forum
"Geen CU meer in het kabinet. Geloof en macht gaan niet samen"
Mee eens
Niet mee eens
Geen mening
Stem
Vorige forums
Tim Keller:

Het cruciale belang van gemeentestichting


Is het nodig om nieuwe gemeenten te stichten, als er al zo veel kerken zijn in Nederland? In een uitvoerig artikel gaat Tim Keller (Redeemer) in op prangende vragen rond gemeentestichting. Het planten van nieuwe kerken is wat hem betreft dé strategie.

Door Tim Keller


Tim Keller: Het cruciale belang van gemeentestichting Het krachtig en voortdurend stichten van nieuwe gemeenten is dè strategie voor (1) de numerieke groei van het Lichaam van Christus in elke stad en (2) de voortdurende vernieuwing en herleving van bestaande kerken in een stad. Niets anders - geen evangelisatiecampagnes, programma’s, parakerkelijke bedieningen, groeiende megakerken, gemeentemodellen of kerkvernieuwingsprocessen - zullen dezelfde samenhangende invloed hebben als stichten van nieuwe gemeenten.
Deze bewering zal voor opgetrokken wenkbrauwen zorgen. De meeste mensen - en zelfs de meeste christenen – zien geen noodzaak voor veel nieuwe kerken. In de discussies rond gemeentestichting worden vaak de volgende tegenargumenten gegeven:
• ,,Wij hebben al veel kerken, die meer dan genoeg ruimte hebben voor alle nieuwe mensen in dit gebied. Laten we die eerst maar eens zien te vullen, voordat we beginnen met het bouwen van nieuwe kerken”.
• ,,Elke kerk in deze gemeenschap was ooit voller dan nu het geval is. Het kerkgaande publiek ‘krimpt in’. Een nieuwe kerk zal alleen maar mensen wegzuigen van kerken die het al moeilijk genoeg hebben en zo iedereen verzwakken”.
• ,,Help eerst de kerken die worstelen. Een nieuwe kerk helpt niet die bestaande kerken die maar net het hoofd boven water kunnen houden. We hebben betere kerken nodig, niet meer kerken”.
• ,,Dit gebied groeit niet qua bevolking. Het stagneert en delen van het land verliezen zelfs inwoners. Er is hier geen behoefte aan nieuwe kerken. In plaats daarvan, moet een aantal bestaande kerken worden gesloten”.
Deze reacties lijken stuk voor stuk tamelijk logisch. Maar ze berusten op een aantal verkeerde aannames. De denkfouten worden duidelijk als we de volgende vraag gaan beantwoorden: ‘Waarom is gemeentestichting van zo’n cruciaal belang?’ Vanwege…
 
A. Een bijbels mandaat
De kern van Jezus’ zendingsbevel was het stichten van gemeenten. Vrijwel alle grote evangelistische opdrachten van het Nieuwe Testament zijn in hun kern opdrachten om gemeenten te stichten, niet alleen maar het delen van het geloof. Het zendingsbevel Matteüs 28: 18-20 is niet alleen een oproep om ‘discipelen te maken’, maar om te ‘dopen’. In Handelingen en overal, is het duidelijk dat dopen inlijving betekent in een aanbiddende gemeenschap, inclusief het afleggen van rekenschap en regels (vgl. Hd. 2:41-47).
De enige manier om er zeker van te zijn dat je echt het aantal christenen in een stad vermeerdert, is door het aantal kerken te vermeerderen. Waarom? Veel traditionele evangelisatie streeft naar een ‘beslissing voor Christus’. Ervaring leert echter dat veel van deze ‘beslissingen’ verdwijnen en nimmer uitmonden in veranderde levens. Waarom? Omdat veel van zulke beslissingen geen werkelijke bekeringen zijn, maar alleen het begin van een reis van het zoeken naar God (andere beslissingen zijn overduidelijk wel het moment van een ‘nieuwe geboorte’, maar dat verschilt van persoon tot persoon). Alleen een persoon die be-evangeliseerd wordt in de context van een doorgaande aanbiddende en ‘herderende’ gemeenschap kan zeker zijn van een uiteindelijke thuiskomst in het levende en reddende geloof. Dit is waarom een leidende missioloog als C. Peter Wagner kan zeggen: ,,Het planten van nieuwe kerken is de meest effectieve evangeliserende methodologie op aarde”. (Ad. 1)
 
De strategie van Paulus was erop ingesteld om gemeenten te stichten. De grootste zendeling in de geschiedenis, Paulus, had een tamelijk eenvoudige, dubbele strategie. In de eerste plaats ging hij naar de grootste stad van een regio (vgl. Hd. 16:9, 12) en in de tweede plaats, stichtte hij gemeenten in iedere stad (vgl. Tit. 1:5 – ‘ouderlingen aanstellen in elke stad’).
Als Paulus dat eenmaal had gedaan, kon hij zeggen dat hij ‘het Evangelie geheel gepredikt had’ in een streek en dat hij daar ‘geen werk’ meer had (vgl. Rm. 15:19, 23). Dit betekent dat Paulus twee veronderstellingen koesterde:
• dat de manier om een land het meest permanent te beïnvloeden was via zijn voornaamste steden.
• dat de manier om een stad het meest permanent te beïnvloeden was via het stichten van gemeenten. Als hij dat eenmaal had bereikt in een stad, ging hij verder. Hij wist dat de rest dat moest gebeuren, zou volgen.
 
B. Praktische wijsheid
1. Nieuwe kerken bereiken het best (a) nieuwe generaties (b) nieuwe inwoners (c) nieuwe mensen
 
Nieuwe generaties
In de eerste plaats zijn jong-volwassenen naar verhouding altijd veel meer te vinden in nieuwere gemeenten. Langgevestigde gemeenten ontwikkelen tradities (zoals het tijdstip van de eredienst, de duur ervan, de mate van emotionaliteit, preekonderwerpen, leiderschapsstijl, emotionele atmosfeer en duizenden andere kleine gewoonten en gebruiken), die de gevoeligheden weerspiegelen van de leiders uit de oudere generaties, die de invloed en het geld hebben om het kerkelijk leven te beheersen. Dit bereikt jongere generaties niet.
 
Nieuwe inwoners
Ten tweede worden nieuwe inwoners vrijwel altijd beter bereikt door nieuwe gemeenten. In oudere gemeenten, kan het wel tien jaar duren voordat je een leider kunt worden of invloed krijgt, maar in een nieuwe kerk bestaat de tendens dat nieuwe instromers gelijke invloed hebben als degenen die al langere tijd in de regio wonen.
 
Nieuwe socio-culturele groepen
Tenslotte, nieuwe socio-culturele groepen in een gemeenschap worden altijd beter bereikt door nieuwe gemeenten. Bijvoorbeeld, als nieuwe witteboorden-forensen gaan wonen in een gebied waar de oudere inwoners boeren waren, is het waarschijnlijk dat een nieuwe kerk meer ontvangend zal zijn ingesteld ten aanzien van de behoeften van de nieuwe inwoners, terwijl de oudere kerken georiënteerd zullen blijven op de oorspronkelijke sociale groep. En nieuwe etnische groepen in een gemeenschap worden het best bereikt door een nieuwe kerk die vanaf het begin bewust multi-etnisch is. Bijvoorbeeld: als een blanke buurt voor 33% allochtoon wordt, zal een nieuwe, opzettelijk bi-raciale kerk veel eerder ‘culturele ruimte’ creëren voor nieuwkomers, dan een oudere kerk in de stad. Tenslotte zullen nieuwe immigrantengroepen (eerste generatie allochtonen) meestal alleen bereikt kunnen worden door kerken die hen in hun eigen taal bedienen.
[Opmerking van Stefan Paas: Vaak kan een nieuwe gemeente voor een nieuwe groep mensen worden geplant binnen een algehele structuur van een bestaande kerk. Het kan een nieuwe zondagse dienst zijn op een ander tijdstip, of een nieuw netwerk of huiskerken die zijn verbonden met een grotere, reeds bestaande gemeente. Niettemin, hoewel het technisch gesproken geen nieuwe onafhankelijke gemeente hoeft te zijn, dient het in de praktijk dezelfde functie].
 
Samengevat: nieuwe gemeenten bereiken nieuwe mensen en nieuwe volken veel sneller en toegespitster dan oudere kerken dat kunnen. Dit betekent natuurlijk dat kerkplanting niet alleen geschikt is voor ‘frontregio’s’ of ‘heidense’ landen, waarvan we willen dat ze christelijk worden. Christelijke landen zullen een krachtig en uitgebreid beleid moeten voeren t.a.v. kerkplanting, eenvoudig om christelijk te blijven!
 
2. Nieuwe kerken bereiken het best de onkerkelijken
Talloze kerkelijke studies hebben bevestigd dat de gemiddelde nieuwe kerk de meeste van zijn nieuwe leden (60-80%) wint onder mensen die niet naar een kerk gingen, terwijl kerken die reeds 10-15 jaar of langer bestonden 80-90% van hun leden winnen door overgang uit andere kerken. (Ad. 2) Dit betekent dat de gemiddelde nieuwe gemeente zes tot acht keer zoveel nieuwe mensen binnen zal brengen in het Lichaam van Christus, dan een oudere gemeente van dezelfde grootte.
 
Dus hoewel gevestigde gemeenten veel dingen kunnen bieden die nieuwere kerken niet kunnen bieden, zullen oudere kerken in het algemeen nooit in staat zijn om dezelfde mate van effectiviteit te halen als nieuwere in het bereiken van mensen voor het Koninkrijk.
Waarom is dat zo? Wanneer een gemeente ouder wordt, leidt een interne institutionele druk ertoe dat zij het grootste deel van haar middelen en energie aanwendt voor de noden van haar leden, en minder voor degenen die buiten haar muren zijn. Dit is natuurlijk, en voor een groot deel zelfs wenselijk. Het geeft oudere gemeenten een stabiliteit en vastheid, die belangrijk is voor veel gemeenteleden. Het betekent ook niet dat oudere kerken helemaal geen nieuwe mensen zouden kunnen winnen. Sterker nog, veel niet-christenen zullen alleen bereikt worden door kerken met diepe wortels in de gemeenschap en met een sfeer van stabiliteit en respectabiliteit.
Echter: nieuwe kerken worden in het algemeen gedwongen om zich te richten op de noden van niet-leden, eenvoudigweg om een begin te maken. Ook teamleden en leiders zullen voor een groot deel zelf afkomstig zijn uit de doelgroep en vaak nog niet zo lang geleden tot geloof zijn gekomen. Daardoor zal de gemeente veel gevoeliger zijn ten aanzien van niet-gelovigen.
Ook hebben wij in de eerste twee jaar van ons christenleven veel nabijere relaties met niet-christenen dan wij dat later nog hebben. Zodoende zal een gemeente die gevuld is met nieuwe christenen de kracht hebben om veel meer niet-gelovigen uit te nodigen en aan te trekken in het dagelijks leven van de kerk, dan de leden van de gemiddelde oudere kerk.
Wat betekent dit in de praktijk? Als wij onze stad willen bereiken, moeten we dan proberen oudere gemeenten te vernieuwen om ze meer evangeliserend te maken? Of zouden we veel nieuwe kerken moeten planten? Maar die vraag is natuurlijk een valse of-of-tegenstelling. We moeten allebei doen! Niettemin, alles wat we hebben gezegd, toont aan dat – hoewel er af en toe uitzonderingen zijn – het stichten van nieuwe gemeenten de enige doeltreffende manier is om op grote schaal nieuwe christenen toe te voegen aan het Lichaam van Christus.
 
Een schets
Stel je voor dat stad A en stad B en stad C dezelfde grootte hebben en dat zij elk 100 kerken hebben van elk 100 mensen. We laten er vervolgens de statistische gegevens uit diverse onderzoeken op los. Dan zien we het volgende gebeuren:
• In stad A zijn de kerken ouder dan 15 jaar en dat betekent dat het totale aantal actieve christelijke kerkgangers in die stad zal krimpen, zelfs als vier of vijf kerken bijzonder populair worden en verdubbelen qua kerkbezoek.
• In stad B zijn vijf van de kerken minder dan 15 jaar oud en zij winnen, samen met enkele oudere gemeenten, nieuwe mensen voor Christus. Maar per saldo vangt dit alleen de normale teruggang op van de oudere kerken. Zodoende zal het totale aantal actieve kerkgaande christenen in deze stad gelijk blijven.
• In stad C zijn 30 kerken minder dan 15 jaar oud. In deze stad is het totale aantal actieve christelijke kerkgangers op weg om met 50% te groeien binnen één generatie. (Ad. 3)
 
3. Nieuwe kerken zijn één van de beste manieren om creatieve, sterke leiders te vinden
In oudere gemeenten benadrukken de leiders traditie, onderhoud, routine en familiebanden. Nieuwe gemeenten, aan de andere kant, trekken een hoger percentage aan van avontuurlijke mensen, die waarde hechten aan creativiteit, risico, vernieuwing en oriëntatie op de toekomst. Veel van deze mannen en vrouwen zouden nooit worden aangetrokken door kerkelijk werk binnen bestaande structuren en stijlen. Doorgaans zetten oudere kerken veel mensen met sterke leiderschapskwaliteiten buitenspel, omdat zij niet kunnen werken in een meer traditionele setting.
Nieuwe kerken trekken zodoende veel mensen in de stad en rusten hen toe, wier gaven anders niet zouden worden gebruikt in het Lichaam van Christus.
 
C. Lessen uit de geschiedenis
Als dit alles waar is, zou er in de kerkgeschiedenis heel wat bewijsmateriaal moeten zijn voor deze principes. Dat is er ook.
Neem de Amerikaanse kerkgeschiedenis. In 1820 was er één christelijke kerk op elke 875 inwoners van de Verenigde Staten. Maar tussen 1860 en 1906 stichtten de protestantse kerken bij elke bevolkingstoename van 350 mensen één nieuwe kerk. Daardoor was er rond 1906 één kerk op elke 430 mensen. In 1906 was meer dan een derde van alle gemeenten in het land minder dan 25 jaar oud.(Ad. 4) Het resultaat was dat het percentage van de bevolking dat betrokken was bij het kerkelijk leven gestaag steeg. In 1776 was 17% van de Amerikaanse bevolking van de USA ‘aanhangers van de christelijke religie’, maar dat aantal steeg tot 53% in 1916. (Ad. 5)
Maar na de Eerste Wereldoorlog - en vooral onder de grote protestantse kerken - zakte het stichten van nieuwe gemeenten in. Een van de voornaamste reden was de kwestie van ‘territorium’: toen er eenmaal in alle steden en dorpen een kerk was neergezet, groeide het verzet vanuit die gevestigde kerken tegen het stichten van nieuwe gemeenten ‘in onze buurt’. De overgrote meerderheid van de Amerikaanse kerken groeien het meest in de eerste twintig of dertig jaar van hun bestaan en daarna stagneert de groei of krimpen ze in ledental. (Ad. 6) De grotere kerkverbanden – met hun gecentraliseerde structuur – bleken zo het meest effectief in het verhinderen van kerkelijke groei in hun steden. Ze verzuimden nieuwe gemeenten te stichten en als gevolg daarvan stagneerde niet alleen de groei, maar krompen ze zelfs sterk in de afgelopen decennia. (Ad. 7)
Wat zijn de lessen van de geschiedenis? De gevestigde kerken krimpen. Deze ontwikkeling kan alleen worden omgekeerd op dezelfde manier waarop ze aanvankelijk zo sterk groeiden: gemeentestichting.
Wij moeten nieuwe kerken planten, zodat het aantal kerken per 1000 inwoners weer begint te stijgen, in plaats van te zakken.
 
D. Kerkvernieuwing
Vreemd genoeg blijkt het stichten van nieuwe gemeenten vaak een van de beste manieren te zijn om ook de oudere kerken in de buurt te revitaliseren. Waarom is dat?
 
1. In de eerste plaats brengen nieuwe kerken nieuwe ideeën in. Er is veel weerstand tegen het idee dat we nieuwe kerken zouden moeten stichten om de constante stroom van ‘nieuwe’ groepen en generaties en inwoners te bereiken. Veel gemeenten staan erop dat alle beschikbare middelen worden aangewend om bestaande kerken te helpen hen te bereiken. Maar de beste manier om oudere kerken te leren hoe nieuwe vaardigheden en methoden ingezet kunnen worden om nieuwe groepen te bereiken, is het stichten van nieuwe gemeenten, die de vrijheid zullen hebben om echt vernieuwend te zijn. Deze gemeentestichtingen wordt zo de ‘research & development-afdeling’ van het de gemeente van Christus in de hele stad. Doorgaans zijn de oudere kerken veel minder in staat om te experimenteren. Maar als bepaalde dingen blijken te werken in de nieuwe gemeente, zullen de oudere gemeenten moed vatten om die over te nemen in hun eigen context.
 
2. In de tweede plaats dagen nieuwe kerken andere kerken uit tot zelfonderzoek. Het ‘succes’ van nieuwe kerken daagt oudere gemeenten over het algemeen uit om zichzelf diepgaand te evalueren. Soms is het alleen in contrast met een nieuwe kerk, dat oudere kerken uiteindelijk hun eigen visie kunnen formuleren, hun specialiteiten en hun identiteit. Vaak geeft de groei van een nieuwe gemeente de oudere kerken hoop dat ‘het hier ook gebeuren kan’ en misschien brengt het zelfs nederigheid en berouw teweeg voor een wantrouwende en pessimistische houding. Soms kunnen nieuwe kerken samenwerken met oudere kerken om dingen uit te voeren die zij geen van beiden afzonderlijk kunnen doen.
 
3. In de derde plaats kan de nieuwe kerk een ‘evangelisatiebron’ zijn voor een hele gemeenschap. De nieuwe kerk brengt vaak veel nieuwe bekeerlingen voort, die uiteindelijk om verschillende redenen terecht komen in oudere kerken. Soms is de nieuwe kerk bijzonder dynamisch en naar buiten gericht, maar tegelijk onevenwichtig en onrijp in haar leiderschap. Zodoende kunnen sommige bekeerlingen de tumultueuze veranderingen die regelmatig door de gemeente waaien, niet verdragen en zij gaan over naar een oudere kerk. Soms bereikt een nieuwe kerk iemand voor Christus, maar de nieuwe bekeerling ontdekt spoedig dat hij of zij niet ‘past’ in de sociaal-economische samenstelling van de nieuwe gemeente en hij verhuist naar een gevestigde gemeente, waar de gebruiken en gewoonten meer vertrouwd aanvoelen. Gewoonlijk brengen de nieuwe kerken in een stad niet alleen voor zichzelf nieuwe mensen voort, maar ook voor de oudere gemeenten.
 
Samengevat: het krachtige planten van kerken is een van de beste manieren om bestaande kerken in een stad te vernieuwen, evenals de beste manier om het hele Lichaam van Christus in een stad te laten groeien.
 
Koninkrijksgezindheid
Alles bij elkaar helpt gemeentestichting een bestaande kerk het best, wanneer de nieuwe gemeente vrijwillig wordt ‘gebaard’ door een oudere ‘moeder’-gemeente. Vaak is ook de moedergemeente gebaat bij de dynamiek, het nieuwe leiderschap, de nieuwe benaderingen en de nieuwe leden van de dochtergemeente. Ook de moederkerk wordt erdoor versterkt en vernieuwd.
Hoewel het enigszins pijn doet om goede vrienden en enkele leiders te zien vertrekken uit de gevestigde kerk om een nieuwe kerk te vormen, ervaart de moederkerk doorgaans een verhoogde zelfwaardering en een instroom van nieuwe enthousiaste leiders en leden.
Echter, een nieuwe kerk in de gemeenschap confronteert gewoonlijk andere kerken met een zeer belangrijke zaak: de kwestie van ‘koninkrijksgezindheid’. Als het goed is trekken nieuwe kerken vooral buitenkerkelijken, maar altijd zullen ze ook mensen aantrekken uit de bestaande kerken. Dat stelt de bestaande kerken voor de volgende gewetensvraag: ‘Gaan wij ons verheugen in de nieuwe mensen die het Koninkrijk erbij heeft gekregen door deze nieuwe kerk, of gaan wij ons beklagen en treuren om de drie gezinnen die wij aan haar hebben verloren?’ Met andere woorden: onze houding n.a.v. nieuwe kerkontwikkeling is een test of onze instelling is afgestemd op ons eigen institutionele territorium of op de totale gezondheid en het welvaren van het Koninkrijk van God in de stad. Elke kerk die meer bezorgd is om haar kleine verliezen dan om de grote winst voor het Koninkrijk, verraadt daarmee haar beperkte belangstelling.
 
Samenvatting
Als wij kort de tegenwerpingen tegen gemeentestichting in de inleiding doornemen, kunnen we nu de verkeerde premissen zien onder deze stellingen.
• De eerste stelling veronderstelt dat oudere gemeenten nieuwkomers even goed kunnen bereiken als nieuwe gemeenten. Maar om nieuwe generaties en groepen mensen te bereiken, zullen er zowel vernieuwde oudere kerken nodig zijn als vele nieuwe kerken.
• De tweede stelling veronderstelt dat nieuwe gemeenten alleen mensen bereiken die nu ook al naar een kerk gaan. Maar nieuwe kerken zijn veel beter in staat om onkerkelijken te bereiken en zodoende zijn zij de enige manier om het totale aantal kerkgangers te verhogen.
• De derde stelling veronderstelt dat het stichten van nieuwe kerken alleen oudere kerken zal ontmoedigen. Daar kan iets inzitten, maar nieuwe kerken zijn om tal van redenen een van de beste manieren om oudere kerken te vernieuwen en te bezielen.
• De vierde stelling veronderstelt dat nieuwe kerken alleen werken waar de bevolking toeneemt. In werkelijkheid bereiken zij mensen waar de bevolking verandert. Als nieuwe mensen binnenkomen om voormalige bewoners te vervangen, of als nieuwe groepen mensen binnenkomen – zelfs wanneer het netto aantal inwoners gelijk blijft – zijn nieuwe kerken nodig.
 
Het planten van nieuwe kerken is de enige manier waarop we er zeker van kunnen zijn dat het aantal gelovigen in een stad toeneemt en het is een van de beste manieren om het hele Lichaam van Christus te vernieuwen. Het bewijsmateriaal voor deze stelling is sterk: bijbels, sociologisch, de geschiedenis. Uiteindelijk kan een gebrek aan koninkrijksgezindheid ons blind maken voor al dit bewijsmateriaal. Daarvoor moeten we oppassen.
 
Vertaling en bewerking: Stefan Paas en Ronald Westerbeek.

Dit artikel is alleen in de interneditie van CV•Koers verschenen.


Noten

(Ad. 1) C. Peter Wagner, Strategies for Growth, Glendale: Regal 1987, 168.
(Ad. 2) Lyle Schaller, aangehaald in D. McGavran, G. Hunter, Church Growth: Strategies That Work, Nashville: Abingdon 1980, 100. Zie C. Kirk Hadaway, New Churches and Church Growth in the Southern Baptist Convention, Nashville: Broadman 1987.
(Ad. 3) Zie Lyle Schaller, 44 Questions for Church Planters, Nashville 1991, 12. Schaller heeft het over “De 1%-Regel”. Elk jaar zou een kerkgenootschap een aantal nieuwe kerken moeten planten, dat gelijk staat aan ca. 1% van haar totale aantal kerken (voor de CGK is dat 2 kerken per jaar – SP). Zo niet, dan zal dit genootschap teruggaan in ledental. Dat is alleen nog maar ‘onderhoud’. Als een genootschap wil groeien met ca. 50%, dan zal het aantal plantingen ca. 2-3% van het totale aantal moeten bedragen (voor de CGK is dat 4-6 kerken per jaar – SP).
(Ad. 4) Ibid., 14-26.
(Ad. 5) Roger Fink, Rodney Stark, The Churching of America 1776-1990, New Brunswick 1992, 16.
(Ad. 6) Schaller, 44 Questions, 23..
(Ad. 7) Zie Schaller’s redenering dat een gebrek aan kerkplanting een voorname reden is voor de neergang van de grote protestantse kerken. Ibid., 24-26. Finke en Stark laten zien hoe vrije kerken, zoals de Baptisten, die de vrijheid hadden om kerken te planten, zonder bemoeienis, hun aantallen hebben vermeerderd. Churching, 248



Dit artikel maakt deel uit van het dossier Kerk en postchristendom

Dit artikel is verschenen in CV·Koers oktober 2007

Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel



Over CV-KoersAdverterenNieuwsbriefAbonnee wordenContact
© CV·Koers 2010

Inloggen:
e-mailadres:
wachtwoord:
In den beginne
De multiculturele samenleving
Crisis in de economie
Evangelie en gnostiek