Hollywood vertelt veel over mannelijke zoektocht naar bevestiging
kaders:
• De Hollywoodman door de jaren heen
In films domineert een beeld van mannen dat weinig met de werkelijkheid te maken heeft. Maar wie goed kijkt, kan juist ook veel over mannen leren van films. Het manwordingsproces is een oerthema dat in talloze films terugkeert.
Door Rick de Gier
Zou er een medium bestaan dat de beeldvorming over mannen sterker heeft beïnvloed dan film? Kunnen we het over mannelijkheid hebben zonder – bewust of onbewust – naar de ideaalbeelden van Hollywood te grijpen? De eeuwig gehaaide James Bond, de robuuste Rambo, de zelfredzame cowboys van Clint Eastwood: iedereen weet dat het karikaturen zijn, maar wat zijn ze begerenswaardig. En wie weet, misschien zijn die ideaalbeelden niet eens zo heel onrealistisch – de vertolkers van die rollen zijn in het dagelijks leven toch ook knap, succesvol en in trek bij de mooiste vrouwen?
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Echte mannen
Dit artikel is verschenen in CV·Koers juli 2006
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
Het vadercomplex van Superman
kaders:
• De Hollywoodman door de jaren heen
In films domineert een beeld van mannen dat weinig met de werkelijkheid te maken heeft. Maar wie goed kijkt, kan juist ook veel over mannen leren van films. Het manwordingsproces is een oerthema dat in talloze films terugkeert.
Door Rick de Gier
Zou er een medium bestaan dat de beeldvorming over mannen sterker heeft beïnvloed dan film? Kunnen we het over mannelijkheid hebben zonder – bewust of onbewust – naar de ideaalbeelden van Hollywood te grijpen? De eeuwig gehaaide James Bond, de robuuste Rambo, de zelfredzame cowboys van Clint Eastwood: iedereen weet dat het karikaturen zijn, maar wat zijn ze begerenswaardig. En wie weet, misschien zijn die ideaalbeelden niet eens zo heel onrealistisch – de vertolkers van die rollen zijn in het dagelijks leven toch ook knap, succesvol en in trek bij de mooiste vrouwen?Hollywood maakt het er met al z’n kloeke helden niet makkelijker op voor de gemiddelde man die zich ergens aan wil spiegelen. Maar wie wat verder kijkt dan de flitsende buitenkant, treft ook in de filmwereld voldoende levensechte personages en leerzame verhalen aan. John Eldredge refereert in zijn boek De ongetemde man (dat vaker in deze CVKoers langskomt) veelvuldig aan mannelijke filmpersonages – niet alleen als leuke illustraties, maar omdat hij heeft ondervonden dat films een waardevolle inspiratiebron kunnen vormen. De kern van Eldredge’ betoog gaat over de noodzaak dat elke jongen in zijn kracht en mannelijkheid wordt bevestigd door zijn vader, of een vaderfiguur, omdat er anders scheefgroei ontstaat. Wie er bewust op let, komt al snel tot de ontdekking dat dit proces een oerthema is waar het in veel filmverhalen om draait.
Therapie
Therapie
Als mooi voorbeeld noemt Eldredge de film A Perfect World uit 1993 van Clint Eastwood (die meer kan dan alleen cowboytje spelen). Daarin speelt Kevin Costner de ontsnapte gevangene Butch, die een jongetje van een jaar of tien gijzelt terwijl hij in een auto de grens over probeert te vluchten. Er ontstaat een opmerkelijke band tussen de twee. Butch is geen al te vriendelijke man, maar hij herkent iets in de jongen, die Philip heet en net als hij zonder vader is opgegroeid. Hij lijkt iets van zijn eigen gemis te willen compenseren door de jongen als een man te behandelen. Hij geeft hem een pistool en laat hem op het dak van de auto rijden, omdat Philip van zijn moeder nooit in de achtbaan mag. Als Butch een nieuwe broek voor Philip koopt, durft de jongen zich niet voor hem om te kleden, omdat hij ‘maar een kleintje’ heeft. ,,Laat eens zien’’, zegt Butch, waarop hij even kijkt en Philip op het hart drukt dat er niks mis mee is. Door dergelijke momenten komt de jongen tot bloei.
Wat er mis kan gaan als de vaderlijke bevestiging ontbreekt, tonen twee films die qua verhaal veel op elkaar lijken. In Good Will Hunting (Gus Van Sant, 1997) speelt Matt Damon de twintiger Will, een hyperintelligente schoonmaker op een universiteit, die liever rondhangt met zijn vrienden uit de achterbuurt waarin hij opgroeide, dan dat hij iets van zijn leven maakt. Als hij na een vechtpartij wordt opgepakt, komt een professor, die een vermoeden heeft van Wills intelligentie, zijn borg betalen. Voorwaarde is echter dat Will in therapie gaat. Aanvankelijk moet Will niets van hulpverlener Robin Williams hebben, maar wanneer hij ontdekt dat die ook door een gewelddadige stiefvader is opgevoed, opent hij zich op den duur. Dit therapeutische aspect van Good Will Hunting is erg geloofwaardig en sterk, al maken het gedrag en taalgebruik van Will en zijn vrienden er wel een rauwe film van.
Wat er mis kan gaan als de vaderlijke bevestiging ontbreekt, tonen twee films die qua verhaal veel op elkaar lijken. In Good Will Hunting (Gus Van Sant, 1997) speelt Matt Damon de twintiger Will, een hyperintelligente schoonmaker op een universiteit, die liever rondhangt met zijn vrienden uit de achterbuurt waarin hij opgroeide, dan dat hij iets van zijn leven maakt. Als hij na een vechtpartij wordt opgepakt, komt een professor, die een vermoeden heeft van Wills intelligentie, zijn borg betalen. Voorwaarde is echter dat Will in therapie gaat. Aanvankelijk moet Will niets van hulpverlener Robin Williams hebben, maar wanneer hij ontdekt dat die ook door een gewelddadige stiefvader is opgevoed, opent hij zich op den duur. Dit therapeutische aspect van Good Will Hunting is erg geloofwaardig en sterk, al maken het gedrag en taalgebruik van Will en zijn vrienden er wel een rauwe film van.
Wat beschaafder is Antwone Fisher (Denzel Washington, 2002), een film met een verder opvallend vergelijkbaar verhaal. De jonge marinier Antwone moet ook na een agressieve uitbarsting gedwongen langs bij een therapeut, en ook hij komt na een moeizame start met een verhaal over een gewelddadige, vaderloze jeugd. De door Washington gespeelde psychiater heeft zelf geen kinderen en wordt een vaderfiguur voor Antwone. Hij brengt hem zelfvertrouwen bij en spoort hem aan om de confrontatie aan te gaan met zijn verleden. Het slot van de film is des te aangrijpender in de wetenschap dat het scenario een autobiografie is van de echte Antwone Fisher.
Superhelden
Eldredge stelt dat eigenlijk elke man in meer of mindere mate een deuk heeft opgelopen in zijn jeugd, omdat we nu eenmaal in een zondige wereld leven waarin zelfs de beste vaders tekortschieten. En om de identiteitscrisis compleet te maken, zou de westerse cultuur hem bovendien stimuleren om zijn ware aard te onderdrukken. In een maatschappij waarin jongens worden geacht hele dagen stil te zitten en geen wilde spelletjes te doen, waarin kerken mannen aanmoedigen om vooral fatsoenlijk en meegaand te zijn en veel vrouwen het liefst een lekker huiselijke echtgenoot hebben, is het voor mannen moeilijk om aan bevestiging te komen. Dat zou kunnen verklaren waarom binken als James Bond en Rambo überhaupt zo populair zijn. En waarom porno zo’n aantrekkingskracht heeft – daarbij kun je je zonder veel moeite of kans op afwijzing even een hele kerel voelen.
Interessant zijn in dit verband ook de superhelden die in de VS min of meer tot het culturele erfgoed behoren, en waarover de laatste jaren de ene na de andere film verschijnt. De meeste superhelden zitten interessanter en eerlijker in elkaar dan eerdergenoemde stereotypen als James Bond en Rambo. Clark Kent, Bruce Wayne en Peter Parker, de alter ego’s van Superman, Batman en Spiderman, zijn in het dagelijks leven suffe mannetjes die amper voor zichzelf durven opkomen. Ze hebben alle drie een vaderfiguur moeten missen – Superman verloor eerst zijn buitenaardse vader en toen zijn aardse stiefvader, de ouders van Bruce Wayne werden voor zijn ogen doodgeschoten en de wees Peter Parker verloor zijn oom in een door hem veroorzaakt ongeluk.
Veelzeggend is de scène in Superman (Richard Donner, 1978) waarin de nog jonge, onzekere held naar de Noordpool reist, waar hij de geest (of iets dergelijks) van zijn vader aantreft, die hem ervan verzekert dat hij een held is, die zijn kracht moet inzetten voor het goede. Alsof het messiaanse karakter van Superman er nog niet dik genoeg bovenop lag – let op de parallel met de doop van Christus, die wordt bevestigd door zijn Vader en vervolgens aan zijn bediening begint.
De meest geslaagde superheldenfilm tot nu toe is Batman Begins (Christopher Nolan, 2005), omdat de superheldenmythe daarin zo menselijk mogelijk wordt uitgewerkt. Na de moord op zijn ouders denkt de jonge Bruce Wayne aanvankelijk dat wraak zijn pijn zal verzachten, maar als het erop aankomt, komt hij in gewetensnood. Verward trekt hij de wereld in, op zoek naar zijn identiteit. Hij vindt een mentor die hem bevestigt in zijn kracht en streven naar rechtvaardigheid, maar hem uiteindelijk moreel teleurstelt. Wanhopig besluit Wayne dan maar een grotesk alter ego te creëren waar hij al z’n mannelijke kracht in kwijt kan. De symboliek is duidelijk: hoeveel mannen verschuilen zich niet achter een masker van machismo om hun onzekerheid te verhullen? Zo’n gespleten persoonlijkheid blijft wringen – ook in het geval van Bruce Wayne: wanneer zijn vriendin ontdekt dat hij Batman is, verlaat ze hem, want met zo’n façade kan zij niet leven. Zo eindigen de meeste superheldenverhalen in mineur, want een echt happy end zou vereisen dat de held zichzelf accepteert zoals hij is.
Rebellie
Voor wie over wapens, buitengewone krachten en een stoer masker beschikt, is het superheldendom misschien een optie, maar wat moet een gewone man die in een identiteitscrisis verkeert en zich ontmand voelt door zijn burgerlijke omgeving? Die kan flink gaan rebelleren. Zoals de door Kevin Spacey gespeelde Lester Burnham in American Beauty (Sam Mendes, 1999), die meteen in zijn eerste voice-over laat weten dat hij min of meer dood is: hij haat zijn werk en wordt geminacht door zijn gezin. Wanneer een aantrekkelijke vriendin van zijn tienerdochter weer wat gevoel in Lester aanwakkert, besluit hij zijn kont rigoureus tegen de krib te gooien. Hij zegt zijn baan op en gaat in een hamburgertent werken, koopt een sportwagen, gaat blowen met zijn buurjongen en houdt op zijn vrouw en dochter mooie praatjes te verkopen.
Blijkbaar konden veel mannen zich in Lesters rebellie vinden, want American Beauty is een van de succesvolste films van de laatste jaren. Onduidelijk blijft echter wat de moraal van het verhaal is. Lester moet zijn gedrag ten slotte duur betalen, maar daarmee lijkt eerder een punt te worden gemaakt over intolerantie dan over Lesters onvolwassenheid en egoïsme.
Nog feller is de opstand tegen de sleur van de naamloze hoofdpersoon in Fight Club (David Fincher, 1999), gespeeld door Edward Norton. Om zijn geestdodende werk en eenzaamheid te compenseren, sluit hij zich aan bij de geheime club van de ruige, maatschappijkritische Tyler (Brad Pitt), waarin mannen elkaar vrijwillig tot moes slaan. De vechtclub is volgens Tyler een plek van herstel voor mannen die zijn opgegroeid zonder toegewijde vader en dus nooit hebben geleerd hoe ze een echte man moeten worden. Veel mannen kloppen daarvoor tevergeefs aan bij vrouwen, stelt Tyler, maar mannelijkheid kan alleen door mannen worden doorgegeven.
Opvallend genoeg zegt John Eldredge ongeveer hetzelfde in zijn boek – hij noemt dat de reden waarom vrouwen in films, muziek en kunst zo vaak op een ongezonde manier worden aanbeden: omdat mannen iets bij hen zoeken wat zij hun niet kunnen bieden. In het geval van Fight Club wordt verder weinig met die wijsheid gedaan: Tyler wordt steeds meer een raaskallende idioot en zijn club verwordt tot een soort terroristische sekte. De film laat je verward en nogal misselijk van het overvloedige geweld achter.
Cash
Als vaders tekortschieten, betrouwbare mentoren niet voor het oprapen liggen en zelfs een vrouw de man niet kan redden, waar kan die dan nog heen? Dat is natuurlijk de kern van Eldredge’ verhaal: uiteindelijk kan alleen de Hemelse Vader de man compleet herstel bieden. Wordt die diepe wijsheid ook in films gecommuniceerd? Soms, zij het vaak metaforisch of zo impliciet dat je wel erg goed moet opletten. Zoals in de recente Johnny Cash-biografie Walk the Line (James Mangold, 2005). Daarin wordt het ‘klassieke’ manwordingsproces van de legendarische countryzanger mooi verbeeld.
Als kind verliest John zijn oudere broer bij een ongeluk, waarop zijn alcoholistische vader uitspreekt dat God de verkeerde zoon heeft weggenomen. Die afwijzing loopt als een rode draad door de film. Cash is voortdurend onrustig, laat zijn huwelijk stuklopen, raakt verslaafd aan drank en drugs en vergooit bijna zijn hele carrière. Pas wanneer June Carter, een diepgelovige zangeres die zijn tweede vrouw zou worden, zich over hem ontfermt, komt John langzaam maar zeker tot rust. Daar laat de film het bij, maar in zijn autobiografie is Cash veel explicieter: June bracht God weer in zijn leven, en Hij zorgde in de eerste plaats voor herstel.
Walk the Line is een mooie film, maar ook een voorbeeld van de moeite die Hollywood heeft om mannen te verbeelden die zich afhankelijk weten van God. Blijkbaar wordt ervan uitgegaan dat daar weinig spannends over te melden valt, en misschien geven veel christelijke mannen daar ook wel aanleiding toe. Die conclusie trekt John Eldredge dus ook: mannen in de kerk zijn vaak wel vriendelijk en volgzaam, maar zelden avontuurlijk en heldhaftig, zoals een man naar Gods hart wel zou moeten zijn.
Eldredge ziet zulke mannen zelf terug in de koene helden uit epossen als Braveheart en Gladiator, maar die leggen de lat meteen wel weer bijna onmenselijk hoog. Gelukkig figureren er in minder hoogdravende genres ook mannen om een voorbeeld aan te nemen. Mannen als agent Jim Kurring in Magnolia (Paul Thomas Anderson, 1999), die een weinig stoere indruk maakt, maar wel met Gods hulp zijn best doet om rechtvaardig, eerlijk en vergevingsgezind te zijn. Of de bejaarde Alvin Straight in The Straight Story (David Lynch, 1999), die half Amerika doorkruist op een grasmaaier om de ruzie met zijn broer bij te leggen en een goed woord heeft voor iedereen die hij tegenkomt. Kapitein Ernest Gordon in To End All Wars (David L. Cunningham, 2001), die zijn medesoldaten in een Japans krijgsgevangenenkamp inspireert om hun beulen de andere wang toe te keren. De evangelist in The Apostle (Robert Duvall, 1997), die verwaand en egoïstisch is, maar God toestaat om hem te vormen. Gewone mannen, die de moed niet opgeven en openstaan voor verbetering. Dat zijn de echte helden van het witte doek.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier Echte mannen
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
