren en te ‘herschrijven’. De volgende zaken zijn in dit verband belangrijk:
 
1. Benoem de werkelijke, fundamentele, bestaande overtuigingen van de hoorders. Laat hun zien welke ideeën en doelen werkelijk voor hen tellen, op welke dingen zij werkelijk vertrouwen en waarop zij werkelijk hun leven baseren. Benoem ze helder en duidelijk en laat de onvolkomenheid ervan zien. Wanneer een spreker verandering bij zijn hoorders op het oog heeft, moet hij hun reeds bestaande overtuigingen en zekerheden onderkennen. Afhankelijk van het soort publiek, kan dit gebeuren op een intellectuele of juist een heel beeldende manier. Zo moet de ene groep hoorders er bijvoorbeeld op worden gewezen dat zij blijkbaar geloven dat de mens in wezen goed is. Een ander publiek zal moeten gaan inzien dat zij vertrouwen op hun eigen wijsheid en vermogen om beslissingen voor zichzelf te nemen. Verschillende soorten argumenten zullen nodig zijn om elke bestaande zekerheid weg te nemen. Christenen, zowel als niet-christenen, kunnen pas ‘groeien’ wanneer je hun herhaaldelijk aantoont dat hun werkelijke basis niet het Evangelie is van Christus’ volbrachte werk, maar hun eigen gerechtigheid door werken.
2. Breng je hoorders uit hun evenwicht door te laten zien dat hun zekerheden en overtuigingen hen niet werkelijk kunnen dragen of niet overeenkomen met hun eigen principes. De diepste manier om belangstelling te wekken voor het Evangelie is te laten zien dat er spanning bestaat tussen de ‘juiste’ dingen waarvan zij geloven dat ze waar zijn en hun ontkenning van het bestaan van de bijbelse, christelijke God. Zo houden mensen die zeggen niet te geloven in de soevereiniteit van God, zichzelf voor de gek. Want als zij daarin echt niet geloven, dan betekent dat dus dat zij er helemaal alleen voor staan. Alleen zij zijn ervoor verantwoordelijk geen puinhoop van hun leven te maken! Denk eens terug aan wat voor dwaas en onrijp persoon je 10 jaar geleden was; bedenk nu eens hoe je over 15 jaar zult terugkijken op de persoon die je nu bent en waarschijnlijk hetzelfde zult zeggen. Het lijkt er dus op dat je altijd dwaas en onrijp bent. Wij hebben een God nodig die onze levens regeert, maar ons toch keuzevrijheid laat. Als er geen God is, zijn we volledig gedetermineerd door genen, afkomst, evolutie of wat dan ook, of we zijn geheel de baas in ons eigen leven. Beide mogelijkheden zijn onverdraaglijk. Natuurlijk, je kunt je daarvan af maken door elke keer dat je wat doms of verkeerds doet de schuld te geven aan je genen en opvoeding en elke keer dat je wat goeds doet, je eigen keuzevrijheid een schouderklopje te geven. Maar dan wordt het allemaal wel erg doorzichtig nietwaar? Zo valt alles naar jezelf toe. Kun je daar integer mee leven? Nu ben je je bewust van een fundamentele spanning in je levensbeschouwing. Vanaf nu zal het moeilijker zijn te leven zonder te geloven in de soevereine God van de Bijbel, als je ten minste blijft nadenken. Dit bewijst natuurlijk niet dat Hij bestaat, maar het laat je wel hopen dat Hij bestaat.
Een ander aspect in het ‘de-stabiliseren’ van de wereldbeschouwing van mensen is door onverwacht te zijn. Wanneer de verwachtingen van mensen uitkomen en hun stereotypen blijken te kloppen, is het niet waarschijnlijk dat zij bereid zijn tot verandering. Als wij verandering willen, zullen we hun stereotypen en verwachtingen over het christelijk geloof moeten afbreken. Dit is één reden waarom het zo belangrijk is om tegenover postmoderne en seculiere mensen het Evangelie te onderscheiden van ‘religie’.
3. Breng een nieuw evenwicht aan met Christus. Om een nieuw evenwicht tot stand te brengen, moeten we twee dingen doen: (a) een nieuw zicht op God geven (een bijbels zicht!), dat overeenkomt met de zaken die zij als waar beschouwen en dat daaraan evenwicht en een beter fundament geeft; (b) voorzien wat deze verandering naar een nieuwe wereldbeschouwing zal kosten en nieuwe ‘beloningen’ van Christus in het vooruitzicht stellen, die de kosten van verandering goed maken.
 
Christelijk preken is niet slechts de-stabiliseren op het intellectuele vlak, maar ook op het emotionele vlak. Als je aan niet-gelovige sociale activisten laat zien dat hun twijfel over het bestaan van God de basis wegslaat onder hun morele woede over onrecht, roep je hen ook weg uit een zeer comfortabele situatie. Zij hebben andere niet-gelovige vrienden die hen voor gek zullen verklaren wanneer zij ‘religieus’ worden. Zo hebben zij bijvoorbeeld een bijna totale vrijheid om zich op seksueel gebied uit te leven. Daarom zul je hun moeten tonen wat de kosten goed maakt. Wanneer je de prijs van de aanbevolen verandering bespreekt, zul je moeten laten zien wat de geweldige beloning is. Zo doet de christelijke prediker in wezen niets anders dan het oude evenwicht verstoren en het vervangen door een nieuw evenwicht.
 
Zie ook het eerste deel van dit tweeluik: ‘Tim Keller: Preken in een postchristelijke cultuur (deel 1), In hoeverre moeten preken hoorder-gericht zijn?’



Dit artikel maakt deel uit van het dossier De missionaire gemeente

Dit artikel is verschenen in CV·Koers januari 2007

Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel



Over CV-KoersAdverterenNieuwsbriefAbonnee wordenContact
© CV·Koers 2010

Inloggen:
e-mailadres:
wachtwoord:
In den beginne
De multiculturele samenleving
Crisis in de economie
Evangelie en gnostiek