James Smith over postmodernisme, wereldgelijkvormigheid en de roeping van de kerk
Filosoof James K.A. Smith vindt dat de kerk goed moet luisteren naar de postmoderne kritiek. Niet om postmodern te worden, maar juist om te ontdekken dat christenen zich laten inpakken door de seculiere cultuur.
Door Robert Doornenbal
In uw boek ‘Who’s afraid of postmodernism?’ suggereert u dat christenen kunnen leren van postmoderne denkers. In Nederland zien veel christenen het postmodernisme juist als een gevaar.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Kerk en postchristendom
Dit artikel is verschenen in CV·Koers september 2008
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
Postmoderne kritiek is heilzaam
Filosoof James K.A. Smith vindt dat de kerk goed moet luisteren naar de postmoderne kritiek. Niet om postmodern te worden, maar juist om te ontdekken dat christenen zich laten inpakken door de seculiere cultuur.
Door Robert Doornenbal
In uw boek ‘Who’s afraid of postmodernism?’ suggereert u dat christenen kunnen leren van postmoderne denkers. In Nederland zien veel christenen het postmodernisme juist als een gevaar.,,Voor een goed begrip van mijn benadering is het nodig te onderscheiden tussen postmodernisme en postmoderniteit. Postmoderniteit staat voor de huidige cultuur, die wordt gekenmerkt door snelle veranderingen in (communicatie-)technologie, globalisatie, fragmentatie, en dergelijke. Je zou in dit verband ook kunnen spreken van hypermoderniteit. Dat wil zeggen dat de processen die kenmerkend waren voor de moderne maatschappij zijn versneld en intenser zijn geworden. Ze zijn echter niet wezenlijk verschillend van die moderne cultuur.
Het postmodernisme is een intellectuele en filosofische stroming, een discours. Hierin zijn allerlei geluiden te beluisteren, maar toch ook één grondtoon. En dat is de kritiek op het modernisme, het zogenaamde Verlichtingsdenken. In dit modernisme staat de autonome mens centraal. Tradities doen er niet toe, deze worden als beknellend en bekrompen terzijde geschoven. ‘Geloven’ is een privézaak geworden. Immers, wie gelooft, is bevooroordeeld en dat wil men vermijden. Op het publieke terrein van politiek, onderwijs en wetenschap mag alleen de neutrale rede het voor het zeggen hebben.
Het postmodernisme kan worden opgevat als een diep wantrouwen tegen de rede en de ‘neutrale’ wetenschap als onze enige bron en garantie voor waarheid. Postmoderne denkers menen dat het moderne appčl op algemene, neutrale en rationele waarheden ten diepste is gegrond in een bepaald gezaghebbend verhaal. Deze mythe of narratief is tot stand gekomen in een bepaalde tijd en gemeenschap en daarmee niet universeel geldig. Dat betekent niet dat ze geen waarheid bevat, maar dat de ‘gesitueerdheid’ ervan erkend moet worden.’’
Het postmodernisme als filosofische stroming relativeert het modernisme – zoiets?
Het postmodernisme als filosofische stroming relativeert het modernisme – zoiets?
,,In die richting, ja. Toegepast op het modernisme komt de postmoderne kritiek op het volgende neer. Elke wetenschapper of Verlichtingsadept gaat uit van vooronderstellingen die zelf niet wetenschappelijk te bewijzen zijn. Het moderne ‘verhaal’ is helemaal niet neutraal en onbevooroordeeld. Want als er iets kenmerkend is voor het modernisme, dan is het wel zijn ‘vooroordeel tegen vooroordelen’! Kortom: ten diepste is een aanhanger van het modernisme een gelovige.
Het probleem is echter dat aanhangers van dit modernisme dit meestal niet erkennen. Iemand als François Lyotard, die bekendstaat als ‘postmoderne’ denker, heeft dit moderne grand recit (grote verhaal) zijn masker van universaliteit en neutraliteit afgenomen. Mijns inziens komt hij hier dicht bij wat iemand als Abraham Kuyper in zijn tijd ook al had gezegd. Namelijk: wij kunnen de wereld niet tegemoet treden zonder vooronderstellingen, neutraliteit bestaat niet. Mensen zijn ongeneeslijk religieus, of ze zich dit nu bewust zijn of niet. Wat de kritiek van het postmodernisme op de zogenaamde ‘neutrale’ rede betreft, hebben christenen dus niets te vrezen. Integendeel, ze treffen hier een bondgenoot aan! Tegelijk houdt iemand als Lyotard de kerk een spiegel voor: in hoeverre zijn wij zelf niet door het Verlichtingsdenken beďnvloed?’’
Relativisme
Lyotard als een seculiere profeet voor de kerk?
,,Het gaat me te ver om te zeggen: ‘Wij hebben Lyotard, Derrida en anderen nodig’, maar hun inzichten bieden ons wel de gelegenheid om onszelf weer eens kritisch af te vragen: wat is de kerk, waar is zij voor bedoeld en wat is er voor nodig om ‘kerk’ te zijn? Postmoderne schrijvers kunnen ons doen beseffen in hoeverre de kerk zich heeft laten inpakken door het modernisme, waardoor zij haar roeping uit het oog is verloren.’’
En toch klinkt er steeds deze zorg in christelijke kring: ‘Postmodernisme is relativisme. De bijbelse waarheid is in het geding!’
,,Dat herken ik, ook in Amerikaanse boektitels als Truth decay of Truth war… De klaroenstoot is helder: er woedt een oorlog rond de waarheid en de grote boosdoener hierin is het postmodernisme, dat zijn duizenden verslaat, ook onder christenen. Vaak legt men een verband tussen de zogenaamde ‘bijbelse’ waarheid en de ‘logische’, voor iedereen inzichtelijke waarheid. Ben je het daar niet mee eens, dan ben je dus een relativist. Dat wil zeggen: iemand die meent dat waarheid niet bestaat, maar dat er alleen maar subjectieve interpretaties zijn. Postmoderne denkers wordt dit ook verweten. Ze zouden ontkennen dat er waarheid is, of zelfs dat er een werkelijkheid bestaat buiten onze subjectieve waarneming! Het kan zijn dat sommige auteurs dit inderdaad beweren, maar dat zijn extremen. Als je boeken van Lyotard of Derrida leest – wat weinig christenen doen – dan zie je vanzelf dat dit verwijt helemaal niet klopt.’’
,,De focus op het christelijk geloof als ‘een systeem van waarheden dat je aanhangt’ is een product van het modernisme, niet van de Bijbel’’
Het postmodernisme is dus niet per definitie relativistisch. Maar je kunt toch niet zeggen dat postmoderne denkers een lans breken voor waarheid – laat staan voor de bijbelse waarheid, wel?
,,Duidelijk is dat sommige commentatoren vanuit christelijke kring erg bezorgd zijn over ‘waarheid’ – maar let nu eens op hoe ze dat zijn. Hun opvatting van waarheid is sterk gericht op kennis en ideeën. Het christelijk geloof lijkt voor hen vooral te bestaan uit een systeem van waarheden dat je aanhangt. Hier is sprake van een feitelijk moderne fixatie op kennis en epistemologie. Deze focus op ‘wat kunnen wij weten’, ‘wat is objectief waar’ en dergelijke, is een product van het modernisme, niet van de Bijbel. Hun benadering is dus veel meer cultuurbepaald dan ze in de gaten hebben, laat staan dat ze dit toegeven.
Verder meen ik dat dit soort critici een nogal beperkte notie hebben van wat ‘waarheid’ is. Zij zien waarheid als logisch, objectief, zeker, algemeen, enzovoorts. Ook dat is typisch modern. In de Bijbel echter wordt er geen nadruk gelegd op waarheid als een ‘ding’. Het gaat veel meer om waarheid als werkwoord (de waarheid ‘doen’) en waarheid als bijwoord: ‘waarlijk’ kennen. In de Bijbel is waarheid een ‘hoe’, niet een ‘wat’. De waarheid kennen is niet hetzelfde als weten dat Jezus ‘waar’ is.
Het valt me op dat in de Bijbel de liefde wordt benadrukt, nog voorafgaand aan kennis. Denk bijvoorbeeld aan wat Paulus schrijft aan de Filippenzen (1:9): ‘En dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid…’ (NBG ’51). Mijn voorstel is daarom dit: laten we het christelijk geloof niet primair opvatten als een set van ware geloofsopvattingen en dogma’s, maar als een manier van gericht zijn op de wereld, waarbij deze gerichtheid is aangeraakt en getransformeerd door Gods liefde.’’
Vreemdelingschap
U laat zich kritisch uit over ‘moderniteit’, ook waar dit zich – naar uw inschatting – voordoet in christelijke kring. Dan hebt u vast ook problemen met postmoderniteit in de kerk. Want eerder bleek dat postmoderniteit hetzelfde is als moderniteit in een geďntensiveerde en versnelde vorm.
,,Inderdaad vind ik dat de kerk niet ‘postmodern’ moet worden, evenmin als ‘modern’. Christenen moeten altijd ambivalent zijn ten aanzien van de cultuur waarin ze leven. Het besef dat zij slechts vreemdelingen en pelgrims in deze wereld zijn, mag niet verdampen, zoals de kerkvader Augustinus terecht benadrukte.’’
Wat maakt dat dit besef van vreemdelingschap zo weinig aanwezig is?
,,Wat in Amerika meespeelt in de verregaande aanpassing van christenen aan de cultuur, aan het zich te veel ‘thuis voelen’ daarin, is een bepaalde stroom van kuyperiaans denken. Gereformeerde christenen, ook die in mijn eigen denominatie, de Christian Reformed Church, benadrukken sterk dat ze niet fundamentalistisch zijn, dat ze zich niet terugtrekken uit de cultuur. Daarnaast leggen zij een sterk accent op Gods algemene genade en op de goedheid van de schepping. Maar door dat te doen, dreigen ze hun kritische distantie tot de cultuur te verliezen. Zij gaan bijvoorbeeld helemaal mee in het kapitalistische denken, omdat ‘de economie’ als zodanig goed is. De laatste tijd heb ik daarom een groeiende interesse in het denken van Klaas Schilder, met name zijn boek Christus en cultuur (1947). Als een correctie op wat ik zie gebeuren in Amerika als het gaat om de manier waarop men omgaat met noties als ‘algemene genade’.
Ik zie de kerk als een gemeenschap die apart is gezet door God. Mijn eigenlijke kritiek richt zich dan ook op wat ik noem het proces van ‘correlatie’, je zou ook kunnen zeggen ‘assimilatie’. Hiermee bedoel ik dat de kerk te weinig afstand heeft genomen van de haar omringende cultuur. In hun pogingen om relevant te zijn, hebben kerken en christenen zich in feite laten absorberen door de cultuur. Onderscheidende kenmerken van kerk en christelijk geloof zijn nog maar moeilijk te herkennen. Dit gevaar zie ik zowel in de moderniteit als in de postmoderniteit.’’
,,In hun pogingen om ‘relevant’ te zijn, hebben kerken en christenen zich in feite laten absorberen door de cultuur’’
Waar ziet u dit gevaar zich specifiek voordoen?
,,Neem nu het model van Willow Creek, dat gericht is op ‘zoekers’. De bedoeling van seeker sensitive kerken is natuurlijk om mensen te bereiken, en daarom worden hedendaagse en (post-)moderne vormen gekozen. Maar in dat proces van ‘vertaling’ raken dingen verloren. Het netto effect is dat niet de cultuur verandert, maar de kerk. Een christen is iemand die denkt, handelt en leeft zoals alle andere middenklasse burgers, met één verschil: hij heeft Jezus. Op zondag prijst men Jezus, op maandag echter handelt men niet anders dan anderen. Op deze manier verliest de kerk haar eigenheid (distinctiveness) en eigenaardigheid (peculiarity). De kerk is te veel op de wereld gaan lijken. Ik vraag me trouwens ook af of dit niet geldt voor sommige emerging churches, althans in de VS. Alleen wordt ‘hip’ en eigentijds daar niet vertaald in gelikte powerpointpresentaties, maar in termen van kaarsen en digitale gebrandschilderde ramen.’’
Bij Willow Creek en de ‘seeker sensitive’ benadering, en veelal ook bij ‘emerging churches’, zien we een missiologische drive. Men wil graag mensen in hun specifieke culturele context bereiken met het evangelie. Stel nu dat dit mogelijk is via eigentijdse middelen als iPods of weblogs – beide uitingen van postmoderniteit – wat is daar dan mis mee? Hoe kom je anders in contact met postmoderne buitenkerkelijken?
,,Ik begrijp je punt. Het gebruik van eigentijdse middelen maakt contact mogelijk, dat is waar. Maar de vraag is: als je mensen bereikt, waarmee precies, dus met welke inhoud, en met welk doel? Wordt er discipelschap bevorderd? Of blijven postmoderne mensen wie ze zijn, alleen met Jezus? Als je qua culturele uitingen en vormen kritiekloos meegaat met de cultuur, resulteert dat dan in een kerk als een bijzondere gemeenschap, als een peculiar people, die als geheel de sjalom van God weerspiegelt? Het lijkt me van niet. Je krijgt mensen die hip en eigentijds zijn, en die er net zo uitzien als andere, zeg, Amsterdammers, met maar één verschil. Ze gaan naar de kerk, krijgen goede gevoelens door de dienst of de iPod-boodschap, maar daar blijft het dan bij.
Ik herken dit ook in het onderwijs. Men zegt tegen mij: ‘Studenten hebben een heel korte spanningsboog, dus je moet veel aanpassingen maken.’ Ik zou juist zeggen: moet het christelijk onderwijs er niet naar streven om leerlingen of studenten te veranderen in plaats van slechts te spiegelen wie zij zijn? Uiteraard is het zo dat je mensen moet ontmoeten waar ze zijn, maar nodig hen dan wel uit om anders te worden, om verder te komen dan waar ze nu zijn.’’
Koninkrijk van God
Nederland kent deze ‘peculiar people’. Ze gaan in het zwart, of in elk geval ‘stemmig’ gekleed naar de kerk.
,,Ha, ja, dat ken ik ook. Maar mijn pleidooi is niet voor het vormen van een dergelijke subcultuur. Je moet onderscheidend zijn van de wereld, dat is zo, maar wel ten aanzien van de juiste dingen en op de juiste manier. Er zijn christenen die er qua kleding opmerkelijk ‘anders’ uitzien dan hun omgeving, maar niet in de manier hoe ze met geld omgaan.’’
,,Het is belangrijk dat de kerk zich onderscheidt op punten die karakteristiek zijn voor het Koninkrijk van God: gerechtigheid, genade, vergeving’’
Waar moet het volgens u dan vooral om gaan in de kerk?
,,Het is belangrijk dat de kerk als een gemeenschap zich onderscheidt ten aanzien van dingen die karakteristiek zijn voor het Koninkrijk van God: gerechtigheid, genade, vergeving en dergelijke. De kerk moet een alternatieve economie voorleven en een andere politiek, waarin vrede – sjalom – centraal staat.’’
Dit klinkt mooi, maar wat moet ik me daarbij concreet voorstellen?
,,Kerk-zijn moet veel meer zijn dan het bijwonen van de zondagse eredienst. Elke gemeente zou een soort van doelgerichte gemeenschap moeten vormen. Ik droom van een soort ‘gereformeerd kloosterdom’, waarin de cultuur wordt veranderd doordat gestalte wordt gegeven aan hoe de cultuur er eigenlijk uit zou moeten zien. Wat is bijvoorbeeld de ‘economie van het Koninkrijk’? We zien daar iets van in Handelingen 2 en 4, waar christenen samen hun goederen deelden.
In mijn eigen kerk, de Christian Reformed Church, hebben we daar een klein beetje van toegepast. Het is namelijk zo dat het christelijk onderwijs geen overheidssubsidie ontvangt, daarom worden gezinnen met schoolgaande kinderen financieel ondersteund vanuit de gemeente. Hoe zou het zijn als we dat op veel meer terreinen gingen doen – onze economische bronnen met elkaar delen? Om zo iets te laten zien van wat het betekent een ‘koninklijk volk, een koninklijk priesterschap’ te zijn?’’
Drs. R.J.A. Doornenbal is als opleidingsdocent verbonden aan de Christelijke Hogeschool Ede.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Kerk en postchristendom
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
