forum
"Geen CU meer in het kabinet. Geloof en macht gaan niet samen"
Mee eens
Niet mee eens
Geen mening
Stem
Vorige forums
Juist als minderheid kan de kerk een smaakmaker zijn

Een snufje zout


kaders:
Voortschrijdende ontkerkelijking
Nieuwe vormen van kerk-zijn
Macht of marge?
De vanzelfsprekende macht van het Europese christendom is verleden tijd. De kerk is naar de marge verschoven, ook in Nederland - zoals het recente SCP-rapport laat zien. En misschien is dat niet alleen maar negatief. Ontkerkelijking daagt christenen uit om de smaakmakers te worden die ze vaak niet geweest zijn.

Door Stefan Paas


Een snufje zout ,,Het lijkt erop dat iets is gebeurd dat nooit tevoren is gebeurd, al weten we niet wanneer of waarom of hoe of waar. Mensen hebben God verlaten, niet voor andere goden, zeggen ze, maar voor geen god. Zoiets is nooit eerder gebeurd.’’ De Engelse dichter T.S. Elliot nam al in 1934 waar dat er in Europa iets ongehoords aan de hand was. Langzaam maar zeker raakte een continent zijn geloof kwijt. In dat jaar was Nederland overigens nog één van de meest kerkse landen van de wereld en dat zou zo blijven tot in de jaren zestig.
Maar daarna begon ook hier het proces waarvan niemand precies het wanneer, het waarom, het hoe of het waar kan aangeven. Alle onderzoeken naar godsdienstige veranderingen in Nederland van de laatste decennia zijn in twee stellingen samen te vatten:
 De betrokkenheid bij kerken en hun activiteiten en het geloof in de God van de Bijbel nemen voortdurend af.
 De mate waarin mensen zichzelf als ‘religieus’ beschouwen, blijft ongeveer gelijk.
In dit artikel wil ik eerst deze ontwikkelingen in een groter kader zetten. Hoe kunnen we als christenen aankijken tegen de afkalving van het christendom in Nederland? Daarna kijken we voorzichtig naar de toekomst. Wat betekenen deze ontwikkelingen voor de kerken en voor zending in de 21e eeuw?
 
Afscheid van de macht
Van een nationale identiteit is het christendom veranderd in een subcultuur. Dat is de realiteit waarmee Nederlandse kerken te maken hebben. En niet alleen zij: in heel Europa zien we hetzelfde verschijnsel. Missionair gezien betekent dit dat zending en evangelisatie voor het eerst in de Europese geschiedenis moet gebeuren zonder sympathie van de regerende machten. De grote zendingsbewegingen in deze contreien - de kerstening onder de Franken, de ‘inwendige zending’ van de Reformatie en de verkerkelijking van het volk in de 19e eeuw - konden altijd rekenen op steun van de powers that be.
Sinds keizer Constantijn (312 A.D.) was het christelijk geloof de morele bron en politieke legitimatie van de westerse samenlevingen. Vanuit de marge was het christelijk geloof terechtgekomen in het centrum van de macht, waar het meer dan 1500 jaar niet weg te denken was. Wij zijn nu getuigen van de omgekeerde beweging. Aan een duizendjarig christelijk rijk - geenszins een vrederijk - is een eind gekomen.
In de Angelsaksische wereld wordt momenteel een boeiend theologisch debat gevoerd over dit afscheid van een tijd waarin het christendom machtig en bevoorrecht was. Opmerkelijk is het dat dit debat wordt aangejaagd door vertegenwoordigers van kerken die altijd aan de rand van de samenleving hebben gestaan. Denk aan de dopers, in Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis afgeschilderd als gevaarlijke onruststokers. Na hun roerige kindertijd in het eerste kwart van de 16e eeuw ontwikkelden zij zich tot vredelievende gemeenschappen, die later grotendeels uitweken naar de uithoeken van de toen bekende wereld. Eeuwenlang werden zij genegeerd en vervolgd door christelijke regeringen. Nu de band tussen kerk en staat bijna overal is doorgesneden, beginnen de dopers zich weer te laten horen.
Het valt niet te ontkennen dat deze kerken veel ervaring hebben opgedaan met leven en theologiseren in de marge van de macht. In de VS laat een theoloog als Stanley Hauerwas en een beweging als Missional Church zich door hen inspireren. Hetzelfde zien we in Engeland met een missionaire denker als Stuart Murray en het Anabaptist Network. In Nederland is de aandacht voor dit denken nog gering, al komt daar verandering in.
 
In dit debat worden ongemakkelijke vragen gesteld. Wat betekent de geschiedenis van gewelddadige evangelisatie in Europa, de kruistochten, de inquisitie, kolonisatie, slavenhandel, apartheid en dergelijke voor ons getuigenis hier en nu? Waarom koesteren veel christenen ook vandaag bepaalde voorrechten uit het verleden die getuigen van de machtige positie die het christendom voorheen innam? Moeten we zo blij zijn met Koninginnedag op zaterdag voor het hele volk, omdat christenen de zondag als heilig beschouwen? Wat geeft ons het recht om te verlangen dat de overheid zich inspant voor de vrije zondag? Is het christelijk geloof niet per definitie een minderheidsgeloof?
Waarom is het leven van Jezus op aarde altijd zo weggedrukt uit onze theologieën en geloofs­belij­denissen? Kon een kerk die zich tegen de macht aan had genesteld en die in deze wereld maar al te thuis was, wel overweg met haar Heer, die een vreemdeling was, arm en vervolgd, die niet terugschold als Hij werd uitgescholden? Waarop baseren christenen die oproepen tot strijdbaarheid en protest, eigenlijk hun oproepen? Moeten we ons dit land niet laten afpakken door de seculieren en moslims, zoals ik eens heb horen zeggen? Was het land dan van ons? En als kerken onze regering en ons volk oproepen om ‘terug te keren naar Gods Woord’, bedoelen zij dan dat Nederland daar vroeger zoveel dichter bij leefde dan nu? Is dat niet een erg selectieve lezing van de geschiedenis?
Wat we ook mogen vinden van zulke vragen, ze moeten wel gesteld worden en serieus beantwoord. We kunnen ons er niet meer van afmaken. In die zin biedt onze tijd een aantal unieke mogelijkheden. Wij worden nu gedwongen om te onderzoeken wat werkelijk christelijk is in ons kerk-zijn en christen-zijn. Zoals vroeger zal het nooit meer worden en dat is echt niet alleen maar verlies. Onze tijd van ballingschap en groeiend vreemdelingschap geeft ons de kans om te leven en te denken vanuit de rand. In de Bijbel zien we dat God juist daar werkt - aan de randen van de samenleving. Immers, de ‘heersers van deze eeuw’ hebben Hem niet gekend. Waarom zouden wij er dan van moeten dromen om (opnieuw) zulke heersers te worden? Ik geloof dat God zijn kerk bij uitstek onderwijst in de weg van het kruis. En Luther zei al dat wij het kruis alleen begrijpen, wanneer wij ons eigen kruis dragen. Wat kan dit betekenen voor de kerk vandaag?
 
Gettomentaliteit
Ongeveer 40 procent van de Nederlanders is nog kerklid en van hen bezoekt ongeveer een derde geregeld een kerkdienst. Het recente rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP, zie ook kader) verwacht dat rond 2020 nog ongeveer 20 procent van de Nederlanders aangesloten zal zijn bij een kerk (10 procent RKK, 4 procent PKN en 7 procent overige). Dit laatste cijfer baseert men op de kerkelijkheid van de jongeren. Bij de jongste generaties lijkt de ontkerkelijking tot stilstand te komen en men neemt aan dat dit zo zal blijven.
Wat betekent deze ontwikkeling nu voor christenen? Het SCP signaleert twee interessante trends:
 
 In de eerste plaats worden christenen globaal gesproken orthodoxer, vooral door selectie.
Vrijzinnige kerken zijn nu al sterk vergrijsd en zullen binnen een jaar of tien à vijftien verdwenen zijn. De orthodoxie van de overblijvenden is vrij stevig. Het geloof in het letterlijke bestaan van Adam en Eva neemt bijvoorbeeld onder de jongste kerkleden (geboren na 1988) weer iets toe. Het geloof in wonderen stijgt zelfs met sprongen, zowel onder kerkelijken als onder buitenkerkelijken. En ook hier betreft het vooral de jongeren. Kortom: kerkleden van de toekomst zijn behoudend, meestal met een charismatische tik. De verschillen in de Nederlandse kerken zullen waarschijnlijk veel minder lopen langs de lijnen van orthodoxie en vrijzinnigheid. De verschillen zullen liggen binnen de orthodoxie en bepaald worden door het belang dat christenen hechten aan wonderen, gaven en tekenen.
 
 In de tweede plaats klonteren christenen steeds meer samen.
Het lijkt erop dat plaatsen van rond de 50.000 inwoners de christelijke bolwerken van de toekomst worden. Verklaringen liggen niet ver weg. In zulke plaatsen is het bijvoorbeeld gemakkelijker om christelijk onderwijs in stand te houden. De buurman zal er niet zo snel een boormachine pakken op zondag. Veel winkels blijven gesloten als christenen naar de kerk gaan. Praiseavonden zijn volgepakt. Het gevolg van deze trend is wel dat buiten de bijbelgordel in de toekomst nog maar heel weinig christenen te vinden zullen zijn. Dit zal het onbegrip voor het christelijk geloof nog groter maken bij massa’s mensen die nooit een christen tegenkomen. Voor christenen die voor werk of studie naar de grote stad moeten, zal het ook moeilijker worden een gemeente te vinden.
 
Orthodoxe christenen die zo veel mogelijk tegen elkaar aankruipen, ziedaar - ietwat gechargeerd - het beeld van de toekomst. Wat betekent dit? Naar mijn gevoel betekent het dat Nederlandse christenen maar moeilijk afscheid kunnen nemen van een mindset waarin zij de meerderheid vormen in de samenleving. Gettovorming en een gettomentaliteit helpen ons om onszelf zo lang mogelijk sterk en bevoorrecht te blijven voelen. Ik wil daarover niet oordelen; ons verlangen naar veiligheid is heel menselijk. Maar het is een illusie als we denken zo de wereld op een afstand te kunnen houden.
Plaatsen als Barneveld, Bunschoten en Barendrecht bieden echt niet méér garantie op kinderen die bij de kerk blijven. Het grote afhaken komt ook daar op gang. Zolang steeds nieuwe gezinnen binnenstromen en er nog veel kinderen worden geboren, kunnen we maskeren dat kerken in zulke plaatsen de bevolkingsgroei niet bijhouden. Immers, op zondag zit de kerk nog vol. Maar veertig jaar geleden was dat overal zo en dat heeft ook niet geholpen.
Het is begrijpelijk dat christenen blijven vertrouwen op aantallen en kracht. Maar het is niet christelijk. Voor een christendom dat echt zout is in de samenleving, is het enorm belangrijk dat christenen zich meer verspreiden over Nederland en in allerlei plaatsen gemeenschappen vormen. Dat hoeft niet per se in een stad te zijn, want ook uit de dorpen trekken christenen weg. Dat het christendom in Nederland orthodoxer wordt, kan een mooie voedingsbodem vormen voor meer missionaire bevlogenheid. Maar dan moeten we wel uit onze kastelen komen.
 
Religieuze omnivoren
Hoe belangrijk het ook is dat christenen hun orthodoxie verbinden met een onbevreesde houding, het is niet genoeg. Afscheid nemen van de macht betekent ook dat we opnieuw ingangen moeten vinden in een totaal veranderd religieus klimaat. Het SCP wijst erop dat veel Nederlanders, ook veel buitenkerkelijken, zichzelf als ‘religieus’ beschouwen. Maar hun religie is wel een andere dan die van kerkmensen. De laatsten noemen zich ‘religieus’ als de christelijke traditie en kerkgang erg belangrijk voor hen zijn. Maar voor veel buitenkerkelijken en randkerkelijken is dat heel anders: zij zijn religieuze omnivoren. Zij kunnen van alles uit verschillende religies en levensbeschouwingen aan elkaar verbinden - reïncarnatie, gebedsgenezing, geloof in de hemel, kaarsjes branden, yoga enzovoort.
Vanuit het klassieke christelijk geloof bekeken lijkt zo’n levensbeschouwing vaak een onlogische potpourri. Maar als we deze alleseters beschouwen als aanhangers van een nieuwe religie - het ‘postchristelijk zelfisme’ - zien we de eenheid in dit geheel. Min of meer onder de radar van de kerk heeft deze godsdienst zich sinds de jaren zeventig ontwikkeld. Centraal staat niet een traditie of heilig boek, maar de eigen zelfontplooiing. Alles wat mensen helpt om zichzelf dieper te ervaren en de eigen zoektocht creatiever te beleven, kan opgenomen worden in hun levensbeschouwelijke bagage.
Of deze houding aanknopingspunten biedt voor evangelisatie, weet ik nog niet zo goed. In elk geval lijkt het me belangrijk dat we haar niet benaderen als ‘een restje christelijk, met nog wat andere ingrediënten’. Postchristelijk zelfisme is het nieuwe volksgeloof en het is werkelijk een heel andere godsdienst dan de godsdiensten die we kennen. Het heeft een eigen organiserend centrum, een eigen ethiek en eigen rituelen. We moeten proberen deze godsdienst te begrijpen, voordat we het christelijk geloof kunnen vertalen naar de levenswereld van moderne Nederlanders. We zullen moeten zoeken naar manieren van kerk-zijn waarin postchristelijke zelfisten hun eigen cultuur leren zien vanuit het Evangelie. Onmogelijk is dat niet. Hoe mondjesmaat ook, anno 2006 komen niet-christelijke Nederlanders tot een levend geloof in Christus. Wel geloof ik dat de kerken al hun creativiteit nodig zullen hebben en dat zij ruim baan moeten geven aan missionaire experimenten.
 
Experimenteren
Over creativiteit gesproken: in het kerkelijk landschap zullen, als ik me niet vergis, twee vitale tendensen te zien zijn. De een zorgt voor gewicht en de ander voor beweging.
Enerzijds zal de lijn van de traditionele kerk of evangelische gemeente, waarin niet zo heel veel verandert, het vast nog een hele tijd volhouden. Ik hoop dat ook, omdat zulke kerken erg belangrijk zijn voor de vitaliteit van de hele kerk. Zij zijn sterk in het bewaren en overleveren van de traditie, in het vormen van jonge mensen, het bevorderen van de ‘vreze des Heren’ en in het krijgen van kinderen. Dat laatste bedoel ik niet denigrerend. Afnemende gezinsgrootte is één van de belangrijkste oorzaken van krimp in de kerk. Kerken die erin slagen een traditioneel levenspatroon met grote gezinnen te beschermen en te voeden, werken mee aan de toekomst van een vitale christelijke kerk in Nederland. Maar zulke kerken zijn veel minder goed in vernieuwing en het leggen van contact met de seculiere samenleving.
Daarom geloof ik dat ook een ander centrum van vitaliteit nodig is. Dat zie ik momenteel tot ontwikkeling komen in allerlei kerkvernieuwings- en gemeentestichtings­projecten. Waar het in bestaande kerken doorgaans draait om de (op zich legitieme) vraag ‘hoe houden we mensen binnen?’, is de vraag ‘hoe krijgen we mensen binnen?’ juist in zulke nieuwe kerkvormen erg belangrijk. Het verlaten van veilige kaders dwingt zulke projecten en nieuwe kerken tot creativiteit en vernieuwing, omdat zij anders geen maand zouden bestaan. Zij vormen daarmee de research & development-afdeling van de kerk. Ik zou daarom kerkverbanden - in het bijzonder de PKN - willen adviseren om maximale ruimte te geven aan zulke ‘experimentele’ projecten en mild te zijn in de evaluatie ervan. We hebben in de kerk niet alleen herders en leraars nodig, maar ook ondernemers. Juist in dergelijke projecten komen zulke vormen van leiderschap tot bloei.
 
Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Jullie zijn het zout der aarde.’ Hij waarschuwde dat het zout niet smakeloos mocht worden. Misschien werkte de positie van het christelijk geloof als machtige meerderheidsreligie die smakeloosheid wel in de hand. Had het christendom nog een eigen smaak, te onderscheiden van de westerse cultuur? Maar juist wanneer we weer een minderheid zijn, kunnen we op smaak komen. Als het hele gerecht zout is, is het oneetbaar. Zout hoort een snufje te zijn in een gerecht. Het is per definitie een ‘minderheid’. Als minderheid kunnen christenen opnieuw hun roeping vinden. Wie weet kunnen zij op die manier meer smaak geven aan Nederland dan ooit tevoren.



Dit artikel maakt deel uit van het dossier De missionaire gemeente

Dit artikel is verschenen in CV·Koers november 2006

Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel



Over CV-KoersAdverterenNieuwsbriefAbonnee wordenContact
© CV·Koers 2010

Inloggen:
e-mailadres:
wachtwoord:
In den beginne
De multiculturele samenleving
Crisis in de economie
Evangelie en gnostiek