Tweede hoofdstuk uit Graham Tomlins boek 'Een kerk die prikkelt'
Is het nog wel mogelijk om te evangeliseren? In het tweede hoofdstuk van Een kerk die prikkelt roept Graham Tomlin de kerk op om niet zozeer te evangeliseren, als wel midden in een onrechtvaardige wereld een alternatieve gemeenschap te vormen.
Door Graham Tomlin
Laten we eerlijk zijn, evangelisatie is niet hip. Het woord ‘evangelist’ roept bij de meeste mensen beelden op van een gladde man in een donker pak met stropdas en te veel gel in zijn haar, glimlachend op het scherm, een Bijbel in zijn hand en een telefoonnummer voor donaties onder in beeld. De meeste evangelisten die ik ken, lijken net zo veel op deze karikatuur als Brad Pitt op de koningin, maar toch. Of we het leuk vinden of niet, het woord draagt voor de meeste mensen meer negatieve dan positieve ondertonen. Zowel in christelijke kringen als daarbuiten, blijft het beeld hangen.
In het aprilnummer en in het juninummer van CV•Koers treft u een kortingsbon aan, waarmee u dit boek voor 15,90 euro kunt kopen bij de christelijke boekhandel (normale prijs 17,90 euro).
Dit artikel is alleen in de interneteditie van CV•Koers verschenen.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier De missionaire gemeente
Dit artikel is verschenen in CV·Koers juni 2008
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
De kerk als bende van Robin Hood
Is het nog wel mogelijk om te evangeliseren? In het tweede hoofdstuk van Een kerk die prikkelt roept Graham Tomlin de kerk op om niet zozeer te evangeliseren, als wel midden in een onrechtvaardige wereld een alternatieve gemeenschap te vormen.
Door Graham Tomlin
Laten we eerlijk zijn, evangelisatie is niet hip. Het woord ‘evangelist’ roept bij de meeste mensen beelden op van een gladde man in een donker pak met stropdas en te veel gel in zijn haar, glimlachend op het scherm, een Bijbel in zijn hand en een telefoonnummer voor donaties onder in beeld. De meeste evangelisten die ik ken, lijken net zo veel op deze karikatuur als Brad Pitt op de koningin, maar toch. Of we het leuk vinden of niet, het woord draagt voor de meeste mensen meer negatieve dan positieve ondertonen. Zowel in christelijke kringen als daarbuiten, blijft het beeld hangen. Hoewel, het is niet zo dat alleen evangelisten gezien worden als verleidelijke manipulatoren die het op je geld voorzien hebben. Een diepere onrust, inheems in de hedendaagse westerse samenleving, voelt men bij eenieder die denkt de waarheid te kennen, zeker bij hen die je ervan willen overtuigen. Ontspannen, gespeeld-cynische postmodernen vinden evangelisten gewoon een beetje vervelend, wanneer ze hameren op de deugden van hun merk godsdienst, terwijl iedereen weet dat geen enkel merk beter is dan een ander. Meer felle liberalen zijn bang dat christenen, als ze de kans krijgen, minstens zo vurig zijn over hun overtuigingen als fundamentele islamieten over de hunne. Het is simpelweg hipper om ongebonden te zijn, om een veilige ironische afstand te bewaren tussen jezelf en de binding aan een visie op de wereld. En áls je dan opteert voor een merk uit de collectie van 21e eeuwse geloofsopties, dan probeer je dat zeker niet aan anderen op te dringen.
Het postmodernisme zou (om Jean-François Lyotard verkeerd te citeren) omschreven kunnen worden als ‘ongeloof voor evangelisten’. Zij die een boodschap uit te dragen hebben, zij met zekerheden, vertrouwen en grote vooronderstellingen die claimen de ware waarheid te zijn, zij zijn precies de mensen die de postmodernen wantrouwen. De heersende cultuur lijkt, waar het om religie gaat, een duidelijke boodschap af te geven: als het voor jou oké is, prima, maar dwing me niet.
De historische wortels van deze positie zijn verward, maar de grote lijnen zijn helder. Na de religieuze oorlogen van de zestiende en zeventiende eeuw, en onder het mom van Verlichting, bevroegen de Europese intellectuelen de bovennatuurlijke, geopenbaarde religie van de westerse samenleving op haar rol en noodzaak. Als religie zou overleven, dan moest het zijn in een verbasterde vorm, waarvan alle claims van goddelijke openbaring waren gestript, net als de wonderlijke trekjes en irrationele waarheden. Al snel bevroeg Hume het zelfbewijzend bestaan van God, beredeneerde Rousseau een samenleving die op rechten en niet op verantwoordelijkheid was gebaseerd, en stelde Kant een ethiek voor die uit menselijke bronnen voortkwam, niet uit goddelijke. Verlichtingsdenkers en hun volgelingen stonden voor een sterke, blijvende en historisch succesvolle aanval op alle onderscheidende kenmerken van het christendom – inclusief de uniciteit van Jezus Christus, en de autoriteit en inspiratie van de Bijbel – en brachten een herinterpretatie: een morele code met een alleen maar Galilese Jezus en een afstandelijke God. De Verlichting droomde van een samenleving die op de een of andere manier een strakke moraal zou meedragen (ondanks de verwerping van de goddelijke geboden), met de menselijke rede als de ultieme expert op het gebied van waarheid, en de strikte eliminatie van het spirituele en bovennatuurlijke als verklaringen van enig belang.
Als dat de basis was voor wat vaak ‘modernisme’ wordt genoemd, dan heeft diens nazaat ‘het postmodernisme’ het tapijt onder de voeten van zijn ouders vandaan getrokken, door dezelfde kritiek te uiten op het eigen, zo gekoesterde geloof van de Verlichting. Hoewel de Verlichting de autoriteit van de Bijbel of de kerk verving door die van de rede, repliceerde het postmodernisme dat die geweldige ‘rede’ niet zo objectief en onpartijdig was als de Verlichtingsdenkers geloofden. Integendeel, het was een verzameling aannames van blanke imperialistische mannen van middelbare leeftijd, die hun opvattingen aan anderen opdrongen. Deze waren niet meer ‘waar’ dan die van het christendom. Zo leek het de achttiende- en negentiende-eeuwse mens bijvoorbeeld vanzelfsprekend dat de westerse cultuur de beste was, en dat het licht van de West-Europese handel en gewoonten zeker het grauwe heidendom zou vervangen. Dat lijkt vandaag de dag een minder goed idee. Nu hebben niet alleen het christendom en de rede, maar elk ander groot verhaal dat een totaal begrip van het leven claimt, dezelfde behandeling ondergaan; dit geldt voor de andere kinderen van de Verlichting: idealisme, marxisme en fascisme.
Het resultaat is geloof in niets, of meer precies, zoals G.K. Chesterton het uitdrukte, een geloof in alles. Er is geen overkoepelende ‘waarheid’ die iedereen moet geloven, maar een geruime en duizelingwekkende keuze aan geloofssystemen en keuzes voor levensstijl, zodat ik naar New Age-kristallen kan staren terwijl ik mijn work-out in de fitnessclub doe, mijn huis kan inrichten volgens de principes van fengshui, ’s avonds op stap kan gaan en ’s morgens weer met boeddhistische meditatie bezig ben. Hierin heeft het christendom een plek als een zoveelste persoonlijke keuze voor een levensstijl. Die keuze is natuurlijk prima, zolang je hem maar niet aan anderen probeert op te leggen.
Tegelijkertijd is het modernisme bezig met een comeback. Wedergeboren rationalisten als Richard Dawkins en Daniel Dennet ageren tegen wat zij zien als de irrationaliteit van geloof en de kwaden die religie in de wereld heeft gebracht. Zij willen een terugkeer naar de goeie ouwe zekerheden van de Verlichting – zekerheden die vermoedelijk door de wetenschap worden gebracht, en zeker niet uit de religie voortkomen.
Nu, hoe kan onder deze omstandigheden evangelisatie plaatsvinden, wanneer de ene grote zonde is te denken dat je gelijk hebt, en de andere te geloven in iets wat je niet kunt bewijzen? En wat is de rol van de kerk in zo’n cultuur? Heeft zij wel een rol? Is ze meer dan de religieuze versie van de Rotary Club, of een onschuldige verzameling koffieochtenden, een aangename afleiding van de ruigheid van een harde wereld?
Het moet toegegeven worden dat evangelisatie soms plaatsvond vanwege minder dan nuttige redenen. We proberen niet langer aan gewelddadige kruistochten te doen, maar toch lijkt de militante taal en het agressieve gedrag van sommige moderne evangelisten er gevaarlijk veel op. Evangelisatie die voornamelijk bestaat uit het waarschuwen van iedereen binnen gehoorsafstand dat hij of zij voor de hel is voorbestemd, kiest niet alleen voor een negatieve motivatie – die Jezus gewoonlijk reserveerde voor religieuze hypocrieten – maar brengt ook een onhandig stuk emotionele en spirituele spanning in elke discussie, die de dialoog aanzienlijk bemoeilijkt. Toch moeten we ons afvragen of evangelisatie een plaats heeft in een pluralistische, postmoderne samenleving, waar raciale en religieuze spanning dicht onder de oppervlakte liggen, en als die plaats er is, hoe deze er dan uit ziet. Wat is de bedoeling van de kerk in onze tijd? Wanneer we het over evangelisatie hebben: zouden we daaraan moeten doen? En zo ja, waarom? We hebben een stuk basis nodig, een kaart voor op reis, die ons helpt de ligging van het land te bekijken. En misschien is de beste manier om de weg te vinden, deze te vragen aan een wijze en betrouwbare gids.
De kerk tussen wereld en Koninkrijk
Jacques Ellul was in de twintigste eeuw een van de meest inzichthebbende christelijke commentatoren van kerk en samenleving. De professor aan de rechtenfaculteit van de Bordeaux Universiteit in Frankrijk, geboren in 1912 en overleden in 1994, maakte twee wereldoorlogen mee, het begin van de automatisering, en de meeste grote sociale veranderingen van de afgelopen eeuw. Gedurende die tijd was hij actief in de Franse Hervormde Kerk. In 1948 publiceerde hij een boek dat velen zagen als de sleutel voor de rest van zijn werk, een boek dat enige profetische en prikkelende dingen over de kerk in de moderne westerse samenleving zegt. Het heette De aanwezigheid van het Koninkrijk. Hoewel al meer dan een halve eeuw geleden geschreven, spreekt het boek nog steeds krachtig met vooruitziende blik en inzicht, en kan het ons wellicht helpen wanneer we de plaats van de kerk en evangelisatie in een nieuwe eeuw proberen te vinden.
Ellul zegt met nadruk dat de christen geen andere keus heeft dan in de wereld te leven. Dit lijkt een logisch punt, maar zijn waarschuwing wijst aan de ene kant naar hen die de voorkeur geven aan een verblijf in hun eigen knusse religieuze sfeer, en aan de andere kant naar hen die denken dat ze met succes een christelijke samenleving kunnen opzetten. De christen zit oncomfortabel vast tussen deze twee onmogelijke posities, en Ellul gaat verder met het aangeven van enige onmisbare houdingen die christenen nodig hebben wanneer ze zich met de wereld om hen heen willen verhouden.
In de eerste plaats moeten christenen proberen de ware aard van de wereld waarin zij leven te begrijpen, en niet worden misleid om te denken dat het allemaal wel meevalt, zegt Ellul. Zoals de profeten van het Oude Testament met regelmaat tegen sociale zelfvoldaanheid waarschuwden, zo moeten hedendaagse christenen verder kijken dan de oppervlakte en begrijpen wat de samenleving werkelijk drijft . Wij leven in samenlevingen waar de kloof tussen arm en rijk jaarlijks groeit, en waar de drie rijkste miljardairs in de wereld meer bezitten dan de 600 miljoen mensen uit de minst ontwikkelde landen. In onze wereld is geweld een normale manier om je zin te krijgen in persoonlijke en internationale twisten, worden regelmatig kinderen misbruikt omdat volwassenen hen zien als objecten voor hun eigen plezier of ambitie, en zijn talloze mensen niet in staat om een langdurige relatie te onderhouden, en dus mislukken huwelijken jammerlijk. Van globale opwarming tot de dagelijkse verontreiniging van de rivieren en de inbreuk van steden en winkelcentra in groene zones: het milieu wordt op vele plaatsen gebruikt en vernietigd, en de duurzame bronnen van de aarde worden gebruikt zonder lang over de toekomst na te denken. Op vele manieren worden mensen gebruikt als voorwerpen om uit te buiten in plaats van als waardevolle schepselen die gekoesterd moeten worden.
Het is een nogal somber beeld, en Ellul werd, zoals vele profeten voor hem, beschuldigd van een overdaad aan pessimisme. Toch houdt hij vol – deze factoren zijn in de westerse samenlevingen aanwezig en aantoonbaar groeiend. Natuurlijk gebeuren er ook mooie dingen: liefde, genade en recht zegevieren zo nu en dan. Maar de werkelijkheid – die christenen zonde en kwaad noemen – die onze wereld binnendringt, moeten we onderkennen en identificeren.
In de tweede plaats moeten christenen de staat van deze wereld ook bevragen, zegt Ellul. Zij moeten, met andere woorden, weigeren deze status te accepteren als iets blijvends. Misbruik, achteruitgang van het milieu en liefdeloze zelfovergave mogen dan de mens en de samenleving in het algemeen domineren, maar het hoeft niet voor altijd zo te zijn. De dingen kunnen veranderen. Deze dingen hebben niet het laatste woord, en mogen we niet accepteren onder het motto ‘zo is het leven’. Er is een andere, betere weg, en zelfs als deze in onze tijd moeilijk is om te zien, blijft de christen hopen op die betere weg.
In de derde plaats moet een christen beseffen dat de wereld niet minder nodig heeft dan een revolutie. Ellul bedoelt dit niet als een marxistische verandering in het vervangen van de overheid door een andere club zondaars – dat maakt geen wezenlijk verschil. Hij bedoelt dat we moeten erkennen dat de wereld, zoals die nu gerund wordt, een nogal verwoestende plaats is. Ze is een verwoesting van relaties, van mensen, van vrede en van recht. Kinderen en volwassenen worden misbruikt, ofwel in vreselijke criminele praktijken, ofwel als routine, en zelden zien we onszelf behandeld als de buitengewone wezens die we zijn, geschapen naar het beeld van God, met waardigheid en een groot vermogen tot vreugde. Knoeien met het huidige systeem kan kleine verbeteringen opleveren, maar de Bijbel spreekt over iets radicalers: de volledige verschijning van het Koninkrijk van God, een nieuwe tijd waarin Christus’ overwinning op de zonde en de dood haar volledige uitwerking zal hebben.
Nadat Ellul de omgeving heeft geschetst waarin christenen zichzelf terugvinden, tekent hij de wegen waarlangs zij kunnen leven en zich met hun omgeving kunnen verhouden. Als eerste is de rol van de christen in zo’n samenleving als een teken van een ander koninkrijk, een andere levensstijl. Schrijvend over de christen in de wereld zegt hij:
,,Natuurlijk kan hij altijd opgaan in goede werken, en zijn energie uitleven in religieuze of sociale activiteiten, maar dit alles zal niets te betekenen hebben als hij niet die ene taak vervult die Jezus Christus hem opdroeg, en dat is als eerste: wees een teken [van het koninkrijk van God].’’
Het doel van een christen hoeft niet te zijn: proberen goed te doen, aardig te zijn en de wereld een klein stapje verder te helpen. Zijn doel is om als verwijzing naar een andere orde te fungeren, naar een andere levensstijl, een ander koninkrijk, waarvan we in deze wereld een glimp kunnen opvangen, maar dat nog niet helemaal aanwezig is.
Ellul waarschuwt ons tegen de gedachte dat het koninkrijk hier en nu, onder de huidige omstandigheden, in zijn totaliteit gevestigd kan worden. Het is God die zijn koninkrijk bouwt, en die het tot leven brengt, en het is niet aan ons dat te doen. Maar zij die geloven in Gods koninkrijk en koningschap, zullen willen fungeren als tekenen van dat koninkrijk, en zij geven waarschuwingen, aroma’s en smaken van wat het zou kunnen betekenen om onder Gods regering te leven, niet langer in de macht van zonde en dood.
Vanaf dit punt betoogt Ellul dat de identiteit van de kerk van groter belang is dan haar functie. Met andere woorden: wat we zijn is belangrijker dan wat we doen. De belangrijkste taak waar christenen nu voor staan, is het ontwikkelen van een onderscheidende levensstijl, die het leven van dat andere koninkrijk uitdrukt. Om helder te krijgen wat Ellul hierover zegt, citeer ik hem hier wat langer:
,,Om het christendom vandaag in contact te houden met de wereld, is het van minder belang dat er theorieën zijn over economische en politieke vraagstukken, of dat er zelfs economische en politieke posities worden ingenomen, dan dat er een nieuwe levensstijl ontwikkeld wordt… Trouw (aan de openbaring) kan alleen in het dagelijks leven gerealiseerd worden als er een nieuwe levensstijl wordt gecreëerd: dat is de ‘missing link’. Er was een levensstijl die de middeleeuwen kenmerkte. In de zestiende eeuw was er een levensstijl die door de christenen van de Hervormde Kerk werd aangedragen, en het is zeer interessant om te zien waar deze tegengesteld was aan die van de renaissance. Er is een burgerlijke levensstijl, zonder een enkel spiritueel kenmerk, en een communistische levensstijl, en er is niet langer een christelijke levensstijl. En om er niet omheen te draaien: een leer heeft slechts zo veel kracht (naast de kracht die God geeft ) als in de mate waarin hij wordt aangenomen, geloofd en geaccepteerd door mensen die een daarbij passende levensstijl hebben… In deze zoektocht gaat het om het geheel van het leven. Het bevat de gedachten die we hebben over politieke vraagstukken, evenals de manier waarop we gastvrij zijn. Het gaat ook om de manier waarop we ons kleden en het voedsel dat we eten… Net als om de manier waarop we met onze financiën omgaan. Het gaat om trouw zijn aan je vrouw, net zo veel als het gaat om toegankelijk zijn voor je buurman. Echt alles, ook de kleinste details die we als onbelangrijk beschouwen, moeten we bevragen, in het licht van het geloof plaatsen, beoordelen op grond van de glorie van God. Het is op deze voorwaarde dat we in de kerk misschien een nieuwe stijl van christelijk leven zullen ontdekken, vrijwillig en waar.’’
Ellul legt zijn vinger bij wat velen beschouwen als de langdurige zere plek van de kerk in het Westen – het falen om onderscheidend te leven, een alternatief te hebben voor de levensstijlen die de omringende cultuur biedt, ondanks al onze theologische expertise en liturgische perfectie. Ellul oppert dat de herontdekking van een oprechte christelijke levensstijl (meer dan het je houden aan de leer) de sleutel is naar de wedergeboorte van het christendom in het Westen. Het doet ons denken aan Derek Draper’s zoektocht naar een praktische wijsheid om mee te leven. Een dergelijke wijsheid betekent dat we leven alsof het echt waar is dat deze planeet is gemaakt en wordt geliefd door een Schepper-God, dat elk mens dat we ontmoeten waardevol is, gemaakt naar Gods eigen beeld, dat met waardigheid en eerbied behandeld moet worden; dat Gods oordeel over een zondige wereld reëel en aanstaande is; dat zonde en dood nu lege, gebroken krachten zijn, door de dood en opstanding van Jezus; en dat God op een dag zijn nieuwe koninkrijk van recht, vrede en vreugde zal brengen.
Een leven dat deze dingen als realiteit aanneemt, ziet er heel anders uit dan een leven dat hier niets van afweet.
Ten slotte staat Ellul erop dat dit samen wordt gedaan. Het volbrengen van deze taak, het vormen van een nieuwe, oprechte christelijke levensstijl die een teken is van het komende koninkrijk, kan alleen worden gedaan in gemeenschap. Wederom zegt Ellul het het beste in zijn eigen woorden:
,,Voor een christen alleen is het onmogelijk om deze weg te volgen… Om de zoektocht naar een nieuwe levensstijl te kunnen ondernemen, zou elke christen zich door anderen gesteund moeten weten en voelen… Het is noodzakelijk om je te mengen in werk dat zich richt op de herbouw van gemeenteleven, op het ontdekken van de christelijke gemeenschap, zodat mensen opnieuw mogen leren wat de vrucht van de Geest is… We zullen de concrete toepassing van zelfbeheersing, vrijheid, eenheid enzovoort opnieuw moeten ontdekken. Dit alles is essentieel voor het leven van de kerk, en de functie van het christendom in de wereld. En dit alles zou gedaan moeten worden met het oog op de prediking en de bekendmaking van het evangelie.’’
Ellul voorziet kleine, onderling ondersteunende groepen christenen, toegewijd aan het leven vanuit het christelijk verhaal, ontdekkend wat het is om te leven onder Gods bestuur in een seculiere en soms vijandige wereld. Dit zijn de plaatsen waar christenen de hulp vinden die ze nodig hebben om uit te zoeken hoe ze als christelijk zakenman, kantoormedewerker, winkelbediende, advocaat of technicus moeten leven, en waar ze de solidariteit en praktische steun vinden wanneer het moeilijk is om dat te doen.
Ellul ziet hierin een belangrijke rol voor leken. Hij bekritiseert zowel de geestelijkheid die het contact met de wereld kwijt is omdat ze er niet in meegaat, als de leken die zorgvuldig hun geloof en hun dagelijks leven in vrijwel gescheiden compartimenten onderbrengen. Ook is hij nogal achterdochtig over het soort spiritualiteit dat geloof afzondert in een binnenkamer van religieuze gevoelens, en dat geen uiterlijke praktische en sociale expressie heeft . Christenleken hebben voor hem een centrale rol omdat zij, en niet de geestelijken, degenen zijn die dag in, dag uit gebruiken – de Stad van God en de Stad van de Wereld.
Wanneer we beginnen met nadenken over evangelisatie in de hedendaagse wereld, helpt Jacques Ellul ons te denken aan het belang van drie cruciale zaken die in dit boek centraal zullen staan:
• het koninkrijk van God
• het ontwikkelen van een levensstijl die dat koninkrijk refl ecteert
• en het belang van plaatselijke kerkgemeenschappen in deze taak.
Evangelisatie en revolutie
Ellul heeft niet gedetailleerd bekeken wat de implicaties hiervan zijn voor evangelisatie. Een andere gids die ons kan helpen deze link te leggen, is de oudtestamenticus Walter Brueggemann, en in het bijzonder een klein maar stimulerend boek dat in 1993 werd gepubliceerd, Biblical Perspectives on Evangelism.
Brueggemann betoogt dat als je een christen bent, het verhaal dat jou vertelt wie je bent, niet het verhaal is van je ouders, voorouders, volk of sociale klasse. Het is in plaats daarvan het verhaal van de Bijbel, de belofte aan Abraham, bevrijding van de slavernij uit Egypte en van zonde, het geschenk van het land aan dakloze Israëlieten, en het leven aan dode zondaars. Dit verhaal van belofte, bevrijding en geschenk is je familiegeschiedenis, het verhaal dat jou beschrijft . Om kort te zijn, ben je liefdevol geschapen, bevrijd en veranderd, je behoort aan de God van Jezus Christus.
Dit verhaal is natuurlijk erg anders dan de verhalen die het leven van vele anderen bepalen. Bij hen kan het verhaal gaan over de wanhoop van een alleenstaande moeder die worstelt met het grootbrengen van haar kind, over de verveling van een middelbare directeur die al het comfort heeft dat het moderne leven meebrengt, maar geen doel of zin, of van de verwaarlozing van een kind dat in armoede werd geboren, dat leeft in achterstand en uitsluiting.
Brueggemann omschrijft evangelisatie vervolgens als ‘de uitnodiging om ons leven opnieuw vorm te geven… Een uitnodiging en oproep om het verhaal te verwisselen, en dus het leven te veranderen. Het is de uitnodiging om de goden van wanhoop, verveling en achterstand te ruilen voor de God van Jezus Christus, een God van belofte, redding en goedgeefsheid.
Jacques Ellul roept christenen op om niet toe te geven aan de oude verhalen van de wereld om hen heen, om niet te accepteren dat de dingen nooit kunnen veranderen. Brueggemann gaat verder, door ons aan te moedigen om van deze wereld te verhuizen naar een nieuwe tijd, het koninkrijk onder Gods bewind, dat het ruwe beleid van andere goden uitdaagt. Zoals de oproep van Ellul, is zijn oproep die
van een nieuwe verbeelding – een weigering om te geloven dat de ketenen van wanhoop, verveling of verwaarlozing onbreekbaar zijn en de durf om de verbeelding te laten spreken – van het geloof in een andere weg, in een andere koning.
In The Songlines, een van de onvergetelijke boeken van Bruce Chatwin, wordt een Ierse priester gevraagd naar zijn mening over een van de andere briljante maar ontoegankelijke personages: ‘Flynn moet wel een genie zijn… Maar ik denk niet dat hij ooit een Gelovige was. Hij kon nooit gewoon geloven. Hij had de verbeelding niet.’ it is een scherpzinnig en helder oordeel. Gloof vraagt verbeelding – het vermogen om je te verbeelden dat dingen anders kunnen zijn, dat wat je ziet niet noodzakelijk dat is, wat je krijgt.
Zowel Ellul als Brueggemann helpt ons om te zien dat de basis van christelijk leven en getuigen ligt in ontevredenheid met de bestaande situatie. Het gevoel dat ‘dit niet zo zou moeten zijn’ is het ware begin van wijsheid. Zoals Paulus zegt, is een van de afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn, de verlossing van ons sterfelijk bestaan’ (Romeinen 8:23, NBV).
Frustratie is een van de onbekende vruchten van de Geest! Ontevredenheid over de dingen zoals ze zijn, vergezeld van de intuïtie dat het anders kan, is het startpunt voor eenieder die zich met de God van Jezus Christus wil verbinden.
Evangelisatie in een moderne en postmoderne wereld
Om naar onze beginvraag terug te keren: deze inzichten aangaande Gods koninkrijk bieden een andere blik en andere mogelijkheden, en zijn ook een nuttig uitgangspunt voor mensen die willen evangeliseren in een moderne of postmoderne tijd. Misschien kan een sprookje dit punt verhelderen.
De legende van Robin Hood is bekend – de man die stal van de rijken en gaf aan de armen, de man die in de bossen van Sherwood leefde, met zijn kameraden en zijn vrouw Marian, en die het continu aan de stok had met de sheriff van Nottingham. In hoeverre dit verhaal waargebeurd is, is moeilijk te zeggen. Toch is de context waarin het zich gewoonlijk afspeelt, typisch. In de twaalfde eeuw had de wettige koning van Engeland, Richard, zijn land verlaten voor een kruistocht. In zijn afwezigheid kroonde zijn broer, prins John, zichzelf tot koning. Alsof dat nog niet genoeg was, gooide John de belastingen ook nog eens omhoog, en hij bond de jachtrechten van de boeren in, die toch al geen kant op konden vanwege het strenge feodale systeem. Robin Hood was de leider van een tegenbeweging, die weigerde het bestuur van ‘koning’ John te erkennen, en de hoop op de terugkeer van de ware koning, Richard, levend hield.
Toen in Engeland langzaamaan bekend werd dat koning Richard zou terugkeren, en in feite al was aangekomen, begonnen Robin Hood en zijn volgelingen door te fluisteren aan hun landgenoten, die de hoop al hadden opgegeven, dat de echte koning hen niet had vergeten, dat alles anders zou worden. Hoewel ze nog een korte tijd in onzekerheid moesten doorbrengen, en zelfs in verdrukking, totdat ‘koning’ John daadwerkelijk zou zijn verslagen, was het nieuws bekend, en niets bracht deze mensen tot zwijgen.
Robin Hoods groep van verzetsstrijders is misschien een verrassend, maar geen slecht beeld voor Christus’ kerk in deze wereld. Christenen leven onder een drukkend regime, maar kunnen nog lachen, omdat ze weten dat dit systeem niet het laatste woord heeft . Ze weten dat de echte koning komt, en dat op een dag alles anders zal zijn. Van tijd tot tijd herinneren zij de kwade machten eraan dat hun regering tijdelijk en onecht is, door verzetsacties die de ware koning in herinnering brengen. Ook fluisteren zij rond dat de zaken niet hoeven te gaan zoals ze gaan. De koning komt eraan, in feite is hij er al, en ook anderen kunnen nu al in vreugde gaan leven, in het licht van dit komende koninkrijk.
Dit is de essentie van evangelisatie – de eenvoudige verkondiging dat er een andere koning is, een ander koninkrijk, dat op een dag volkomen te aanschouwen is, en de uitnodiging om daaraan deel te nemen. Dit leert ons ook waarom christenen evangeliseren, ook onder duidelijk vijandige omstandigheden. Of het postmodernisme nu wel of niet het modernisme heeft opgevolgd – afhankelijk van aan wie je het vraagt – beide hebben een hard en guur klimaat. Als zo vaak, zijn het de seculiere beschouwers die zien wat christenen soms niet zien. Terry Eagleton bijvoorbeeld, ontmaskert het postmodernisme wanneer hij spreekt over ‘de verschrikkelijke chaos die de hedendaagse wereld is’:
,,…het scepticisme van totaliteiten, rechts of links, is meestal behoorlijk onecht. Over het algemeen blijkt het te gaan om een wantrouwen van enkele vormen van totaliteit, en een enthousiaste omarming van andere. Sommige vormen van totaliteit – gevangenissen, patriarchaat, het lichaam, absolutisme – zouden acceptabele gespreksonderwerpen zijn, terwijl andere – productiemethoden, sociale vormgeving, doctrines – stilzwijgend zouden worden gecensureerd.’’
Of het nu gaat over de klassieke, de middeleeuwse, de moderne of de postmoderne tijd, het meest opvallend is de opmerkelijke consistentie van de geschiedenis, de hardnekkige voortduur van zaken als ellende en uitbuiting.
De wereld kan er anders uitzien, en in tegenstelling tot de socialistische dromen van critici als Eagleton, wantrouwt de christen menselijke pogingen om haar te verbeteren. Alleen goddelijke actie, het volkomen komen van het koninkrijk kan het verschil maken.
Waarom evangeliseren we? Omdat de dingen beter zouden moeten zijn dan ze zijn. Omdat onze huidige manier van leven niet de enige manier is. Omdat we het nieuws hebben gehoord: dat er een andere koning is, een ander koninkrijk, onder wiens bestuur de dingen anders zijn. En nu het goede nieuws: dat koninkrijk is al gekomen, in Jezus Christus. De koning is gekomen en om je heen zie je tekenen die zeggen dat de dingen veranderen.
Dit kan sommigen in de oren klinken als te veel ‘van deze wereld’. Evangelisatie gaat toch om het redden van zielen voor de eeuwigheid? Het gaat er toch om zo veel mogelijk mensen in de hemel te krijgen? We zullen straks kijken naar wat Jezus precies bedoelt als het over het koninkrijk gaat. Tot die tijd is het van belang om te onthouden dat de Bijbel spreekt over het redden van mensen, niet van zielen. Het idee dat we als lichaamloze zielen zijn gered en bestemd voor een vage hemel ergens hierboven, is misschien meer een platoons-grieks dan een Bijbels idee. De Bijbel spreekt over het doel van onze redding als ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’, hij spreekt over de opstanding van het lichaam, en niet alleen van de ziel, hij spreekt uiteindelijk over de hemel op aarde als een soevereine daad van God, en niet over de mens die in de hemel verdwijnt. Deze wereldorde, de regering van zonde en dood zal over de kop gaan, dat is zeker, maar dat betekent niet dat de aarde vernietigd wordt en wij wegzweven naar een hemels spiritueel pretpark. De Bijbel verzekert ons dat God de aarde niet vernietigt, maar verandert, en hetzelfde geldt voor de mensheid.
Wij denken soms aan Gods koninkrijk als een plaats waar mensen heen gaan wanneer ze sterven, misschien als een vage geestelijke wereld ergens ver van deze wereld vandaan, en als gevolg hiervan lijkt het normale dagelijkse leven er niet toe te doen als we het vergelijken met onze taak om mensen klaar te stomen voor de hemel. Maar is dit nu wat Jezus bedoelde met het koninkrijk van God? Betekent de hoop op het nieuwe koninkrijk dat deze wereld van geen betekenis is? Op deze vragen zal het volgende hoofdstuk verder ingaan.
In de tussentijd heeft de koning een bruggenhoofd op vijandelijk terrein. Jezus is gekomen, en Hij vestigde het koninkrijk. En misschien wel het belangrijkste: Hij maakte duidelijk dat het een koninkrijk is van vreugde, feest en vrolijkheid. De beelden die Jezus gebruikte om het te beschrijven, waren steeds vol van genot. Het is als een feest met overvloedig eten en grote hilariteit, of als een vrouw die haar verloren kostbare ketting terugvindt, en die een feest geeft om het te vieren. Het beeld van een groep ballingen die diep in de bossen een grootse maaltijd aanricht in verzet tegen de overheersers, geeft hetzelfde verhaal. Dit is geen strenge, plechtige koning, met een koude, humorloze regering. Het is de regering van een hoffelijke gastheer, die ons uitnodigt in zijn huis, waar hij de baas is, en waar je een overvloed aan hartelijk en diep gelach vindt. Ongelukkige, sombere en duffe kerken hebben het gewoon niet begrepen. Kerken die dat wel deden, zijn gemeenschappen van grote vreugde. En hun vreugde berust op sterkere fundamenten dan elk ander aanbod dat je vinden kan. Als je goed kijkt, zie je dat veel goede tijden lijken op een waterig lachen dat slechts probeert het kwade en de dood te maskeren. Vreugde die is gebouwd op het komende beleid van de echte koning, vol van goedheid, warmte en gastvrijheid, is veel dieper.
Dus de rol van de kerk is in deze maatschappij, net als in iedere maatschappij, die van het teken van het koninkrijk. En evangelisatie heeft een plaats als verkondiging van een actuele stand van zaken, niet alleen als aankondiger van een te bespreken filosofische en buitenlichamelijke waarheid. Het gaat om goed nieuws, niet om goede ideeën. We verkondigen niet een abstracte set concepten, maar een werkelijkheid waarvan we glimpen kunnen zien en ervaren, het leven onder de regering van de echte koning.
Misschien beginnen we nu in te zien dat dit betekent dat we opnieuw moeten nadenken over evangelisatie, of haar op zijn minst in een grotere context moeten zetten dan we gewoon zijn. In de komende hoofdstukken zullen we een begin maken met die taak.
We hebben belangrijke theologische thema’s aangeraakt, zoals de heerschappij van Christus en het koninkrijk van God. Deze hebben hun wortels in het Nieuwe Testament, en dus moeten we daar beginnen met ontdekken wat het koninkrijk is, en hoe dit in verband staat met evangelisatie vandaag.
Bovenstaand artikel vormt het tweede hoofdstuk van 'Een kerk die prikkelt', door dr. Graham Tomlin (Uitgeverij Kok Voorhoeve, 2008). In april publiceerde CV•Koers al het eerste hoofdstuk (klik hier), als voorpublicatie van dit boek.
In 'Een kerk die prikkelt' (oorspronkelijke titel: 'The provocative church') laat Tomlin zien hoe het komt dat de kerk vaak nauwelijks een optie is voor mensen die wel degelijk geestelijk op zoek zijn. Hoe kan de kerk dan toch postmoderne, postchristelijke zoekers bereiken met het Evangelie?
In 'Een kerk die prikkelt' (oorspronkelijke titel: 'The provocative church') laat Tomlin zien hoe het komt dat de kerk vaak nauwelijks een optie is voor mensen die wel degelijk geestelijk op zoek zijn. Hoe kan de kerk dan toch postmoderne, postchristelijke zoekers bereiken met het Evangelie?
In het aprilnummer en in het juninummer van CV•Koers treft u een kortingsbon aan, waarmee u dit boek voor 15,90 euro kunt kopen bij de christelijke boekhandel (normale prijs 17,90 euro).
Dit artikel is alleen in de interneteditie van CV•Koers verschenen.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier De missionaire gemeente
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
