forum
"Een Paars kabinet is geen drama"
Mee eens
Niet mee eens
Geen mening
Stem
Vorige forums
De metamorfose van de kerk (deel 3)

De stadskerk als toekomstperspectief


Onze samenleving verandert en kerken veranderen mee. Wat zijn de mogelijkheden en gevaren? Evert Jan Ouweneel schetst in een drieluik de metamorfose van de kerk. In dit derde deel: de stadskerk als wenkend toekomstperspectief.

Door Evert Jan Ouweneel


De stadskerk als toekomstperspectief Het eerste artikel (klik hier) was gewijd aan het succes van megakerken, het tweede (klik hier) aan de opmars van het netwerk-christendom. Laten we even de balans opmaken, alvorens ons te wagen aan de beschrijving van een ‘win-win kerk’ die het goede van beide in zich verenigt. Over welke maatschappelijke ontwikkelingen ging het in de vorige twee artikelen, en op welke wijze beïnvloeden zij het westerse protestantse christendom?
• Het succes van de megakerken. Megakerken hebben zich aangepast aan onze mobiele samenleving, waarin burgers (inclusief christenen) niet meer vanzelfsprekend lid zijn van een gemeenschap of organisatie, maar eisen stellen en loyaal blijven zolang aan die eisen wordt voldaan. Megakerken houden rekening met deze wensen en behoeften en groeien als kool. Hun groei blijkt echter ook hun zwakte te zijn. Want hoe groter zij worden, hoe meer zij alleen nog dankzij rigide gezags- en organisatiestructuren kunnen functioneren en gemakkelijk industriële bolwerken in een post-industriële samenleving worden. Met daarbij natuurlijk het gevaar van consumentisme.
• De opmars van het netwerk-christendom. Ook veel kleinere kerken proberen een meer ‘vraaggestuurde’ organisatie te zijn. Dikwijls blijven zij echter steken in de middelmatigheid en zelfgerichtheid vanwege een tekort aan kwaliteiten en middelen. Juist in zulke gevallen vormt het hiërarchisch georganiseerde kerkinstituut een schril contrast met onze post-industriële netwerk-samenleving. Steeds minder christenen kunnen zich vinden in een institutionele houding van onderwerping en loyaliteit; zij verkiezen een netwerk-christendom dat berust op gedeelde bewogenheid en samen­werking op gelijk niveau, een netwerk waarin ieder gezaghebbend is op eigen terrein en leiders alleen de boel bij elkaar dienen te houden. Sommigen van deze kerkverlaters hervinden elkaar in een huisgemeente, anderen in buitenkerkelijke ontmoetingsplaatsen, projecten en samenwerkingsverbanden. Dit veel kruimeliger karakter van het netwerk-christendom blijkt echter ook de zwakte ervan, want aanhoudend liggen opportunisme, egalitarisme en fragmentarisme op de loer.
 
‘Onderzoek alles, behoud het goede’, schrijft Paulus. Welaan dan, de ‘win-win kerk’ van de toekomst, zoals ik die voor mij zie en waarop ik mijn hoop gevestigd heb, lijkt én op de megakerk, én op de huisgemeente, én op het netwerk-christendom. Megakerken tonen ons de kracht van breed denken, goed organiseren en doelgerichtheid. Huisgemeenten (kringen, celgroepen, e.d.) tonen ons de kracht van organisch samenzijn, van flexibiliteit en intimiteit. Netwerken tonen ons de kracht van gedeelde bewogenheid en respect voor ieders deskundigheid. Hoe valt dit alles te combineren? En hoe ontlopen wij de gevaren die deze uitingsvormen met zich meebrengen? Graag doe ik hier een suggestie, waarbij ik mij beperk tot de westerse protestantse kerken.
 
Stadskerk
Vanouds vormen denominaties de kerkelijke eenheden waarin wordt gedacht. De kerk van de toekomst denkt, naar ik hoop, geografisch. Kerkeenheden worden dan bepaald door de grenzen van een burgerlijke gemeente of regio. Zoals Paulus zijn brieven aan dé gemeente in Korinthe schreef, zo moet men zich in de toekomst kunnen richten tot dé stadskerk van Utrecht, Den Helder of Zierikzee.
Met de term ‘stadskerk’ drukken christenen dan niet uit, dat iedereen hetzelfde denkt of op zondag in hetzelfde gebouw samenkomt, maar dat de ‘oecumene van het hart’ voor hen aanmerkelijk zwaarder weegt dan welk verschil in vorm of inhoud ook. Al is de stadskerk nog zo’n bonte verzameling van mensen, ideeën en verbanden, alle deelnemers zien zich met elkaar verbonden in de ene navolging van Christus. Deze eendracht en gedeelde gedrevenheid, deze vorm van samen-zijn, zal naar ik hoop voor plaatselijke christenen meer dan wat ook het ‘kerkelijk leven’ bepalen.
Net als in megakerken dient het verschijnsel ‘stadskerk’ zover te worden opgerekt, dat het alle menselijke activiteiten kan omvatten en in vele noden kan voorzien. In tegenstelling tot megakerken dienen stadskerken echter zo min mogelijk als organisatie en zo veel mogelijk als netwerk te functioneren. Stadskerken moeten vooral niet de flessehals van het ‘kerkelijk leven’ worden, doordat alles moet passen binnen de uitgewerkte visie van een paar stadskerkleiders. Niets daarvan. Alles wat onder christenen beschikbaar is aan gaven, talenten, vurigheid en heilige verontwaardiging, moet vrijelijk kunnen worden uitgeleefd. Slechts één visie wordt gedeeld door allen die tot een stadskerk behoren: het navolgen van Christus en het bevorderen en behouden van de onderlinge eenheid en samenwerking. Deze visie is bewust zo algemeen, dat zij nog nadere invulling behoeft. En precies deze invulling mag niet komen van de stadskerkleiding, maar moet volledig afhankelijk blijven van wat er leeft onder christenen, van wat zich aandient, van wat ‘de Geest aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil’ (1 Kor. 12:11).
Zeker is er leiderschap nodig op stadsniveau: als mensen zich in de toekomst kunnen richten tot dé kerk van Amsterdam of Enschede, dan vereist dat de aanwezigheid van leiders die als vertegenwoordiger functioneren. Bovendien zijn er ‘bestuurders’ nodig die (niet de koers bepalen maar) de kerk óp koers houden, namelijk de koers van eenheid en samenwerking. En hopelijk vallen zij niet in de verleiding om door charisma en retoriek de zaak alsnog in beweging te krijgen, wanneer het christelijk leven (de gedrevenheid en saamhorigheid) uit de stad is verdwenen. Hopelijk laten zij de dode beenderen dan voor wat zij zijn en rekenen zij het tot de zegeningen van onze tijd, dat dode kerken ook dode kerken blijken te zijn. Een stadskerk moet louter bij de gratie van beschikbaar leven en gedeelde bewogenheid bestaan. Het alternatief is leidersverheerlijking en veel gevallen van teleurstelling en burn-out.
 
Organisaties
Een netwerk wordt gekenmerkt door onderlinge verbondenheid, een organisatie door onderlinge taakverdeling. Een organisatie is ook een netwerk, maar een netwerk is nog geen organisatie. Pas als een netwerk aan concrete taakverdeling gaat doen, wordt het een organisatie. En worden er taken verdeeld, dan zullen medewerkers enige gehoorzaamheid en loyaliteit tegenover hun leiders moeten betrachten. (Dit laatste is een hele uitdaging voor de organisch denkende netwerk-christen van vandaag. Het gevaar van egalitarisme ligt hier op de loer.)
Een stadskerk zal zeker ook als organisatie functioneren, maar moet dit tot het minimum beperken. Coördineren betekent in een stadskerk zo min mogelijk ‘taken verdelen’ en zo veel mogelijk informeren. Dat wil zeggen: zo veel mogelijk de eenheid en samenwerking bevorderen door aan te geven op welke gebieden christenen nog weinig actief zijn, langs elkaar heen werken of elkaar tegenwerken. Wordt er op stadsniveau toch een activiteit met taakverdeling ontplooid, dan moet dit – als het even kan – in een afzonderlijke organisatie worden ondergebracht.
Ik moet hier denken aan de wijze waarop Stichting GIDSnetwerk (kortweg: GIDS) op dit moment al functioneert. Zij is een christelijke netwerkorganisatie met als doelstelling het verenigen van leiders (uit vele geledingen: politiek, bedrijfsleven, kerken, zorg, kunst, onderwijs en wetenschap) die in de lokale samen­leving kansen kunnen benutten en problemen kunnen aanpakken. Op haar website www.gidsnetwerk.nl presenteert GIDS zich als een organisatie die nadrukkelijk niet wil concurreren met welke andere organisatie dan ook, maar alleen wil voorkomen dat lokale initiatieven niet tot stand komen doordat leiders niet verenigd zijn. GIDS wil dus niet zélf van alles organiseren, maar vanuit een christelijk-sociale bewogenheid bevorderen dat bestaande organisaties hun krachten bundelen en volle potentie benutten. Daarbij denkt zij enerzijds aan praktische daadkracht (dingen gedaan krijgen), anderzijds aan de kracht van “eendrachtig gebed”. De leiders van GIDS zien voor zichzelf niet zozeer een taakverdelende rol weggelegd, maar vooral een verbindende, informerende, adviserende, verbindende en bemiddelende rol. Dit alles maakt, dat GIDS (afgezien van haar specifieke doelstelling) een goede indruk geeft van wat wij ons bij een stadskerk kunnen voorstellen. Stadskerken verbinden op stadsniveau al diegenen die de navolging van Christus op een concrete wijze gestalte willen geven.
Net zoals het aantal parttime ondernemers in onze Nederlandse samenleving flink is gestegen (de afgelopen drie jaar met 25%), zullen ook steeds meer christenen de inzet van hun gaven en talenten niet meer willen beperken tot het kerkinstituut waartoe zij behoren. Zij zullen hun ‘diensten’ veel breder willen aanbieden, aan wie daar maar gebruik van wil maken. De stadskerk van de toekomst zal, naar ik hoop, het netwerk vormen dat al deze kwaliteiten en activiteiten verenigt en naar buiten toe als de plaatselijke uitdrukking van het ene Lichaam van Christus presenteert.
Het netwerk zal even onoverzichtelijk zijn als onze netwerk-samenleving. De roep om ‘sterke leiders met een heldere visie’ zal dan ook aanhoudend worden gehoord. Stadskerkleiders zullen die verleiding moeten weerstaan. De veelkleurigheid, flexibiliteit en kruimeligheid van het stedelijk netwerk is juist een bron van creativiteit en nieuwe wegen van de Geest. Wie meer zekerheid en orde wil, moet zich maar aansluiten bij een instituut of organisatie die hem die zekerheid en orde verschaft. Maar niet op stadsniveau. Stadskerken zullen, naar ik hoop, wel in de breedte maar niet in de hoogte op megakerken lijken.
Wat dan te denken van de bestaande megakerken? Ik hoop van harte dat het leven daarin (de bewogenheid, breedte, creativiteit en onderlinge verbondenheid) behouden blijft. Anderzijds hoop ik, dat megakerken zichzelf als ‘industriële’ bolwerken zullen omvormen tot een netwerk van zelfstandige organisaties en gemeenschappen. Het zou dan kunnen gebeuren dat de massabijeenkomsten gewoon doorgang vinden, maar voortaan georganiseerd worden door een veel kleinere, speciaal daarvoor in het leven geroepen evenementen-­organisatie. Het zou ook kunnen gebeuren dat de kleine kringen waarin deze megakerken hebben geïnvesteerd, blijven voortbestaan en een onderling netwerk vormen op stadsniveau, gecoördineerd door een veel kleinere, speciaal daarvoor in het leven geroepen bemiddelingsorganisatie.
Zo hoop ik ook, dat de facilitaire capaciteiten van veel megakerken behouden zullen blijven en juist de bóvenstedelijke ontmoetingen tussen christenen mogelijk zullen maken. Juist op provinciaal, nationaal en internationaal zullen deze ‘facilitaire reuzen’ dan de eenheid en samenwerking onder christenen kunnen bevorderen en behouden.
 
Gemeenschappen
In zijn boek Revolution (2005) voorspelt de bekende kerk-statisticus George Barna dat ook in de Verenigde Staten de ontkerkelijking zal toeslaan. Op dit moment gaat nog 70% van de Amerikaanse christenen op zondagochtend naar de kerk. Volgens Barna zal dat in 2025 nog maar 30-35% zijn. Een andere 30-35% zal tegen die tijd actief zijn in groeperingen die samenkomen in huiskamers, op “marktplaatsen” of op het internet. Nog weer 30-35% zal in de sfeer van media, kunst en cultuur zijn geloof beleven, en zo’n 5% zal dit alleen in familiekring doen.
Wat de waarde van deze voorspelling ook mag zijn, het is nu al duidelijk dat kerk-zijn door steeds meer christenen wordt losgekoppeld van kerk-bezoek (in de traditionele zin). Als dit verlies van oude kerkbanden niet gecompenseerd wordt met andere vormen van verbondenheid, kunnen christenen in de onverschilligheid en eenzaamheid belanden. Het christendom wordt dan een eilandenrijk van individuen en gezinnen die niets met elkaar te maken hebben, behalve wanneer zij gezamenlijk een evenement bijwonen of aan een gezamenlijk project deelnemen. Een stadskerk dat steeds meer buitenkerkelijke christenen bevat, zal nieuwe wegen moeten bewandelen waarlangs christenen zich kunnen inspannen om ‘door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest [ons] geeft’ (Ef. 4:3).
Ik beschouw het dan ook als een waar Godsgeschenk, dat steeds meer individuele christenen en traditionele kerken investeren in kleinschalige, informele, organische verbanden (huisgemeenten, kringen, celgroepen, of hoe ze ook maar worden genoemd), waarin leden van het Lichaam van Christus leren het gemeenschappelijke te vieren en het individuele te vijlen. Als nooit tevoren zullen deze kringen dé levensaders van het christelijke geloofs- en gemeenschapsleven blijken te zijn. Het is goed mogelijk, dat terwijl een kerkgebouw allang is omgebouwd tot appartementencomplex en de bijbehorende kerkorganisatie allang is ‘opgelost’ in het stedelijk netwerk van bedieningen en organisaties, de kleine kringen uit die kerk nog altijd springlevend zijn.
Kringen mogen echter niet tevéél op zichzelf komen te staan. Het kleinschalige moet weer worden teruggebracht tot het grootschalige: kringen moeten herhaaldelijk elkaar opzoeken in grotere samenkomsten (in een theaterzaal, stadion of traditioneel kerkinstituut, maakt niet uit), zodat herhaaldelijk wordt beseft hoezeer alle gelovigen bij elkaar horen en elkaar aanvullen als leden van één Lichaam.
 
Slot
Er is sprake van een merkwaardige tweedeling onder westerse christenen: terwijl een groot deel zich vergaapt aan het succes van allerlei megakerken in de wereld, moet een ander groot deel juist niets meer hebben van welk kerkinstituut dan ook. Wat heeft de toekomst? Sluiten beide bewegingen elkaar uit? Nee, niet zolang wij álle christenen, binnen en buiten het kerkinstituut, weer verenigd zien in één netwerk genaamd de stadskerk. Het lijkt dan misschien alsof het netwerk-christendom alsnog gewonnen heeft, maar megakerken zullen ook in de toekomst inspirerende voorbeelden blijven van kwaliteit, maatwerk, doelgerichtheid en bekwaam management. Zij tonen ons de kracht van goed organiseren. Ik hoop echter, dat de kerk van de toekomst niet zozeer gekenmerkt wordt door organistorische kracht, maar vooral door de kracht van Gods Geest en de kracht van eenheid en samenwerking in verscheidenheid. Om déze kracht zo min mogelijk in de weg te staan, dient er op stadsniveau sprake te zijn van een zo breed mogelijke visie en een netwerk dat geheel afhankelijk is van wat er leeft onder christenen, en van gedeelde bewogenheid.
Het zal voor menigeen even wennen zijn, dat hier in zulke algemene bewoordingen over het verschijnsel ‘kerk’ wordt gesproken: geen geloofsbelijdenis, geen kerkorde, alleen de wil tot eenheid en samenwerking vanuit de ene navolging van Christus. Wordt zo niet alles en iedereen wat al te gemakkelijk meegerekend? Kan de stadskerk niet wat specifieker worden aangeduid, zodat ‘kwade praktijken’ en ‘valse leringen’ worden uitgesloten?
Ik wil niet ontkennen dat dit een delicaat onderwerp is dat meer aandacht verdient dan het hier krijgt. In dit artikel wil ik echter vooral de hoop uitspreken, dat de stadskerk van de toekomst de verleiding van institutionalisering zal weerstaan en niet zozeer aan belijdenissen, statuten en organisatie­structuren, maar boven alles aan de vrucht herkend zal worden. Dat wil zeggen aan de feitelijke eenheid en samenwerking onder plaatselijke christenen.
Christenen hebben zich in het verleden veel bezig gehouden met ‘selectie aan de poort’: wie is net als wij een ware, bijbelgetrouwe christen en mag dus lid worden van onze organisatie? Deze alles-of-niets houding had vooral een uitsluitende werking en bedekte de eenheid die er op bepaalde punten wel degelijk bestond. Ik hoop dat een stadskerk geen andere selectie toepast dan ieder als deelnemer te aanvaarden die belijdt een navolger van Christus te zijn. Alleen deze onvooringenomen houding schept de mogelijkheid voor een stadskerk om boven de partijen uit te stijgen en na te gaan waar samenwerking mogelijk is tussen mensen die zich christen noemen. Het zal dan kunnen gebeuren dat een grote groep christenen elkaar kan vinden in het samen streven naar praktische vrede en gerechtigheid, terwijl een veel kleinere groep van christenen elkaar vindt in het samen bidden voor de stad. De stadskerk aanvaardt dit alles zoals het komt, en toont zich dankbaar voor iedere vorm van samenwerking tussen mensen die zich christen noemen.
Gemeenschappen, organisaties en instituten binnen de stadskerk, met hun eigen bijbeluitleg, ideeën, doelstellingen en taakverdelingen, kunnen zeker ‘selecteren aan de poort’ en zich distantiëren van bepaalde praktijken en leringen. Dat is in overeenstemming met hun specifieke identiteit. Op stadsniveau telt hopelijk alleen de persoonlijke belijdenis van ieder die zich christen noemt. Niemand hoeft op dat niveau bij voorbaat, op grond van vastgestelde criteria, te worden uitgesloten. Want een stads­kerk wil, naar ik hoop, niet méér zijn dan het levende bewijs dat al diegenen die Christus (zeggen te) willen navolgen in een plaats daadwerkelijk één zijn en de krachten bundelen ten behoeve van elkaar en de stad.
Op stadsniveau gaat het om de zichtbare feiten. Daar waar christenen niet één zijn of samenwerken, is er eenvoudigweg geen sprake van een stadskerk. Zeker bestaat de stadskerk ook als organisatie, maar naar ik hoop zo min mogelijk, opdat ze ook gemakkelijk ter ziele kan gaan wanneer de eenheidsboom géén vrucht meer draagt. Een stadskerk moet vooral niet voortbestaan omdat deze ooit als organisatie in het leven werd geroepen of omdat een stadskerk in principe behoort voort te bestaan. Dat is allemaal schone schijn als het bewijs van verbondenheid niet meer geleverd wordt. Als eendracht en gebundelde gedrevenheid, als déze vorm van samen-zijn meer dan wat ook het ‘kerkelijk leven’ bepaalt, dan betekent verdeeldheid de dood van de kerk. Juist door het zo scherp te stellen, blijven wij zicht houden op het levensbelang van eenheid en samenwerking onder christenen.
 
Ik hoop van harte dat de stadskerk van de toekomst ruimte schept voor nieuw kerkelijk leven, voor nieuwe eenheid en samenwerking, nieuwe wegen van de Geest en een nieuwe opbloei van gaven en talenten. Naïef optimisme is echter niet op zijn plaats. De gedaante­verandering van de kerk kán uitmonden in alleen maar meer individualisme, consumentisme, centralisme, egalitarisme, opportunisme en fragmentarisme. Er is grote waakzaamheid geboden. Gaat het echter goed, leidt de metamorfose tot méér ontplooiing en beschikbaarheid van kwaliteiten, méér leiding van Gods Geest en méér eenheid en samenwerking onder christenen, dan zal de kerk van de toekomst even bekoorlijk als overweldigend zijn: één netwerk van organisaties en gemeenschappen (op stedelijk, nationaal en internationaal niveau) dat, geleid door één Heer en één Geest, de wereld haar beste krachten aanbiedt en niet ophoudt met het navolgen van Christus als verkondiger en najager van vrede en gerechtigheid.
 
Evert Jan Ouweneel is filosoof (www.websophia.com) en vice-voorzitter van Stichting GIDSnetwerk.



Dit artikel maakt deel uit van het dossier Kerk en postchristendom

Dit artikel is verschenen in CV·Koers september 2007

Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel



AdverterenNieuwsbriefAbonnee wordenContact
© cv·koers 2010

inloggen
e-mailadres:
wachtwoord:
cv•extra dossiers
40 jaar cv•koers
Kerk en postchristendom
In den beginne
De multiculturele samenleving