Preken in een postchristelijke cultuur (deel 1)
De cultuur is veranderd en dus zijn mensen veranderd. Veel predikanten worstelen ermee wat dit zou moeten betekenen voor hun manier van preken. Dr. Tim Keller (Redeemer) hield een reeks toespraken over ‘preken in een postchristelijke cultuur’, die Stefan Paas bewerkte tot een tweedelig artikel. In dit eerste deel gaat Keller in op de contextualisatie: in hoeverre preken moeten preken hoordergericht zijn?
Door Tim Keller en Stefan Paas
Het is al bijna een cliché geworden om te zeggen dat de preek in een crisis verkeert. Wat bedoelen we met die term ‘crisis’? In elk geval dat er blijkbaar problemen rondom de preek bestaan, die er vroeger niet of minder waren. Die problemen betreffen zowel de predikers als de hoorders. We zouden kunnen zeggen dat het moeilijker is om te preken dan vroeger, maar ook moeilijker om naar preken te luisteren.
Ontvanger-gerichte communicatie in de Bijbel
Dit communicatie-principe vinden we ook in de Bijbel. God gaat onze leefwereld binnen, zonder de boodschap te veranderen. In Deuteronomium. 18:15-19 zien we dat God zijn boodschap stuurt door middel van een menselijke profeet, wanneer de mensen klagen dat zij Gods stem niet onbemiddeld kunnen aanhoren. De Here houdt hier niet vast aan hetzelfde kanaal van communicatie of aan dezelfde vorm. In Filipenzen 2:6-7 zien we dat de menswording van Christus een vorm van communicatie is. Jezus kwam binnen in ons referentiekader, in onze culturele ‘bril’. Wij konden Gods heerlijkheid niet aanschouwen van aangezicht tot aangezicht (Exodus 33), maar nu zien wij Hem in Christus (Johannes 1:14).
Gerichtheid op wie?
Veel mensen worden tamelijk nerveus wanneer zij horen dat we meer gericht moeten zijn op de ontvanger. Zij geloven namelijk dat gericht zijn op de zender hetzelfde is als gericht zijn op de boodschap. Gerichtheid op de ontvanger verstaan zij als het wegmoffelen van de boodschap en die laten opgaan in dat wat de ontvanger wil horen. U vraagt en wij draaien is dan het parool.
Preken als schouwspel
Een vreselijk gevolg van de ‘A’-benadering is dat preken een schouwspel kan worden. Het speelt zich af buiten het referentiekader van de hoorder. Hij kan ernaar luisteren en kijken en het bewonderen, maar de verkondiging gaat zijn leven niet binnen. In theorie is het doel van de preek dat mensen veranderen en zich bekeren, maar in werkelijkheid (en meestal onbewust) is er een ander doel, dat tussen de regels door klinkt en zich toont in allerlei verbale en non-verbale aspecten van de communicatie: vertoning. Het is een vertoning die uit is op de goedkeuring, het applaus en de toejuichingen van de gemeente (‘hij heeft het weer goed gezegd’), die vervolgens de prediker beloont met complimenten, kerkbezoek en het uitnodigen van andere bezoekers (die niet tevreden zijn met de opvoering van hun eigen prediker). Niemand wordt veranderd. Richard Lovelace, iemand die schrijft in de Puriteinse traditie, zegt ergens (in zijn boek The Dynamics of Spiritual Life) dat veel gemeenten een stilzwijgend verbond hebben gesloten met hun predikers: u vertelt ons de goede dingen, die wij gewend zijn te horen en u zorgt dat dit niet teveel pijn doet of werkelijk het leven raakt en dan zullen wij u eren en complimenteren, wij zullen u verzorgen en koesteren. Zie voor het vervolg: ‘Tim Keller: Preken in een postchristelijke cultuur (2), Hoe kunnen preken aansluiten bij niet-kerkelijke hoorders?’
Dit artikel maakt deel uit van het dossier De missionaire gemeente
Dit artikel is verschenen in CV·Koers december 2006
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
Tim Keller: In hoeverre moeten preken hoordergericht zijn?
De cultuur is veranderd en dus zijn mensen veranderd. Veel predikanten worstelen ermee wat dit zou moeten betekenen voor hun manier van preken. Dr. Tim Keller (Redeemer) hield een reeks toespraken over ‘preken in een postchristelijke cultuur’, die Stefan Paas bewerkte tot een tweedelig artikel. In dit eerste deel gaat Keller in op de contextualisatie: in hoeverre preken moeten preken hoordergericht zijn?
Door Tim Keller en Stefan Paas
Het is al bijna een cliché geworden om te zeggen dat de preek in een crisis verkeert. Wat bedoelen we met die term ‘crisis’? In elk geval dat er blijkbaar problemen rondom de preek bestaan, die er vroeger niet of minder waren. Die problemen betreffen zowel de predikers als de hoorders. We zouden kunnen zeggen dat het moeilijker is om te preken dan vroeger, maar ook moeilijker om naar preken te luisteren. De oorzaken daarvoor ga ik hier niet uitgebreid beschrijven, als ik daartoe al in staat zou zijn. Vaak worden ze samengevat met de term ‘cultuur’. De cultuur is veranderd en dat merken we in allerlei opzichten. Echter, ‘cultuur’ is een nogal vage term en tegelijk zo veelomvattend dat we erin dreigen te verdrinken. Op het gevaar af een en ander te versimpelen (maar het in elk geval niet nodeloos te compliceren), zou ik dit hele complex van factoren willen samenvatten in de volgende stelling: mensen zijn anders dan vroeger. Ik denk dat daar het kernprobleem van de moderne preek ligt, zoals dat ervaren wordt door velen. De prediker zelf is een andere dan vroeger en hetzelfde geldt voor de hoorders.
Natuurlijk is er meer: er is de natuurlijke onbekeerlijkheid van de mens (die van alle tijden is), er zijn technische ontwikkelingen die het leven veranderen, er is de ontkerkelijking en er zijn andere persoonsoverstijgende factoren. Ik wil dit alles niet reduceren tot kwesties die direct verbonden zijn met de culturele positie van de prediker of luisteraar(s). Maar als we willen nadenken over een weg uit de crisis, een oplossing van het probleem, geloof ik dat dit wel de weg is die voor ons het eenvoudigst te bewandelen is. Laten we het in elk geval eens proberen en erover nadenken wat het betekent dat zowel prediker als hoorders andere mensen zijn dan hun vaders en moeders.
Ik wil voorstellen de crisis van de preek te herformuleren met behulp van een zendingsvraag. Dit is de vraag naar inculturatie of contextualisatie. Zoals zendelingen de laatste twee eeuwen hebben geworsteld met de vraag hoe het Evangelie gestalte aanneemt in nieuwe culturen, zo staan predikers in Nederland nu voor de vraag hoe het Evangelie kan ingaan in de levens van mensen die duidelijk anders in het leven staan dan hun voorgeslacht. Tegelijk zullen zij voor de vraag gesteld worden hoe dit ‘geïncarneerde’ Evangelie naar hen terugkomt uit de woorden en daden van de mensen tot wie zij preken.
Zoals elke contextualisatie is ook deze een ontmoeting waarbij zowel de prediker als de hoorder is betrokken. Met nadruk wil ik hier vaststellen, dat ik met ‘hoorder’ niet alleen de kerkelijk opgevoede hoorder bedoel, maar ook de niet-kerkelijke en niet-christelijke hoorder. Dat is inherent aan het preken in een zendingsland.
Beginselen van contextuele communicatie
Afhankelijkheid en kwetsbaarheid, vice versa
Wat gebeurt er wanneer wij een nieuwe boodschap communiceren aan anderen? Het is uiterst belangrijk om te beseffen dat hoorders altijd geneigd zijn om iets nieuws te interpreteren vanuit hun eigen context. Voor een hoorder is het nu eenmaal bijzonder vermoeiend en moeilijk om iets te begrijpen wat niet aansluit bij zijn eigen begrippenkader. Met dit ‘begrippenkader’ bedoelen we de ‘bril’ die je op hebt en waardoor je alles om je heen bekijkt. Die ‘bril’ wordt samengesteld door je overtuigingen, taal, vroegere ervaringen, je afkomst en opvoeding enzovoort.
Beginselen van contextuele communicatie
Afhankelijkheid en kwetsbaarheid, vice versa
Wat gebeurt er wanneer wij een nieuwe boodschap communiceren aan anderen? Het is uiterst belangrijk om te beseffen dat hoorders altijd geneigd zijn om iets nieuws te interpreteren vanuit hun eigen context. Voor een hoorder is het nu eenmaal bijzonder vermoeiend en moeilijk om iets te begrijpen wat niet aansluit bij zijn eigen begrippenkader. Met dit ‘begrippenkader’ bedoelen we de ‘bril’ die je op hebt en waardoor je alles om je heen bekijkt. Die ‘bril’ wordt samengesteld door je overtuigingen, taal, vroegere ervaringen, je afkomst en opvoeding enzovoort.
Om een voorbeeld te geven: als je geen computerdeskundige bent, zul je grote moeite hebben om een vaktijdschrift te begrijpen. Zo’n tijdschrift doet geen enkele moeite om af te dalen naar het niveau van een beginner. Het sluit niet aan bij de manier waarop je in het leven staat. Het resultaat is dat je al snel afhaakt. Wat hier gebeurt, is dat de zender (in dit geval de schrijver van het tijdschrift) zijn eigen referentiekader (zijn ‘bril’) als uitgangspunt neemt en van de lezer verwacht dat hij dit kader deelt of binnengaat. De ontvanger moet dan dus alle aanpassingen verrichten die nodig zijn voor een goede communicatie. Hij wordt daarmee in een afhankelijke positie gemanoeuvreerd. Hij moet veel vragen stellen, luisteren, omgaan met tal van vreemde en vervreemdende begrippen, voldoen aan bepaalde voorwaarden, veel woorden opzoeken, hulp vragen en voortdurend nagaan of hij nog op het goede spoor zit. Hij is dus niet alleen afhankelijk, maar ook nog eens kwetsbaar. Hij kan op zijn best proberen bij te blijven, maar zijn positie is passief en hulpeloos.
Een dergelijke communicatie heeft alleen kans van slagen in een beperkt aantal situaties: als de deskundigheid van de zender onomstreden is, als hij een grote mate van macht of gezag heeft over de hoorder (‘je moet doen wat ik zeg!’) en als de ontvanger een bijzonder sterke motivatie heeft (‘ik moet dit weten; ik kan er niet buiten!’). Om de parallel met preken te trekken: in een situatie waarin het ambt groot gezag geniet en waarin mensen erg hunkerend zijn naar aanwijzingen (bijvoorbeeld omdat zij twijfelen over hun eeuwig heil), hoeft een prediker niet erg zijn best te doen om aan te sluiten bij zijn hoorders. Zij zullen het zichzelf eerder kwalijk nemen dat de preken hen niet veel ‘doen’, dan dat zij de prediker iets verwijten.
Anders wordt het wanneer dit gezag van de prediker minder vanzelfsprekend is en wanneer de hoorders minder afhankelijk zijn (c.q. ‘mondiger’) of wanneer zij niet direct zitten te springen om wat de prediker te vertellen heeft (bijvoorbeeld bij sceptische en niet-gelovige toehoorders). De prediker zal dan moeten communiceren binnen het referentiekader van de hoorder. In dat geval zijn de rollen omgedraaid! Nu verkeert de zender in een afhankelijke positie. Hij moet de vragen stellen, hij zal moeten luisteren en zich verdiepen in de ander, hij zal moeten leren omgaan met veel vreemde en ongemakkelijke concepten en begrippen, woorden op moeten zoeken, hulp vragen en voortdurend nagaan of hij nog op de goede golflengte zit. Nu is hij de kwetsbare persoon geworden in de communicatie. Hij is ‘zwak’ geworden, om met Paulus te spreken.
Deze laatste vorm van communicatie – niet gericht op de zender, maar op de ontvanger – is veel moeilijker voor predikers, maar tegelijk veel lonender, ook geestelijk gezien.
Ontvanger-gerichte communicatie in de Bijbel
Dit communicatie-principe vinden we ook in de Bijbel. God gaat onze leefwereld binnen, zonder de boodschap te veranderen. In Deuteronomium. 18:15-19 zien we dat God zijn boodschap stuurt door middel van een menselijke profeet, wanneer de mensen klagen dat zij Gods stem niet onbemiddeld kunnen aanhoren. De Here houdt hier niet vast aan hetzelfde kanaal van communicatie of aan dezelfde vorm. In Filipenzen 2:6-7 zien we dat de menswording van Christus een vorm van communicatie is. Jezus kwam binnen in ons referentiekader, in onze culturele ‘bril’. Wij konden Gods heerlijkheid niet aanschouwen van aangezicht tot aangezicht (Exodus 33), maar nu zien wij Hem in Christus (Johannes 1:14).
In 1 Korinte 9:19-22 vinden we het communicatie-principe dat Paulus toepaste op tal van plaatsen in het boek Handelingen. We zien dat hij zijn prediking aanpaste op belangrijke punten, afhankelijk van de vraag wie hij voor zich had. Hij varieerde in de mate van emotie en argumentatie, hij citeerde verschillende bronnen (bij de Joden het OT en Griekse dichters voor de wijsgeren op de Areopagus), hij veranderde zijn woordkeus, hij vermeed onnodige kwesties en had oog voor de zorgen, verlangens en noden van zijn gehoor.
Op talloze manieren neemt God vormen en conventies, literaire genres en termen in dienst. Het gaat erom dat zijn hoorders deze vormen en termen begrepen, dat zij hun iets te zeggen hadden. Het is al langer bekend dat het OT bijvoorbeeld gebruik maakt van oud-oosterse verdragsteksten om het verbond tussen de Here en Israël te beschrijven. Dit waren vormen die toen bekend waren en zeggingskracht hadden. De apostel Johannes neemt het Logos-begrip over uit de Griekse filosofie van die tijd en geeft er een nieuwe invulling aan. De bijbelse theologie toont ons dat God zich openbaart in de geschiedenis, waarbij Hij geleidelijk meer van zichzelf laat zien. Steeds doet Hij dat in vormen en op manieren die mensen van die tijd begrepen en waarmee zij iets ‘konden’.
Dit betekent natuurlijk niet dat zij daarmee ook per se iets ‘konden’ met de boodschap die de Here had voor zijn volk. De Bijbel laat maar al te vaak het tegendeel zien. Het punt is dat zij niet belemmerd werden in hun begrip van die boodschap door cultureel vervreemdende of onbekende vormen en terminologie. Juist de vertrouwdheid van de genres en vormen maakte dat de Here hen dicht op de huid kwam met zijn openbaring.
Gerichtheid op wie?
Veel mensen worden tamelijk nerveus wanneer zij horen dat we meer gericht moeten zijn op de ontvanger. Zij geloven namelijk dat gericht zijn op de zender hetzelfde is als gericht zijn op de boodschap. Gerichtheid op de ontvanger verstaan zij als het wegmoffelen van de boodschap en die laten opgaan in dat wat de ontvanger wil horen. U vraagt en wij draaien is dan het parool.
Inderdaad hebben velen, in de naam van ‘ontvanger-gerichtheid’ of ‘contextualisatie’, duidelijk geprobeerd de bijbelse boodschap te veranderen in plaats van aansluiting te zoeken. Zo rechtvaardigde Bultmann ooit zijn programma van ontmythologisering van het NT met de woorden dat niemand in een tijd van elektrisch licht nog kon geloven in de wonderen die in de Bijbel worden beschreven. Hij herschreef die wonderen in zijn exegese dan ook als symboolverhalen die zich leenden voor een existentialistische toepassing. De uiteindelijke autoriteit in de communicatie is in zo’n geval de context en niet langer de boodschap zelf. Iets dergelijks zien we in de populaire navertellingen van de Bijbel door ds. Nico ter Linden (Het verhaal gaat): zij zijn een soort van rationalistische parafrase van de Schrift, aangepast op dat wat (vermoedelijk al iets oudere) moderne mensen ‘nog’ kunnen geloven. Om met prof. H.G.L. Peels te spreken: ,,Het verhaal gaat. Maar waarheen?”. Die vraag is terecht. We hebben gezien in het verleden dat dergelijke aanpassingen meestal neerkomen op een uitstel van ongeloof.
Het is, met dergelijke voorbeelden in het achterhoofd, dan ook geen wonder dat menig orthodox gelovige nerveus wordt van gepraat over ‘aanpassing’ en ‘aansluiting’. In reactie op zulke vervormingen van de boodschap is men in ‘onze kringen’ nogal tegen ‘ontvanger-gerichtheid’ gekant geraakt. Het wordt snel verstaan als een afwijking van het bijbelse pad, waarin het Evangelie de laatste zeggenschap heeft. ‘Ontvanger-gerichtheid’ wordt dan nogal eens afgeschilderd als een aanpassing van onze communicatie aan de behoeften en het referentiekader van niet-gelovigen. Wij gaan dan niet langer in op hun noden, maar we gaan erin op.
Deze voorstelling berust echter op een vals dilemma. Het lijkt erop dat we slechts twee mogelijkheden hebben: óf we zijn gericht op het Woord van God, óf we zijn gericht op de ontvanger. Aan de ene kant zijn er predikers die theocentrisch prediken, terwijl alle anderen antropocentrisch te werk gaan. Dit is echter aantoonbaar een gebrekkig begrippenkader. Immers, hoe kunnen wij op deze manier verklaren dat van twee predikers die allebei trouw willen zijn aan het onfeilbare Woord van God, de een helder en overtuigend preekt en de ander versluierend en saai? Niemand minder dan Augustinus weerlegde deze gedachte reeds in boek 4 van zijn De doctrina christiana, een klassiek meesterwerk over redekunst. Waarom, zo vraagt hij, zouden de heidenen mogen genieten van een goede redevoering, die hen raakt en in vuur en vlam zet en moeten wij knikkebollen voor de waarheid? De gedachte dat saaiheid en irrelevantie hetzelfde is als rechtzinnigheid ontmaskert hij als een verdedigingsmechanisme, een excuus om geen gebruik te hoeven maken van het goede dat de cultuur ons biedt.
Het is daarom beter dit valse dilemma te herformuleren tot vier keuzes:

A is een ‘traditionalist’: hij vindt waarheid belangrijk, maar heeft alleen zijn eigen behoeften en perspectieven in beeld. B is een ‘manipulator’: hij denkt slechts aan zijn eigen doelen en kan elke boodschap gebruiken om die te bereiken. D is een ‘aanpasser’: hij doet niet anders dan zijn hoorders bevestigen en hun vertellen wat zij willen horen. C is een ‘prediker’: hij vindt waarheid belangrijk, maar gaat het referentiekader van de hoorder binnen, om zowel dit kader als de hoorder zelf te veranderen. Omdat de prediker gelooft in de waarheid, kan hij het referentiekader van de hoorder veranderen. Omdat hij een dienaar wil zijn, kan hij dit kader ook binnengaan en zich er niet simpelweg in schikken.
Het ligt voor de hand dat we mogelijkheid C aanbevelen. Wij hebben een absolute standaard, een onveranderlijke waarheid: het Woord van God. Maar wij hebben ook een taak en die is: communiceren met mensen die veranderd kunnen worden. Dit zijn mensen die in de tijd leven en zo moet onze communicatie van die waarheid ook voortdurend veranderen. Deze benadering van de ‘prediker’ legt de nadruk op twee aspecten, die allebei onmisbaar zijn. Enerzijds moeten wij de boodschap van de Bijbel verkondigen en anderzijds moeten wij dat doen op een relevante manier.
Helaas moeten we vaststellen dat deze benadering ‘C’ in de praktijk een minderheidspositie vertegenwoordigt. We kennen ‘behoudende’ predikers, die in de meeste preken werken volgens principe A hierboven en ‘vrijzinnigen’, die zich doorgaans houden aan principe ‘D’. Beiden zullen waarschijnlijk veel moeite hebben met de cynische optie ‘B’. In die benadering vertelt de spreker zijn gehoor wat het wil horen, om hen zover te krijgen dat zij doen wat hij wil. Dit leidt onvermijdelijk tot leugens en vervormingen.
Van dergelijk opportunisme kunnen we oprechte traditionalisten en vrijzinnigen niet beschuldigen, maar orthodoxe predikers zouden zich ernstig moeten afvragen of zij misschien niet zijn blijven steken in benadering ‘A’. Dit leidt namelijk tot verstarring van onze prediking. Wij kunnen onszelf testen door ons af te vragen of wij iets kunnen met vragen van hoorders die vanuit hun eigen referentiekader afkomstig zijn en niet vanuit het onze. Als mensen (bijvoorbeeld niet-gelovigen) vragen stellen die niet zomaar passen in onze agenda, brengt ons dat vaak in de war. We weten vaak niet veel beter te doen dan het allemaal nog eens te zeggen in andere woorden, maar echt antwoord geven op vragen, dat lukt niet zo best.
Preken als schouwspel
Een vreselijk gevolg van de ‘A’-benadering is dat preken een schouwspel kan worden. Het speelt zich af buiten het referentiekader van de hoorder. Hij kan ernaar luisteren en kijken en het bewonderen, maar de verkondiging gaat zijn leven niet binnen. In theorie is het doel van de preek dat mensen veranderen en zich bekeren, maar in werkelijkheid (en meestal onbewust) is er een ander doel, dat tussen de regels door klinkt en zich toont in allerlei verbale en non-verbale aspecten van de communicatie: vertoning. Het is een vertoning die uit is op de goedkeuring, het applaus en de toejuichingen van de gemeente (‘hij heeft het weer goed gezegd’), die vervolgens de prediker beloont met complimenten, kerkbezoek en het uitnodigen van andere bezoekers (die niet tevreden zijn met de opvoering van hun eigen prediker). Niemand wordt veranderd. Richard Lovelace, iemand die schrijft in de Puriteinse traditie, zegt ergens (in zijn boek The Dynamics of Spiritual Life) dat veel gemeenten een stilzwijgend verbond hebben gesloten met hun predikers: u vertelt ons de goede dingen, die wij gewend zijn te horen en u zorgt dat dit niet teveel pijn doet of werkelijk het leven raakt en dan zullen wij u eren en complimenteren, wij zullen u verzorgen en koesteren.
Het erge is dat een dergelijke stijl van kerk-zijn zo gewoon is, dat velen niet zien wat er mis mee is. Men merkt het wellicht aan een zekere moedeloosheid of matheid die over de gemeente ligt, aan een tanend kerkbezoek (als men uitgekeken is op de opvoering van de prediker of als de kwaliteit ervan tegenvalt), aan onveranderde levens, aan een predikant die hijgend achter waardering aanjaagt en probeert aan alle wensen te voldoen, maar er is moeilijk een vinger op te leggen. Des te triester dat dit nu juist kan voorkomen in gemeenten waar men sterk hecht aan het gezag van de Schrift en wil staan in de traditie van de Reformatie.
Het Evangelie niet kwijtraken
Het moeilijke doel van contextualisatie is dat wij de boodschap niet te veel en niet te weinig aanpassen aan een cultuur. Wij dienen die genoeg aan te passen om de cultuur binnen te gaan, maar wij dienen tegelijk de cultuur voldoende te weerstaan om die uit te dagen en te veranderen. Als wij het Evangelie niet contextualiseren, zullen we gegarandeerd menselijke tradities gaan behandelen als onderdeel van het Evangelie en daarmee aspecten van onze eigen cultuur verafgoden. Maar als wij te veel contextualiseren, verliezen we het ‘vreemde’ karakter van het Evangelie en leveren we onszelf uit aan de afgoden van de andere cultuur. Geen van beide posities zijn ‘veilig’: in beide situaties raken we het Evangelie kwijt.
Het moeilijke doel van contextualisatie is dat wij de boodschap niet te veel en niet te weinig aanpassen aan een cultuur. Wij dienen die genoeg aan te passen om de cultuur binnen te gaan, maar wij dienen tegelijk de cultuur voldoende te weerstaan om die uit te dagen en te veranderen. Als wij het Evangelie niet contextualiseren, zullen we gegarandeerd menselijke tradities gaan behandelen als onderdeel van het Evangelie en daarmee aspecten van onze eigen cultuur verafgoden. Maar als wij te veel contextualiseren, verliezen we het ‘vreemde’ karakter van het Evangelie en leveren we onszelf uit aan de afgoden van de andere cultuur. Geen van beide posities zijn ‘veilig’: in beide situaties raken we het Evangelie kwijt.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier De missionaire gemeente
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
