Hoe kunnen preken levens veranderen?
Wat verandert er eigenlijk als je naar de kerk gaat? Vaak helemaal niets, terwijl het juist de bedoeling is dat mensen veranderen. Een pleidooi voor indringende prediking.
Door Ronald Westerbeek
,,Ik ben er blij mee dat de preken in onze kerk steeds vaker gaan over het nieuwe leven dat we in Christus mogen hebben’’, zegt Annemieke (34). ,,Maar wat ik zo moeilijk vind, is dat het eigenlijk altijd een verhaal blijft over ‘hoe het zou moeten zijn’. Hoe je daar dankzij Christus kunt komen, dat hoor ik nooit in onze kerk. Daarom ga ik elke zondag met een loodzwaar hart naar de kerk en kom ik er nooit echt opgebouwd vandaan. Ik leer er wel dingen over God, maar dat verandert mij niet. Vernieuwing is in onze kerk iets wat ‘eigenlijk zou moeten’, het is niet iets ‘wat gebeurt’.’’
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Preken met kracht
Dit artikel is verschenen in CV·Koers juni 2006
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
Preken met kracht
Wat verandert er eigenlijk als je naar de kerk gaat? Vaak helemaal niets, terwijl het juist de bedoeling is dat mensen veranderen. Een pleidooi voor indringende prediking.
Door Ronald Westerbeek
,,Ik ben er blij mee dat de preken in onze kerk steeds vaker gaan over het nieuwe leven dat we in Christus mogen hebben’’, zegt Annemieke (34). ,,Maar wat ik zo moeilijk vind, is dat het eigenlijk altijd een verhaal blijft over ‘hoe het zou moeten zijn’. Hoe je daar dankzij Christus kunt komen, dat hoor ik nooit in onze kerk. Daarom ga ik elke zondag met een loodzwaar hart naar de kerk en kom ik er nooit echt opgebouwd vandaan. Ik leer er wel dingen over God, maar dat verandert mij niet. Vernieuwing is in onze kerk iets wat ‘eigenlijk zou moeten’, het is niet iets ‘wat gebeurt’.’’Menig predikant is vertwijfeld over de werking van zijn preken, terwijl hij best regelmatig hoort dat men ‘veel geleerd heeft vanmorgen’, zoals dr. Bert de Leede, rector van het theologisch seminarie Hydepark, ooit eerlijk schreef (Wapenveld, oktober 2000). ,,Misschien ben ik juist daarom wel onzeker. Het gaat er immers vooral om dat preken de hoorder iets doen, zodat mensen erdoor veranderen in hun denken, gevoelen en handelen.’’
Het zal herkenbaar zijn voor veel predikanten én hoorders, niet alleen in reformatorische en gereformeerde kerken, maar ook in evangelische gemeenten. ,,Wij kennen tegenwoordig in de gemeente een verschijnsel dat ik ‘het eeuwige zuigelingschap van de gelovige’ noem’’, schrijft de Argentijnse emeritus-predikant Juan Carlos Ortiz in zijn boek Leven met Jezus van dag tot dag, dat halverwege deze maand in een herziene Nederlandse vertaling verschijnt. ,,Er zijn leden in onze gemeenten die, hoewel ze al jaren de boodschap hebben gehoord, nog steeds onveranderde mensen zijn (…) Vaak merken we die situatie wel op, maar we weten niet wat we eraan moeten doen. Wij zeggen tegen onze mensen: ‘U moet vrucht dragen voor Jezus. U moet meer van Gods goedheid ervaren. U moet meer liefde hebben, meer vrede.’ Maar bij zuigelingen kun je zulke eigenschappen niet verwachten. Die tref je alleen aan bij volwassenen.’’
,,Dit was ook Paulus’ klacht, toen hij een gebrek aan geestelijke groei opmerkte in de gemeente van Korinte. ‘Jullie zijn nog steeds zuigelingen’, zei hij. Aan de Galaten schreef hij dat hij voor hen opnieuw de weeën van een geboorte moest meemaken. En de mensen aan wie de Hebreeënbrief is gericht, behoorden al leermeesters te zijn, maar ze hadden nog steeds behoefte aan onderwijs in de principes van het christelijk geloof. Zij konden alleen maar melk verdragen en geen vast voedsel.’’
Paulus zegt opmerkelijke dingen over de rol van de prediking hierin. In 1 Korintiërs 1:17 schrijft hij: ,,Christus heeft mij gezonden om het Evangelie te verkondigen, en dat niet met wijsheid van woorden, om niet het kruis van Christus van zijn kracht te beroven’’. De NBG-vertaling zegt: ,,…om niet het kruis van Christus tot een holle klank te maken’’.
,,Holle klanken, dat is eigenlijk precies zoals ik de preken vaak ervaar’’, zegt Annemieke. ,,Heus, het zijn aansprekende woorden over het leven in Christus, maar ik hoor nooit hoe die ‘kracht van het kruis’ dan concreet kan gaan werken in mijn leven.’’ De preek gaat dan misschien niet over de hoofden heen, maar wel over de harten.
1. De radicaliteit van genade
1. De radicaliteit van genade
Onveranderd de kerk uitkomen, dat is een van de ergste dingen die bestaan, vindt dr. Martyn Lloyd-Jones (1899-1981). De preek moet zelfs zo’n verandering uitwerken dat wie luistert daarna niet meer dezelfde is, aldus Lloyd-Jones in zijn boek Prediking en predikers. Dat die verandering in de meeste kerken uitblijft, kon volgens puriteinen als Lloyd-Jones wel eens vooral te maken hebben met preken die (onbedoeld) afdoen aan de radicaliteit van het Evangelie van genade.
Er zijn kerken waar een eenzijdige nadruk ligt op de zondigheid van de mensen tegenover God en waar maar weinig gesproken wordt over Gods rijke genade. Er zijn ook gemeenten waar een eenzijdige nadruk ligt op de blijdschap van het geloof en nauwelijks gesproken wordt over zonde. En ook zijn er kerken die in het ‘gulden midden’ lijken te zitten: zowel zonde als genade worden gepreekt. Het risico is dan een lauw compromis: een béétje zonde en een béétje genade. De kracht van puriteinen als Lloyd-Jones is dat ze benadrukken dat het Evangelie van Christus een boodschap van uitersten is: we staan schuldiger tegenover de heilige God dan we ooit kunnen peilen én we zijn geliefder door God dan we ooit zouden durven dromen. Wanneer je een van de beide delen van deze dubbele boodschap er uitlicht ten koste van het andere deel, ben je het Evangelie kwijt. Maar als je de spanning van deze dubbele boodschap laat staan en gelooft, zal het je van binnen uit veranderen.
Wat er zomaar insluipt, is het ‘cao-geloof’: eigenlijk ga je toch denken dat je zelf je best moet doen om door God geaccepteerd te worden, en andersom: dat God het toch wel aan je verplicht is je te belonen om je geloofsinspanningen. Heiliging wordt werkheiliging: je gaat je best doen om ‘beter te leven’ uit plichtsgevoel of misschien zelfs wel angst voor God. Zulk ‘religieus’ denken staat haaks op het Evangelie van genade, benadrukt Tim Keller (Redeemer Presbyterian Church) telkens opnieuw in zijn preken. Genade is: Gods liefde hangt niet van jou af, Hij gaf immers zijn Zoon voor jou toen je nog zijn vijand was. Als je niets afdoet van je zonde en niets afdoet van Gods onvoorwaardelijke liefde voor jou, kom je onder de indruk van de overweldigende grootheid van Gods genade. Dan verlang je niet meer naar heiliging uit plichtsgevoel, maar uit liefde voor Christus. Zoals Paulus zegt: ,,Want we zijn gegrepen door de liefde van Christus (…) om nu voortaan voor Hem te leven’’.
Het Evangelie is in nog een ander opzicht radicaler dan we vaak denken: in Christus ontvingen we niet alleen vergeving van zonden, maar ook een nieuwe identiteit: we zijn geen verloren zondaar meer, maar kind van God (1 Johannes 3:1), vriend van Jezus (Johannes 15:15) en tempel van de heilige Geest (1 Korintiërs 3:16), kortom: een nieuwe schepping (2 Korintiërs 5:17). We mogen leven vanuit die nieuwe identiteit. En dus hoef je de zonde niet meer te laten heersen als koning in je leven. Dat zegt ook Paulus als hij je oproept je reeds door Christus verdiende behoud verder uit te werken en je al in Christus opgestane nieuwe mens aan te doen.
Abstracte begrippen
,,Ik hoor onze dominee wel in deze termen preken over genade, maar hij maakt het nooit echt concreet’’, zegt Bart (41). ,,Het is daardoor ook steeds net iets minder radicaal, net een beetje afgezwakt. Dat we in Christus daadwerkelijk nieuwe mensen zijn en dat de Geest ons van binnenuit wil veranderen, dat verdwijnt achter een waas van voorbehouden: ‘We leven toch ook in een gebroken werkelijkheid’. Volgens mij mist hij daardoor nu net de crux van de genade in Christus.’’ ,,Dat herken ik’’, vertelt Martijn (37). ,,Onze voorganger preekt er ook wel over, maar het blijft abstract.’’
De prediking gaat vaak wel over relevante onderwerpen zoals heiliging of onderlinge liefde, signaleren Lloyd-Jones en andere puriteinen, maar als de radicaliteit van het Evangelie wordt afgezwakt is het beroofd van zijn kracht. Daardoor worden het holle klanken, abstracte begrippen. Het raakt niet meer aan wat er echt leeft in ons hart.
,,Een van de belangrijkste oorzaken waarom wij in de gemeente zo weinig groei zien, is dat wij ons concentreren op begrippen in plaats van op het léven’’, denkt ook Ortiz. Hij noemt het voorbeeld van een predikant die een preek maakt over de blijdschap van het geloof. Hij gaat naar zijn studeerkamer, slaat de concordantie er op na, kijkt wat de Griekse en Hebreeuwse woorden voor ‘blijdschap’ zijn, slaat er enkele grote theologen op na – en dan heeft hij zijn studie al bijna klaar. De gemeente is onder de indruk van de diepe betekenissen van de grondtekst en de dwarsverbanden in Oude en Nieuwe Testament en heeft veel geleerd. ,,Maar niemand hééft die vreugde! Ze kennen nu wel het begrip vreugde, maar het léven van vreugde kennen ze niet. Wat hebt u? Het begrip? Of Degene die het leven is?’’
2. De aanwezigheid van Christus
Menige preek blijft steken op het niveau van een beschouwing over het Evangelie, signaleert Lloyd-Jones. Het is leerzaam onderwijs, maar geen prediking. Er wordt gesproken over het Evangelie, maar het Evangelie wordt niet bediend. Bij prediking is de voorganger geen onderwijzer, maar kanaal waardoor God spreekt. Prediking is: de Logos – dat is Christus – present stellen. Het gaat niet óver Hem – Hij ís er, Hij wérkt en Hij spreekt.
Het is verdrietig, schrijft Ortiz, maar de kerk is telkens opnieuw bezweken voor de verleiding om het Evangelie te reduceren tot een religie. Kenmerkend voor een religie is dat er een stichter was – Mohammed, Boeddha, Confucius, Zoroaster – wiens leringen werden opgetekend in een boek. Toen de stichter stierf, liet hij het boek na, en zijn volgelingen proberen te doen wat erin staat. ,,Ons christendom heeft óók een stichter, Jezus Christus, die lang geleden is gestorven. Wat Hij onderwees, kwam in de Bijbel te staan (…) We doen vaak alsof onze ‘stichter’ net zo dood is als de stichters van andere godsdiensten (..) Het grote verschil tussen ons en de aanhangers van andere godsdiensten is dat onze ‘grondlegger’ nog leeft en het hoofd van de kerk is. Het probleem is alleen dat we Hem niet veel laten doen. Ook al wéten we dat Hij het hoofd van de kerk is, de realiteit is dat Hij weinig te zeggen heeft, omdat alles geregeld wordt door onze commissies.
De kerk weet niet wat er moet gebeuren wanneer de Geest Zich roert. ‘Wat is dit toch?’, vragen wij ons af. ‘We moeten wel voorzichtig zijn, hoor.’ Er is paniek en er zijn problemen. Er komt verdeeldheid. Waarom? Omdat de structuren van de kerk maar al te vaak een belemmering vormen voor de levende Christus.’’
In preken gaat het over de bijbelse verhalen, over wat Jezus tweeduizend jaar geleden deed toen Hij op aarde rondliep en soms ook over de mogelijk nog verre toekomst, als Jezus weer terugkomt op aarde – maar zelden over wat Jezus nú doet. ,,Alsof Jezus, sinds Hij stierf, niets meer heeft gedaan! Ik denk dat Hij Zich soms knap verveelt als Hij naar onze preken luistert. Ze doen denken aan begrafenissen, want op begrafenissen hebben we het ook over wat de overledene heeft gedaan toen hij nog leefde.’’
Christus woont in ons
We mogen ons richten op een Persoon die in ons midden woont. ,, Jezus heeft ons niet achtergelaten met een boek en de woorden: ‘Hier heb je de Bijbel. Probeer erachter te komen wat erin staat, maar gebruik wel concordanties en commentaren. Het beste ermee!’ Nee, dat heeft Hij niet gezegd. ‘Zie, waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden’ (Matteüs 18:20). Hij heeft ons niet als wezen achtergelaten. Hijzelf is in ons. Paulus bad dat de kinderen van God zouden weten dat Christus door het geloof in hun hart leefde en dat de ‘inwendige mens’ door de Heilige Geest gesterkt mocht worden (…) We hoeven niet te proberen in eigen kracht na te volgen wat de Bijbel over zijn manier van leven zegt.’’
Als het gaat om geloofsgroei en vrucht dragen, zal een predikant doorgaans niet nalaten te zeggen dat we dit alles uiteraard ‘niet in eigen kracht’ kunnen, ‘maar door de kracht van Gods Geest’ of ‘de kracht van Christus’. Maar als dit abstracte termen blijven, helpt dat de gemeente niet verder. ,,Dat gevoel heb ik vaak’’, erkent Martijn. ,,Ik wéét dat ik het niet op eigen kracht hoef te proberen. Maar als ik niet concreet hoor hoe Christus het in mij wil werken, zit er toch niks anders op dan het toch maar op eigen kracht te proberen – wat natuurlijk niet echt gaat lukken.’’
Hoe concreet wordt dit in preken? Vertrouwen we erop dat Christus daadwerkelijk in ons midden is en concreet wil werken in ons leven? Als we leven uit het volbrachte werk van Christus, mogen we ook het leven in de kracht van zijn Geest ontdekken. Christus wil ons immers vervullen met zijn Geest en innerlijke vreugde, vrede en heiliging bewerken. Wat ons aandeel daarin is? Dat we geloven dat Christus dit wil doen, dat we de Geest toestaan dit te doen en dat we de discipline opbrengen om de middelen – gebed, bijbellezen, groeigroepen, pastoraat, kerkdiensten – gebruiken die God geeft. Dat betekent dus: je zelfbeschikking opgeven en je toevertrouwen aan God - Christus Heer laten zijn over alle terreinen van je leven en alle kamers van je hart. Hij ís er en Hij werkt.
3. Het spreken van God
,,Natuurlijk weet ik dat wel’’, zegt Simon (42), predikant. ,,Preken is: spreken namens God. Tegelijk schrik ik ervan. Zijn dat niet veel te grote woorden? Ik kom toch zelf helemaal mee in de preken die ik maak? Durf ik te zeggen dat ik een ‘kanaal’ ben ‘waardoor God spreekt’? Stelt dat ook niet te grote eisen aan mijn eigen geloofsleven? Hoe werkt dat concreet in mijn preekvoorbereiding?’’
Dr. Jos Douma schreef in zijn dissertatie Veni Creator Spiritus – De meditatie en het preekproces (2000): ,,De predikant is als getuige geroepen om vanuit een existentiële betrokkenheid - die uitkomt in het kennen van God, het navolgen van Christus en het wandelen door de Geest - het Woord van God zo te spreken dat het een levenwekkend Woord is, een Woord dat verandering teweegbrengt. Natuurlijk is de Geest van God niet afhankelijk van de spiritualiteit van de predikant als getuige. Maar het is evenzeer waar dat een gebrek aan spiritualiteit bij de predikant de levende verkondiging in de weg staat.’’ De prediker komt in de prediking méé. Als bijbelse begrippen als vergeving, heiliging en vernieuwing in zijn persoonlijke leven abstract zijn gebleven, als hij die niet uit ervaring ként, zullen zijn preken ook abstract blijven. De crux zit hier wellicht in de verhouding Woord en Geest. De misvatting kan postvatten dat elke preek automatisch ‘woord van God’ is wanneer het maar bijbelpreek is. Omgekeerd is natuurlijk waar dat de Geest in het Woord Christus presenteert. Zoals Calvijn zegt: het Woord is het gewaad waarin Christus zelf tot je komt. Maak dat dan ook voelbaar. En stel je als prediker bewust open voor hoe de Geest dit wil doen: Christus tegenwoordig stellen, Hem in hoogsteigen Persoon aanwezig laten zijn.
Douma haalt daarbij Maarten Luther aan, die de prediker typeerde met de volgende drieslag: oratio, meditatio, tentatio (gebed, meditatie, aanvechting). De biddende omgang met God is intens belangrijk. De predikant is geroepen om in de gemeenschap met Christus te luisteren naar het Woord dat de Geest tot de gemeente, en dus ook tot hem, spreekt. Dat is de essentie van de meditatie: dat de predikant zelf wordt aangeraakt en aangesproken door het Woord van Christus dat hij in de verkondiging door mag geven aan de gemeente. ,,Deze meditatie wordt door de genade van de Geest de bron voor een verkondiging die harten raakt en in vuur en vlam zet voor de levende Heer’’, schrijft Douma.
Lloyd-Jones sluit hier nauw op aan als hij praktische aanwijzingen voor predikanten geeft. Bij de voorbereiding van je preken is bidden van vitaal belang, benadrukt hij. Stel zo’n gebed niet uit tot je er tijd voor hebt, beschouw het niet als een oponthoud. Neem er de tijd voor, want bidden is geen verloren tijd. Een prediker moet een man van gebed zijn.
Essentieel in de preekvoorbereiding is ook de ‘zalving van de Heilige Geest’, aldus Lloyd-Jones, waarin God kracht geeft en de prediker in staat stelt zijn werk te doen op een manier die uitgaat boven de inspanningen en pogingen van mensen. Je kunt de kennis hebben en goed voorbereid zijn, maar alleen door de kracht van de Geest zal je prediking werkelijk profetie zijn.
Aangesproken door God
,,Onze verkondiging aan u overtuigde niet alleen door onze woorden’’, schrijft Paulus aan de Thessalonicenzen, ,,maar ook door de overweldigende kracht van de Heilige Geest.’’ Als die kracht werkt in de prediking, zal het geen ‘holle klank’ zijn. Het bevestigingsformulier spoort gemeenteleden aan om hun predikant dan ook als dienaar van Christus te aanvaarden: ,,Denkt eraan, dat God zelf u door hem aanspreekt’’.
Als de gemeente dan door God is aangesproken, zou het dan niet mooi zijn om na de preek ook ruimte te geven aan gemeenteleden om dit op hun te laten inwerken en misschien te antwoorden, voordat we overgaan tot de collecte en het koffiedrinken? Denk aan een moment van stilte, ruimte voor stil gebed of ook persoonlijke voorbede, aansluitend aan de preek. Denk ook aan een vervolg later in de week: goede nazorg met gebedspastoraat (bijvoorbeeld een gebedsdienst op de zondagavond), gespreksmateriaal voor verwerking in groeigroepen, en handreikingen voor persoonlijke bijbelstudie en gebed thuis.
Als we geloven dat Christus aanwezig is en door zijn Geest in ons hart wil werken, dan mag de prediking een concreet vervolg krijgen – in de verwachting dat het Evangelie bediend mag worden, tot vernieuwing van levens, tot eer van God de Vader.
Annemieke, Bart, Martijn en Simon zijn gefingeerde namen.
Kijk ook op:
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Preken met kracht
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
