forum
"Een Paars kabinet is geen drama"
Mee eens
Niet mee eens
Geen mening
Stem
Vorige forums
Johan Graafland: Economen moeten meer oog hebben voor ethische vragen

De markt is niet waardenvrij


kaders:
Lans Bovenberg: ‘Concurrentie stimuleert mensen’
De hoogte van topinkomens stond afgelopen weken weer op de agenda. Exorbitante salarissen, keiharde concurrentie, zware saneringen: hoort het onvermijdelijk bij de veelgeprezen vrije markt? Nee, stelt econoom Johan Graafland. ,,Het wordt hoog tijd dat economen gaan inzien dat de vrije markt ook minder goede effecten kan hebben op de samenleving.’’

Door Tjerk de Reus


De markt is niet waardenvrij De moderne economie heeft positieve, maar ook veel zorgwekkende effecten. Op wereldschaal trekken de rijke landen vaak aan het langste eind, terwijl in de arme landen de welvaart maar mondjesmaat stijgt. In het Westen stijgen in sommige sectoren de inkomens de pan uit. Het is niet verrassend als Johan Graafland (1960) daartegen zijn stem verheft. Wel staat hij betrekkelijk alleen tussen zijn collega-economen met zijn pleidooi voor een brede ethische waardering van het economische bedrijf.
Begin september belegde de werkgeversorganisatie VNO-NCW een congres rond het verschijnen van Graaflands nieuwe boek: Het oog van de naald - Over de markt, geluk en solidariteit. De bijeenkomst werd aangekondigd als een ‘dialoog tussen economie, ethiek en religie’. Dat doet natuurlijk de wenkbrauwen fronsen, zeker in economische sferen. Zou religie invloed moeten uitoefenen op het vlak van commercie en handel? Je zou zeggen: het grote geld regeert in de wereldeconomie en daar kun je maar bitter weinig aan veranderen. Fout, zegt hoogleraar economie Johan J. Graafland: ,,De vrije markt is een instrument, dat we op de juiste manier moeten gebruiken. Het wordt hoog tijd dat economen gaan inzien dat de vrije markt ook minder goede effecten kan hebben op de samenleving. De markt staat niet op zichzelf, maar heeft een brede uitwerking. Er is duidelijke invloed op het gedrag van mensen, op sociale samenhang, op solidariteit en op rijkdom en armoede. Het marktmechanisme op zichzelf mag dan een niet-moreel instrument zijn, de manier waarop we ermee omgaan is volop een zaak van waarden en ethiek.’’

Profeten
In zijn lijvige boek besteedt Graafland uitvoerig aandacht aan ethische principes uit de Bijbel. Het gaat dan bijvoorbeeld over zorg voor de armen, maar ook over de vraag welke rol edele of minder edele motieven spelen bij het maken van keuzes. En of je ervan uit kunt gaan dat mensen in principe het goede willen nastreven, of juist niet. Maar waarom zou je eigenlijk de Bijbel betrekken bij de hedendaagse economie? Daar is toch geen draagvlak voor? Graafland: ,,Het gaat er mij om dat allerlei waarden de economie bepalen. Dat dit zo is, wordt veelal niet erkend of gezien. Ik heb dit inzichtelijk willen maken. Ik vind ook dat economen na moeten denken over de effecten van de economie, ook in termen van goed en kwaad. Mijn boek bevindt zich dus op het grensvlak van levensbeschouwing en economie.
De Bijbel is daarbij heel behulpzaam, nog afgezien van het feit dat het voor mijzelf een gezaghebbend boek is. In bijvoorbeeld de oudtestamentische geschiedenissen is sociaal onrecht een belangrijk thema. Profeten hebben daar felle kritiek op. Zulke verhalen dwingen je na te denken over de vraag wat vandaag heilzaam kan zijn voor de samenleving – en natuurlijk voor de mondiale samenleving met alle pijnlijke vragen die je daarbij kunt stellen.
Voor mijzelf was er ook de behoefte om de relatie tussen ethiek en economie grondig te doordenken. Ik ben econoom, maar ik heb ook theologie gestudeerd. Wat is het verband tussen beide? In de jaren zeventig – ik ging in 1978 economie studeren – ben ik geboeid geraakt door de publicaties van Bob Goudzwaard, die vanuit een breed cultuurfilosofisch kader de westerse economie kritisch aan de kaak stelde. Maar ik wilde de zaak systematisch doordenken, het gehele beeld scherp proberen te krijgen. Dat heb ik geprobeerd in dit boek – hoewel ik me natuurlijk ook heb moeten beperken op tal van punten.’’
 
U bespreekt in uw boek allerlei ethische stelsels en morele standpunten. Wat is het eigene van de bijbelse ethiek?
,,Een waarde als solidariteit met armen of met arme landen vind je ook bij het socialisme. Dat is dus niet uniek voor de christelijke traditie, hoewel het er wel een centraal aspect van is. Maar het mensbeeld is wel heel anders. Het socialisme zegt dat je als mens je best moet doen en dat je dan vooruitgang kunt boeken. Maar willen mensen dat wel? Het is volgens mij reëel, maar ook door en door bijbels, om te erkennen dat de mens een sterke neiging tot het kwade heeft. Daar moet je mee rekenen en dat doet een bijbels gefundeerde ethiek. Dat betekent dat de overheid bijvoorbeeld maatregelen neemt om inkomens gelijk te verdelen, omdat mensen uit zichzelf de neiging hebben vooral naar hun eigen behoeften te kijken. Van belang is de erkenning dat mensen niet zonder meer het goede willen nastreven met hun welvaart. De manier waarop welvaart ‘gebruikt’ wordt, kan ook haaks staan op een goed leven.
Karakteristiek voor de Bijbel is ook het gemeenschapsbesef. Dat vind je in de liberale traditie niet terug. In de kerk beleven we dat juist heel sterk: de gemeente van Christus is een gemeenschap waarin je wordt opgenomen; die gemeenschap was er al voordat jij er was en heeft ook een zeker gezag over jou. Natuurlijk is er ook sprake van interactie, want het behoren bij een gemeente is ook een innerlijke keuze. Maar niet in de sfeer van: ik kies. Eerder: jij wordt gekozen.
Dit gemeenschapsbesef is ook kenmerkend voor een christelijke visie op de samenleving. Wanneer we praten over ethische aspecten van de economie, komt dit meteen in beeld. Wat betekent de economie van mijn bedrijf of van ons werelddeel voor de buurman – of voor de derde wereld?’’
 
Survival of the fittest
Graafland wil de blik van economen verbreden. De rol van levensgeluk, zinervaring, rechtvaardigheid en deugden zou door economen bestudeerd moeten worden: hoe zijn deze zaken gerelateerd aan marktwerking? Je kunt je afvragen: is deze doordenking wel een taak van economen? Behoort het niet eerder bij het metier van pastoors, dominees en welzijnswerkers? Graafland: ,,Het hoort helemaal bij de economische wetenschap, vind ik. Ik weet ook dat veel van mijn collega’s dit standpunt niet delen. Een uitzondering is de Rotterdamse econoom Arjo Klamer, die enige tijd geleden een pleidooi hield voor een ruimere visie op de economie. Hij wil levensbeschouwelijke waarden bij economische afwegingen betrekken. Maar Klamer wordt daarin niet erg serieus genomen. Dat vind ik onverstandig. Het is zonneklaar dat de markt veel meer doet dan alleen welvaart produceren. De economie beïnvloedt de mens. De effecten van de vrije markt slaan ook weer terug op die markt. Dus je moet er oog voor hebben.
Als je als overheid bijvoorbeeld felle concurrentie stimuleert, geef je natuurlijk een push aan de economie. Maar je creëert een situatie waarin geld een allesbeslissende rol kan gaan spelen. De motivatie voor iets als maatschappelijk verantwoord ondernemen neemt dan af. Ook de innerlijke betrokkenheid van mensen bij het bedrijf waar zij werken, kan schade oplopen, omdat ze afgerekend worden op hun prestaties in termen van geld. De economie wordt dan iets als de survival of the fittest, een economie van darwinistische snit. Maar als de betrokkenheid van werknemers afneemt, worden ze minder productief en creatief. Dat is de keerzijde. Mijn punt is: wanneer je nadenkt over vrije concurrentie, moet je dit soort aspecten meewegen. Politici moeten hier rekening mee houden, economen zouden er meer studie van moeten maken.’’
 
Economische theorieën en modellen hebben op het punt van welzijn en geluk vaak maar bitter weinig te bieden, weet Graafland uit de tijd dat hij werkte voor het Centraal Planbureau. ,,We hebben bij het CPB berekend welke effecten het zou hebben als de overheid vrouwen zou stimuleren deel te nemen aan het arbeidsproces. Onze modellen lieten zien dat het financieel gunstig is voor de overheid om kinderopvang te subsidiëren. Het zou voor vrouwen aantrekkelijker zijn om te gaan werken. En de onkosten van de kinderopvang zouden zich wel terugbetalen door de impuls die vrouwen geven aan de economie, en via de loonbelasting. Het advies aan de politiek: het is goed voor de groeicijfers, de kosten halen we er vanzelf wel uit!
Maar welke gevolgen zijn er bijvoorbeeld in de sociale omgeving? Vrouwen zijn minder vaak thuis, omdat ze druk zijn met hun werk. Is dat gunstig? Tot op zekere hoogte wel, maar als de prikkel om te werken erg groot wordt, komt het gezinsleven meer onder druk te staan. Maakt dat vrouwen gelukkiger? Het zou kunnen dat veel vrouwen stress ervaren en in de WAO terechtkomen. Dat levert minder goede cijfers op. Ik vind daarom dat je veel breder moet kijken bij het nemen van beleidsbeslissingen, maar ook in het bestuderen en voorspellen van economische effecten.’’
In de lijn van dit voorbeeld maakt Graafland in zijn boek melding van een intrigerend onderzoek naar de motivatie van bloeddonoren. Dat onderzoek wijst uit dat een financiële prikkel kan botsen met de prikkel vanuit innerlijke betrokkenheid. Graafland: ,,Dit onderzoek wees uit dat bloeddonoren vaak een altruïstisch motief hebben: ze geven hun bloed vrijwillig, tot heil van hun medemens. Bloeddonoren ervaren het geven van bloed in hoge mate als zinvol. Maar op een gegeven moment gingen ziekenhuizen in de Verenigde Staten bloeddonoren financieel belonen. Wat gebeurde er vervolgens? Het aantal bloeddonoren daalde! De financiële prikkel kan dus de innerlijke motivatie uithollen of zelfs helemaal wegnemen. Nu blijkt dat de kosten per eenheid bloed in een marktgericht stelsel vijf tot vijftien keer hoger zijn dan in een situatie waarin vrijwilligheid doorslaggevend is.’’
 
Lans Bovenberg (zie kader) vindt dat u te negatief naar de vrijemarkteconomie kijkt. Bent u inderdaad vooral kritisch tegenover de markt?
,,Ik plaats zowel positieve als negatieve kanttekeningen bij marktwerking. Maar in mijn ogen kan een democratisch gekozen overheid wel degelijk bijdragen om markten beter te laten functioneren. Een voorbeeld is een wettelijke minimumleeftijd voor cosmetische chirurgie, die jongeren beschermt tegen zichzelf. Zoiets creëert bovendien eerlijker concurrentieverhoudingen tussen cosmetische chirurgen die vanuit zichzelf terughoudendheid betrachten en degenen die daar juist misbruik van maken.
Het idee dat concurrentie deugdzaam en bescheiden maakt, is in mijn ogen meer theorie dan praktijk. Denk maar aan wat Pieper eens zei: ‘In een wereld waarin de concurrentie zo hard is, en de machten waaraan we worden blootgesteld zo sterk zijn, hebben we geen zachtheid en beleefdheid nodig.’ Of neem Richard Florida, een auteur die de topklasse van creatieve mensen centraal stelt. Volgens hem denken deze uiterst competitief ingestelde mensen dat hun vermogens aangeboren zijn of dat zij die zich helemaal zelf hebben eigen gemaakt. Geen toonbeeld van bescheidenheid.
Wel ben ik het met Lans Bovenberg eens dat de afhankelijkheid van de markt mensen prikkelt om hun diensten te richten op de behoeften van anderen. Zelf heb ik ook weleens geschreven dat de markt ingebouwde dienstbaarheid kent. Maar dat is heel iets anders dan de ‘liefde om niet’ waar het in de Bijbel om gaat. Ik zie niet dat sterke concurrentie ook deze liefde stimuleert. Integendeel, economisch onderzoek laat zien dat sterke prijsprikkels deze ‘liefde om niet’ juist ondergraven.’’
 
Communitarisme
In zijn boek bespreekt Graafland de markteconomie vanuit drie gezichtspunten: geluk, rechtvaardigheid en deugdzaamheid. Zijn vraag is steeds: bevordert de markteconomie deze drie waarden? Graafland laat veel ethische denkers aan het woord en probeert op grond van feitelijk onderzoek in kaart te brengen welke effecten meetbaar zijn. Het geheel van het boek lijkt aan te leunen tegen het zogeheten communitarisme: een visie op de maatschappij waarin de gemeenschap van doorslaggevend belang is. Het centraal stellen van geluk, welzijn en solidariteit wijst daarop. ,,Dat klopt,’’ zegt Graafland, ,,ik denk wel in die richting, ja. Mijn boek bevindt zich in de sfeer van recente culturele en sociale studies, waarin de samenhang in de maatschappij voorop staat, naast aandacht voor waarden en normen.
Een belangrijk boek voor mij is bijvoorbeeld After virtue van de Amerikaan Alasdair McIntyre. Een samenleving krijgt vorm vanuit waarden. Maar ik ben denk ik minder optimistisch over de goede wil van burgers. Ik denk niet dat je zwartgallig moet spreken over burgers die alleen uit zijn op eigenbelang. Maar zuiver altruïsme is een zeldzaam fenomeen. Wat ik beoog met mijn boek is bewustwording. Je kunt wel je uitgangspunt nemen in autonomie en eigenbelang, maar besef ook wat je daarmee verliest als individu en als gemeenschap.’’
 
N.a.v.: Johan J. Graafland, Het oog van de naald - Over de markt, geluk en solidariteit, Uitgeverij Ten Have, Kampen 2007, 480 blz., € 34,90.



Dit artikel maakt deel uit van het dossier De crisis

Dit artikel is verschenen in CV·Koers oktober 2007

Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel



AdverterenNieuwsbriefAbonnee wordenContact
© cv·koers 2010

inloggen
e-mailadres:
wachtwoord:
cv•extra dossiers
40 jaar cv•koers
Kerk en postchristendom
In den beginne
De multiculturele samenleving