Eerste hoofdstuk uit Graham Tomlins 'Een kerk die prikkelt'
Graham Tomlins boek Een kerk die prikkelt ligt half april in de boekhandel. In het aprilnummer van CV•Koers vindt u een uitgebreid interview met Tomlin en een kortingsbon voor zijn nieuwste boek. Op deze pagina leest u een voorpublicatie uit dit boek. In dit eerste hoofdstuk analyseert Tomlin op herkenbare wijze waarom onze gangbare evangelisatiemethoden inmiddels niet meer werken.
Door Graham Tomlin
Evangelisatie die werkt en evangelisatie die niet werkt
Dit artikel maakt deel uit van het dossier De missionaire gemeente
Dit artikel is verschenen in CV·Koers maart 2008
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
Evangelisatie die niet werkt
Graham Tomlins boek Een kerk die prikkelt ligt half april in de boekhandel. In het aprilnummer van CV•Koers vindt u een uitgebreid interview met Tomlin en een kortingsbon voor zijn nieuwste boek. Op deze pagina leest u een voorpublicatie uit dit boek. In dit eerste hoofdstuk analyseert Tomlin op herkenbare wijze waarom onze gangbare evangelisatiemethoden inmiddels niet meer werken.
Door Graham Tomlin
Evangelisatie die werkt en evangelisatie die niet werktJohn Diamond was journalist, voor de Londense krant Times.In maart 2001 stierf hij aan kanker. Voor die tijd werd hij in het Verenigd Koninkrijk bekend met een serie indringende, hulpeloos eerlijke columns over de worsteling met zijn ziekte. Deze artikelen en zijn boek C: Because Cowards Get Cancer too, gaven veel mensen een nieuwe kijk op sterven. Twee maanden voor hij stierf, schreef Diamond op zijn eigen hoffelijke manier over de vele christenen die hem mailden met allerlei geestelijke antwoorden na het lezen van zijn column: ,,Ik kan op geen enkel niveau met deze mensen in gesprek. Zij maken reclame voor hun geestelijk product, alsof ik het nooit eerder was tegengekomen… Alsof ik, na 47 jaar in een christelijk land te hebben geleefd, nog niet was gestruikeld over het concept van Christus als Verlosser… Ze lijken niet te begrijpen dat ik mezelf niet kan dwingen om te geloven wat ik niet geloof. Dit is het punt waarop agnosten meestal zeggen: ‘Ik wilde dat
ik kón geloven’, en ik heb dat ook tegen mezelf gezegd. Maar ik ontdekte dat dat niet waar was: ik ben blij dat ik niet geloof, en dat is precies wat deze gelovigen niet begrijpen.’’
Het is de moeite waard om deze woorden eens rustig te overwegen. Christenen nemen soms maar aan dat de mensen ‘op straat’ wanhopig zitten te wachten op dat wat de kerk te vertellen heeft. Er is dan nog maar één probleem: hoe vertellen we het luider, duidelijker? Maar de laatste decennia begint het er steeds meer op te lijken dat er veel mensen zijn zoals John Diamond. Ze zijn niet vijandig of onbekend met het christendom, ze zijn geïnteresseerd in spirituele vragen en bereid om moeilijke kwesties als sterfelijkheid en zin te doordenken. En toch zullen zij voor antwoorden als laatste bij de kerk aankloppen. Met een trieste ondertoon zegt Paul Vallely, journalist en zelf overtuigd christen: ,,De kerk zegt vandaag voor de meeste mensen niets meer wat de moeite waard is.’’
Overal in ons land zijn kerken bezig om hier verandering in te brengen, en langzaam maar zeker vinden zij manieren om de mensen buiten hun muren te bereiken. Een heel aantal ‘procescursussen’, en vooral Alpha, blijkt een fantastisch middel om deze mensen aan te trekken. Meestal bevinden zij zich in de marge van het kerkelijk leven, en zijn ze geïnteresseerd in het christendom. Maar het is soms moeilijk om andere mensen naar deze cursussen te krijgen, mensen als John Diamond, die blij zijn niet te geloven.
Hoe gaan we om met mensen die niet geïnteresseerd zijn in meer van het christendom? De mensen die niet naar een Alpha-cursus komen, ook niet wanneer ze worden uitgenodigd? De mensen die niet gewoon niet geloven, maar die niet willen geloven? Wat zou hen kunnen prikkelen, zodat ze overtuigd worden dat de kerk iets te zeggen heeft wat de moeite waard is?
Tot zover een negatief verhaal. Maar God is niet dood. Hij geeft zijn kerken in het Westen niet op, ook al zijn het de kerken in Zuidoost-Azië, Afrika en Zuid-Amerika die bloeien. Hoewel de zwakte van onze kerken wijd en zijd bekend is, komen er ook vandaag christenen bij, zelfs in de kille wereld van de media, de kranten en de politiek.
Een mens leert het meeste van luisteren. Een ander verhaal, totaal van het vorige verschillend, kan ons misschien een stukje op weg helpen.
Jezus vinden
Derek Draper werkte als succesvol politiek lobbyist, en was later actief achter de schermen voor de labourregering in Londen. Een periode van clubbezoek, xtc- en cocaïnegebruik leidde, samen met een publiek schandaal over politieke corruptie, tot depressiviteit en ontslag. Therapeuten adviseerden hem op zoek te gaan naar ‘spiritualiteit’, om de balans in zijn leven weer te vinden. Nadat hij yoga, new age en het boeddhisme had onderzocht, concludeerde hij dat ze alle drie iets misten. Maar een indrukwekkend bezoek aan Westminster Abbey lokte een bezoek aan de plaatselijke kerk uit, een strikt anglicaanse parochie met een interessante mix van plechtigheid en informaliteit. De impact van dit bezoek is wellicht het beste te beschrijven in Drapers eigen woorden: ,,Ik begon Jezus Christus te ontdekken; zijn leven en zijn onderwijs. Ik leer nog steeds bij over de liturgie, al lezend worstel ik met de Bijbel, speciaal met het Oude Testament, en met de daden van de georganiseerde kerk, zowel in het heden als het verleden. Maar ik weet dat dat er allemaal niet echt toe doet. De kern van mijn christen-zijn is het geloof in de wijsheid van Jezus’ woorden, zoals die in de evangeliën worden verteld. Ik kijk nu met afschuw terug op die extreme tijd van werk, geld, drank, drugs, seks en macht, in de tweede helft van de jaren negentig. Ik ga proberen te leven zoals Jezus het tweeduizend jaar geleden voorschreef. Ik leefde een plat, materialistisch leven. Ik was ongeduldig en intolerant. Nu probeer ik te leven en te denken met anderen in gedachten. Hoewel het voor velen een walgelijk idee is, kan ik het niet anders zeggen: God is liefde. Zo zegt de Bijbel het, en dat is wat ik steeds meedraag: liefde voor iedereen die ik ontmoet, grenzeloze, geduldige en vriendelijke liefde.’’
Interessant. Er zijn in feite een aantal fascinerende punten te vinden in deze verklaring.
1) Het eerste: Derek Draper ging op spirituele zoektocht vanuit een crisis. Depressie en drugs creëren samen een goede mogelijkheid voor wanhoop. In zijn succesvolle carrière, vol adrenaline, narcotica en macht, was het christendom
niet eens een stipje aan de horizon. Er was iets nodig wat hem tot stilstand bracht, zodat hij weer ging nadenken. Het is een verhaal van het type ‘verloren zoon’, waarin aandacht en politiek het verre land vervangen, en de afkickkliniek de varkensstal; we zien een duidelijke lijn van ontvallen naar onthullen, van verloedering naar verlossing. Ondanks welvaart, financiële zekerheid en de warmte van familie en vrienden, raken crises een mensenleven nu nog net zo hard als in het verleden. Vragen aangaande het waarom van het leven, vragen naar wat leven is en over hoe het is om te worden geleefd, blijven bestaan, ook al zijn de christelijke antwoorden daarop vandaag misschien minder vanzelfsprekend dan ze ooit waren.
Ook kanker is een crisis, en we leerden van John Diamond al dat crises op zich mensen niet onvermijdelijk bij God brengen. De vraag is daarom of, en hoe christenen in crisismomenten iets kunnen betekenen, zodat ze nieuw perspectief bieden, dat een verwarde ziel rust geeft , en dat antwoord geeft op de vragen die gesteld worden, in plaats van antwoorden op vragen die we als christenen graag willen horen.
2) Dat brengt ons bij het volgende punt: wat met Draper gebeurde, kwam door een kerk. Een prikkelende kerk.
Vandaag de dag zeggen we wel eens dat mensen zich niet haasten om de kerk te bezoeken. Misschien is dat waar. Misschien doen mensen minder aan kerkbezoek dan ze deden. Maar Derek Draper deed het wel, en de vraag is nu wat hij aantrof toen hij de kerk binnen stapte.
Op dat moment stond zijn interesse in het christendom op dezelfde lijn als die voor yoga, boeddhisme en oude Japanse geneeswijzen. Met andere woorden: voor iemand die vandaag de dag op spirituele zoektocht gaat, was hij vrij standaard. Net als veel anderen op die zoektocht, stak hij zijn teen kort in de verschillende baden die hij aantrof, om vervolgens in dat bad te duiken dat het beste voelde.
Een aantal jaar geleden kreeg ik de lastige taak om een studiedag te organiseren voor groepen studenten uit twee nogal verschillende kerkelijke instituten, zonder dat het geheel zou ontaarden in een theologische oorlog. Ik besloot ze allemaal de straat op te sturen met een vrij simpele vragenlijst, om de gewone man te vragen naar zijn indruk van de kerk.
Een opvallende uitkomst was het hoge percentage mensen dat het afgelopen jaar in de kerk was geweest. Of het nu ging om een doop, een begrafenis, een bruiloft , een uitnodiging van een vriend, een moment van rust en vrede of gewoon een opwelling, de grote groep mensen die de kerk had bezocht, deed ons versteld staan. De andere kant van het verhaal was wel dat ze de kerk ook weer waren uitgelopen. Blijkbaar was er te weinig wat hen ertoe aanzette terug te komen.
De kerk die Derek Draper bezocht, was anders. Er was daar iets wat hem trok: ,,Die zondag maakte ik voor het eerst sinds ik dertien was een kerkdienst mee. Ik kwam toevallig in deze prachtige kerk terecht, en ik zag de schittering van de gewaden, de schoonheid van het koor en ik rook die geur, en het werd gemixt met een informaliteit die echt duidelijk werd op Allerheiligen, toen twee misdienaars de altaartreden beklommen met fluorescerende sneakers onder hun kleed. Die eerste zondag wist de predikant een angstaanjagende preek te combineren met een onvervalst goede grap… Ik was verkocht.’’
Het punt is hier niet of dezelfde lovende verhalen kunnen worden verteld van minder liturgische kerken. Het punt is dat Derek Draper iets echts, iets anders en onderscheidends vond in die kerk, op het moment dat hij er was: iets prikkelends. Dit is een vraag aan elke plaatselijke kerk: als hij jouw kerk was binnengestapt, zou hij dan zijn teruggekomen?
3) Het derde wat me fascineert, is het woord dat hij gebruikt als hij schrijft over Jezus: wat hem trekt, is de praktische wijsheid van de lessen van Jezus. Misschien zouden we willen dat hij met een stapel theologische vragen kwam als: ‘Waar vind ik vergeving voor mijn zonden?’ of: ‘Is dit logisch samenhangend?’ Maar leerstellig was het niet vaak zo simpel geformuleerd, en dat is het nog steeds zelden.
Hij zocht geen gegarandeerde plek in de hemel, of vergeving van zonden, maar simpelweg een betere en minder oppervlakkige levensstijl. Het was het vooruitzicht van een levenshouding die wordt geregeerd door de liefde, dat zoveel beter, waardevoller en bevredigender leek dan alles wat hij elders tegenkwam. Wat hem trok, waren niet zozeer de ideeën of de intellectuele inhoud van het christendom, maar het was het christen-zijn als levensstijl.
De christelijke leer en de Bijbel werden niet in de eerste plaats waardevol omdat ze een bewezen waarheid bevatten, maar omdat ze het fundament vormden voor een gezonder en completer bestaan.
Misschien verbaast ons dit niet, als we iets weten van de postmoderne houding met het wantrouwen van waarheid, of zelfs van de Bijbel met zijn visie op het vleesgeworden Woord: dit was een zoektocht naar iets spiritueel bevredigends en praktisch bruikbaars.
Douglas Coupland, een scherpzinnig Canadees auteur, bedacht de term Generatie X, en schreef het gelijknamige boek over de kinderen van de jaren tachtig, geboren in welvaart en apathie, door niets bevlogen, ontspannen, en in het bezit van een overdosis ironie. In een van zijn boeken, Life after God, beschrijft hij zijn eigen generatie als de eerste die opgroeide zonder godsbesef – hun ouders kregen tenminste nog de fundamenten van het christendom mee in hun opvoeding, al was het alleen maar om deze later als volwassene te verwerpen. Nu leven hun kinderen het leven na God. Zo tegen het einde van het boek vertelt de hoofdpersoon, verdwalend op zijn zoektocht naar iets wat nauwelijks te omschrijven is, over zijn diepste verlangens: ,,Ik zal je mijn geheim vertellen. Ik vertel het met een openheid waarvan ik me afvraag of ik die ooit weer zal bezitten, dus ik hoop dat je op een rustig plekje zit als je dit hoort: mijn geheim is dat ik God nodig heb. Ik ben ziek, ik red het niet langer alleen. Ik heb God nodig om me te helpen geven, want ik kan niet langer geven; om me te helpen om vriendelijk te zijn, want ik ben er niet langer toe in staat; om me te helpen liefhebben, want ik lijk dat niet meer te kunnen.’’
In de afgelopen jaren heb ik predikers en verdedigers van het christelijk geloof dit citaat meermalen horen gebruiken: het is tenslotte een postmoderne verklaring dat God tóch nodig is. Toch vraag ik me af of het belangrijkste punt in dit verhaal is dat Coupland God nodig heeft, of dat het de manier is waarop hij dat uitdrukt.
Net als bij Derek Draper zien we dat hij geen God zoekt die hem vergeeft, de waarheid vertelt of zijn vragen over de wereld beantwoordt. Hij zoekt iemand die hem kan helpen, om te leren geven, om vriendelijk te zijn en om lief te hebben. Een christen zou nu kunnen zeggen dat we dit leren van God, wanneer we gaan zien dat Hij geeft, dat Hij vriendelijk is en dat Hij liefheeft, met een passie die dieper gaat dan we ons ooit kunnen voorstellen. Je kunt de christelijke leer niet scheiden van de christelijke ethiek. Toch wordt de vraag op deze manier gesteld: hij wil deze dingen leren, omdat hij beseft dat ze essentieel zijn voor menselijke groei, en hij zoekt een plaats waar ze te vinden zijn.
Deze drie lessen geven samen de richting aan voor de rest van onze weg. Ze zeggen ons dat de vragen er nog steeds zijn; ze zeggen ons dat de kwaliteit van het kerkelijk leven van groot belang is in het evangelisatiewerk, en ze zeggen ons dat het christelijk geloof, als het een andere agenda geeft, als het een onderscheidende levensstijl kan bieden aan hen die daartoe bereid zijn, op veel mensen grote aantrekkingskracht heeft. Toch moeten we ook eerlijk zijn, en toegeven dat het vaak niet werkt.
De kerk en de spirituele zoektocht
In zowel kerkelijke als niet-kerkelijke kringen is het vandaag een trend om te zeggen dat de interesse voor spiritualiteit weer groeit en niet afneemt, ondanks de voorspelling van complete secularisatie. Boeddhisme, yoga, meditatietechnieken, feng shui en newagetherapieën zijn plotseling acceptabel, en we vinden ze in alle zaterdagbijlagen. De afdelingen religie en spiritualiteit van boekhandels nemen eerder titels op als De spirituele lessen van de Dalai Lama van de Tao of Dalai Lama’s boek van wijsheid, dan de nieuwste theologische uitgaven. De seculieren hebben gelijk: deze spirituele zoektocht leidt niet tot een massale terugkeer naar het christendom. Integendeel, de kerk is vaak de laatste plaats waar mensen die dit soort boeken lezen zouden zoeken naar ware ‘spiritualiteit’. Verondersteld wordt dat twee derde van hen die serieus met new age bezig zijn, de kerk al eens heeft geprobeerd, en ontdekte dat deze niets te bieden had. Het christendom lijkt deel uit te maken van de wereld die achterblijft, en niet van de komende new age.
Als er dan massaal wordt gezocht naar spiritualiteit, hoe kan het dan dat het christendom daar geen baat bij heeft? Er zijn twee voorname redenen te geven.
De eerste is dat grote delen van de christelijke theologie in strijd zijn met het postmodernisme en new age. Christenen geloven dat er iets als waarheid bestaat, en dat die ook gevonden kan worden. Zij geloven dat gedrag objectief als goed of fout beoordeeld kan worden. Wat meer is: het christendom heeft altijd verklaard dat Jezus de ene en enige Heer is van hemel en aarde, en dat is een claim waar de meeste postmodernisten van zouden gruwelen.
Het belangrijkst is misschien wel de tweede reden, namelijk, zoals Nigel McCullogh het zegt: ,,Het probleem dat de kerken moeten onderkennen is niet zozeer dat mensen niet in God geloven, maar dat ze de kerk ongeloofwaardig vinden’’. Er mist iets, iets waarnaar een postmoderne generatie zoekt, maar wat ze niet vindt in het kerkelijk leven.
Jean Beaudrillard schrijft profetische woorden, terwijl hij als zo vaak commentaar geeft bij de manier waarop de postmoderne cultuur wordt gestempeld door het imago van oppervlakkigheid: ,,Geen van onze samenlevingen weet hoe ze haar verlangen naar de werkelijkheid moet vormgeven’’. Het gemis aan diepgang, een gebrek aan realiteit dringt zo diep door in onze cultuur dat niemand nog weet wat echt is en wat niet. Voor Beaudrillard is die heimwee naar realiteitszin een van de sleutelkenmerken van een postmoderne wereld.
Graham Cray, een inzichthebbende commentator van de postmoderne cultuur, verhaalt van een student die, na het zien van een presentatie over de christelijke boodschap, zei: ,,Het lijkt niet echt. Het lijkt wel waar, maar het lijkt niet echt.’’
George Monbiot, auteur van het invloedrijke boek Captive State en sleutelfiguur in de antiglobalisatie-lobby, beschrijft zichzelf als niet-religieus. Toch spreekt hij voor velen wanneer hij zijn redenen geeft voor zijn verwijdering van de kerk: ,,Ik ben grootgebracht met het klassieke middenklasse anglicaanse standpunt. Dat betekent in de praktijk een hoop vorm en weinig functie, en slechts een schijntje geloof. Meegaan in het ritueel van de kerkgang op zondagmorgen, maar het geloof dat je belijdt vooral niet laten meespelen in je dagelijks leven. Deze houding kun je gemakkelijk kwijtraken: het is namelijk echt maar een houding. Wat telt, is wat kerken doen, meer dan wat ze belijden... Ze moeten de goede dingen die ze zeggen combineren met actie.’’
Zet Beaudrillard, de student en George Monbiot naast elkaar, en je vindt nog een reden waarom kerken niet aanspreken. Er is niet zozeer gebrek aan waarheid – binnen de kerk vinden we veel woorden die waarheid claimen te zijn, of waarheid demonstreren – maar er mist een link tussen de woorden die geuit worden en de levensstijl die daaruit voortkomt: er is gebrek aan authenticiteit, aan diepgang, aan verbinding tussen woord, beeld en werkelijkheid.
Botweg gezegd lijkt kerkbezoek soms geen verandering te brengen in de levensstijl van mensen. Als ik naar de kerk ga en mezelf christen noem, maar er geen noemenswaardige veranderingen optreden in de manier waarop ik leef, mijn geld besteed en met mijn tijd omga, dan is het geen verrassing wanneer mijn onchristelijke vrienden niet geïnteresseerd zijn in meer.
Een van de belangrijkste thema’s in dit boek is dat evangelisatie aan dovemansoren gericht zal zijn, tenzij er iets intrigerends, prikkelends of verleidelijks is aan de kerk, de christenen of aan het christelijk geloof. Als kerken geen gevoel van ‘werkelijkheid’ kunnen overbrengen, zal onze ‘waarheid’ niet meetellen. Het helpt niet om nog harder te schreeuwen, als niemand het wil horen.
Kerken moeten prikkelend worden, boeiende plekken die de zoekende, de toevallige bezoeker, doen terugkomen.
Dit mag misschien een pragmatische opmerking over vraag en aanbod lijken. Toch zit er een belangrijke theologische kant aan. Simpel gezegd kan de christelijke God alleen gevonden worden door hen die naar Hem verlangen. Dit punt kan misschien het best verduidelijkt worden met de woorden van de grote zeventiende-eeuwse christelijke apologeet Blaise Pascal.
De God van de filosofen en de God van Jezus Christus
Pascal heeft zijn veertigste verjaardag niet meegemaakt. Hij was een angstige, door ziekte gekwelde en vaak eenzame man die, in een tijd van wetenschappelijke experimenten, feilloos de intellectuele onrust aanvoelde. Op een novemberavond in 1654 onderging hij een diepgaande ontmoeting met God, die een afstandelijk en dor geloof veranderde in pakkend gevoel voor missie en eerbied. Hij stierf acht jaar later, in vrijwillige armoede, en liet wat verspreide papieren achter, die waarschijnlijk bedoeld waren als een grootse christelijke apologetiek. Deze werden vervolgens bijeengeraapt, en door zijn vrienden als de bekende Pensées gepubliceerd: ‘Gedachten over religie en vele andere onderwerpen’.
In deze fragmenten zijn er twee punten die steeds weer gemaakt worden. Het eerste is dat Pascal uitlegt dat we er, vanwege de zondige aard van de mens, naar neigen alleen te geloven wat we willen geloven. Wanneer we niet willen dat iets waar is, dan zijn we erg goed in het bedenken van redenen waarom het dat niet is.
Het tweede is dat God niet een feitje is, dat bewezen wordt met argumenten, en genegeerd als het aangetoond is. Wanneer God een relatie met mensen krijgt, is Hij een zeer gepassioneerde God die ,,zich met hen verenigt, in de diepte van hun ziel… En Hij zorgt ervoor dat er geen andere slotsom is dan Hij.’’ Je hebt óf een persoonlijke ontmoeting met God, óf je hebt niks met Hem. Zij die alleen maar nieuwsgierig zijn, zij die niet echt zo’n God willen en slechts theologische spelletjes spelen, zullen Hem niet vinden. Alleen zij die diep van binnen naar Hem hongeren, die verlangen Hem te kennen, zullen vinden wie ze zoeken.
Voor Pascal is het waarschijnlijk tijdverspilling om iemand met een lijst van argumenten voor het christendom of bewijzen voor geloof te confronteren. Als iemand fundamenteel niet wil geloven, dan is er geen enkel bewijs – en geen enkele bewijstekst – dat hem zal overtuigen. En zelfs als hij overtuigd zou raken, dan zou hij niet in de christelijke God geloven, maar in, zoals Pascal het noemt, ‘de God van de filosofen’. De cruciale factor wanneer je iemand voor het geloof wilt overtuigen is niet om bewijs te presenteren, maar om een diep verlangen naar God in hem op te wekken.
Met andere woorden, wanneer je het christelijk geloof wilt aanprijzen: ,,Maak het aantrekkelijk, laat goede mensen wensen dat het waar was, en laat dan zien dat het waar is.’’ Argumenten zoals die er zijn voor het christendom zullen diegenen overtuigen die hopen dat het waar is, maar nooit hen die dat niet doen.
Pascal zal misschien hebben gedacht dat veel van onze pogingen tot evangelisatie verkeerd starten. Ik ben op vele evangelisatiecursussen geweest (ik heb er zelfs geleid!) waar veel tijd geïnvesteerd werd om christenen te overtuigen dat ze veel moeilijke vragen moesten kunnen beantwoorden. Vragen als: ‘Waarom staat God het lijden toe?’ en ‘Leiden andere religies niet ook naar God?’ Nu zijn dit belangrijke vragen, zeker ook om over na te denken; tenslotte piekeren christenen ook, en niet alleen onze ongelovige vrienden. Ook zijn er evangelisatiecursussen waarbij de focus ligt op het aanleren van een heldere ‘evangelisatiepresentatie’ die je aan mensen kunt uitleggen, niet zelden gepaard gaand met diagrammetjes op de achterkant van een envelop. Dit zijn in zichzelf natuurlijk goede dingen, die christenen de basics van het geloof laten begrijpen, en deze soms helpen uitleggen.
Toch moeten we een stap eerder beginnen. Het is niet van belang om maar harder te schreeuwen, of om het allemaal nog iets duidelijker uit te leggen. De werkelijkheid is dat het in de eenentwintigste eeuw niet zo werkt als in de zeventiende eeuw. Pascals punt is dat er, voordat we de stap naar uitleg of overtuigen nemen, in mensen verlangen moet groeien, een vraag, honger naar meer, om God te vinden. Nu was Pascal, net als de grote Augustinus voor hem, ervan overtuigd dat alleen God dat doet, dat alleen God het hart aanraakt en het doet verlangen naar Hem; toch wist hij ook dat God vaak mensen gebruikt, zoals hemzelf en ons, om dat verlangen op te wekken.
Het verlangen naar God opwekken
Als dit allemaal ook maar enigszins waar is, is de eerste stap van de kerk naar haar onchristelijke buren niet de vraag ‘Hoe kunnen we hen overtuigen dat het waar is?’ maar ‘Hoe kunnen we hen naar meer doen verlangen?’ Dit brengt vragen mee over persoonlijke levensstijl: ‘Hoe anders zijn mijn waarden, mijn huis en mijn gedrag van die van mijn onchristelijke buren en vrienden? Is er iets wat hen aanzet tot de vraag naar meer, wat hen doet verlangen naar wat ik heb?’
Dit vraagt ook frank en vrije bevraging van de levensstijl van de kerk: ‘Is onze kerk gewoon een zoveelste clubje van gelijkgestemden die zingen, religiositeit en preken waarderen? Of is er iets in het leven of de godsdienst van de kerk wat een naar binnen kijkende voorbijganger doet verlangen naar wat we hebben?’
Een evangeliserende levensstijl is er dan simpelweg een die anderen aan het denken zet. Een die een klein beetje verlangen opwekt om te ontdekken wat het is wat het verschil maakt.
En dit kun je niet alleen doen. Een levensstijl volhouden die verschilt van de cultuur om je heen is een eenzame taak. Die kan niet lang volgehouden worden zonder de sterke steun van andere mensen die zich toeleggen op deze manier van leven. Het verhaal van Derek Draper leert ons dat wanneer de kerkt leeft uit een andere wijsheid, en deze ook tentoonspreidt, God zelfs zoiets kleins als een preek kan gebruiken om angst te overwinnen, en fluorescerende sneakers om het verlangen naar Hemzelf te bewerkstelligen.
Met andere woorden: een gemeenschap van mensen die leven volgens Gods wegen, die heeft geleerd om liefde, nederigheid, meeleven, vergevingsgezindheid en eerlijkheid in het centrum te zetten, zal mensen laten nadenken. Weer anders gezegd: een kerk die haar leven leeft onder het koningschap van God kan niet anders dan vragen opwekken. En wanneer dat gebeurt, is het tijd voor evangelisatie. Dat is het moment voor de eenvoudige uitleg van het goede nieuws van Jezus Christus.
Uit: Graham Tomlin, 'Een kerk die prikkelt - Uitdaging om provocerend gemeente te zijn', Uitgeverij Kok, Kampen 2008. Dit boek ligt half april in de boekhandel (in het aprilnummer en het juninummer van CV•Koers vindt u een bon, waarmee u enkele euro’s korting krijgt op dit boek).
In het archief van CV•Koers vindt u ook het tweede hoofdstuk van 'Een kerk die prikkelt' (klik hier).
Dit artikel is alleen in de interneteditie van CV•Koers verschenen.
In het archief van CV•Koers vindt u ook het tweede hoofdstuk van 'Een kerk die prikkelt' (klik hier).
Dit artikel is alleen in de interneteditie van CV•Koers verschenen.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier De missionaire gemeente
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
