Voorpublicatie uit handboek over principes van gemeentestichting
Op 11 december wordt Als een kerk (opnieuw) begint gepresenteerd, een gedegen handboek over de principes van gemeentestichting, geschreven door dr. Gerrit Noort, dr. Stefan Paas, prof. dr. Henk de Roest en dr. Sake Stoppels. Lees nu de voorpublicatie.
Door Ronald Westerbeek (bewerking)
Als een kerk (opnieuw) begint is een handboek. Het bevat missiologische en ecclesiologische reflectie, uitgebreide gevalbeschrijvingen en adviezen voor beleid en organisatie. In Nederland is nog niet eerder zo’n compleet en veelzijdig overzicht verschenen van kerkplanting. Dit maakt het onmisbaar voor theologische opleidingen, missionaire voorgangers en kerkplanters die zich willen bezinning op hun praktijk.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier De missionaire gemeente
Dit artikel is verschenen in CV·Koers december 2008
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
Als een kerk (opnieuw) begint
Op 11 december wordt Als een kerk (opnieuw) begint gepresenteerd, een gedegen handboek over de principes van gemeentestichting, geschreven door dr. Gerrit Noort, dr. Stefan Paas, prof. dr. Henk de Roest en dr. Sake Stoppels. Lees nu de voorpublicatie.
Door Ronald Westerbeek (bewerking)
Als een kerk (opnieuw) begint is een handboek. Het bevat missiologische en ecclesiologische reflectie, uitgebreide gevalbeschrijvingen en adviezen voor beleid en organisatie. In Nederland is nog niet eerder zo’n compleet en veelzijdig overzicht verschenen van kerkplanting. Dit maakt het onmisbaar voor theologische opleidingen, missionaire voorgangers en kerkplanters die zich willen bezinning op hun praktijk. Het boek beschrijft gemeentestichting in Nederland vanuit verschillende invalshoeken. Ook laat het zien wat we kunnen leren over vernieuwing van de kerk en christelijke zending in Nederland. De auteurs vertegenwoordigen verschillende kerkgenootschappen en instituten en zijn allemaal betrokken bij gemeentestichting.
Hieronder volgt, bij wijze van voorpublicatie, een gedeelte van het negentiende hoofdstuk: 'De kerk in de 21e eeuw: lessen uit gemeentestichting', geschreven door Stefan Paas.
De kerk van de toekomst?
Op zoek naar vernieuwing
Vanaf het eind van de vorige eeuw is er een stroom van publicaties verschenen die pleiten voor vernieuwing van de kerk in Nederland. Bijna al die studies schatten de situatie ernstig in. Gerben Heitink zegt het zo: ‘Het gaat niet goed met de kerk. Als er in onze tijd niet een ingrijpende heroriëntatie plaatsvindt, is het met de kerk als instituut in ons land menselijkerwijs gesproken binnen enkele generaties voorbij’(in: Een kerk met karakter: Tijd voor heroriëntatie, Kampen 2007, red.). Tegelijk zien velen ook mogelijkheden. Een paar jaar voordat Heitink zijn uitspraak deed, schreef Henk de Roest zijn ‘kleine ecclesiologie van de hoop’ (En de wind steekt op: Kleine ecclesiologie van de hoop, Zoetermeer 2005, red.). Hij signaleert een nieuw missionair elan in veel gemeenten, een verlangen naar vernieuwing en een vitale aanwezigheid van het christelijk geloof in Nederland. Dat onze tijd kansen biedt, wordt ook benadrukt door een drietal auteurs uit gereformeerde kring. Voor het eerst sinds eeuwen moet de westerse kerk weer als minderheid optreden in een grotendeels niet-christelijke samenleving. ‘Dat brengt een bijzondere dynamiek met zich mee, die ons kan brengen tot nieuwe gehoorzaamheid’. De auteurs wijzen erop dat juist gemeenten die het heel moeilijk hebben, kunnen komen tot een soort ‘nulpunt’ van verootmoediging en afhankelijkheid. Soms is dit het begin van een nieuwe weg (Stefan Paas, m.m.v. René van Loon en Simon van der Lugt), De werkers van het laatste uur: De inwijding van nieuwkomers in het christelijk geloof en de christelijke gemeente, Zoetermeer 2003).
Het verlangen naar een vitale, missionaire kerk komt ook naar voren in allerlei kerkelijke rapporten in binnen- en buitenland. Vooral in Engeland bestaat daarbij ook veel aandacht voor kerkplanting (zie ook hoofdstuk 24). Die interesse is daar niet bepaald het monopolie van evangelische en charismatische groepen. De Anglicaanse Kerk is er bijvoorbeeld al jaren sterk mee bezig. In 1994 verscheen het rapport Breaking New Ground: Church Planting in the Church of England. Voor het eerst wordt in dit document aandacht gevraagd voor kerkplanting in het kader van missionaire presentie. In 2004 volgde een nieuw rapport, getiteld Mission-Shaped Church: een reflectie op de stroom van missionaire initiatieven in Engeland sinds de jaren negentig van de vorige eeuw. In deze publicatie worden de contouren getekend van de kerk van de eenentwintigste eeuw. Het bouwt voort op het eerste rapport, maar wel is er een belangrijke koerswijziging. In Breaking New Ground werd gezocht naar manifestaties van kerk-zijn die een aanvulling kunnen vormen op de klassieke territoriaal georganiseerde parochie. Tien jaar later ziet men echter in dat een centrale plaats voor het territoriale model niet meer houdbaar is. ‘Een gemengde economie van parochiekerken en netwerkkerken is nodig, in een actief partnerschap over een groter gebied’. Het rapport noemt vijf kenmerken van fresh expressions of the church (‘nieuwe uitdrukkingen van kerk-zijn’). We vatten deze kort samen en vermelden tussen haakjes paragrafen uit dit boek, waarin we vanuit de Nederlandse situatie ingaan op dit specifieke kenmerk:
• kleine groepen zijn belangrijk met betrekking tot discipelschap en missie via relatienetwerken;
• de zondag heeft niet het monopolie als het gaat om ontmoeting en viering. De samenleving staat een exclusieve plaats van de zondagochtend niet meer toe;
• er is een concentratie op een specifiek netwerk of een specifieke doelgroep (19.3.2);
• er is geen binding aan een specifieke denominatie (19.3.7);
• daar waar bestaande kerken zich profileren, is soms de mentale nabijheid van partners belangrijker dan de territoriale of denominationele nabijheid. Verbondenheid wordt vooral inhoudelijk beleefd, veel meer dan geografisch of via een bovenlokaal, overkoepelend kerkverband (5.4; 19.3.8).
In 2005 bracht de Protestantse Kerk in Nederland de visienota Leren leven van de verwondering uit. In dit document wordt gesproken van de crisis van de westerse kerk, maar de kern ervan wordt gevormd door een reeks voornemens om te komen tot een zichtbare, aantrekkelijke en hoopvolle kerk.
Een soortgelijke nota werd in 2006 gepubliceerd door de Evangelische Kirche in Deutschland. In dit uitgebreide stuk, getiteld Kirche der Freiheit, gaat het onder andere over de noodzaak om nieuwe kerk- en gemeentevormen te vinden voor een steeds ingewikkelder en gevarieerder samenleving. Het jaar 2030 is daarbij het referentiekader. De EKD is de grote protestantse (lutherse) volkskerk in Duitsland. Gemeentestichting is in het rapport niet in expliciete zin een thema, maar wel wijzen bepaalde keuzen in die richting. Zo streven de samenstellers naar een andere verhouding qua typen gemeenschappen. Momenteel bestaat de EKD voor 80% uit klassieke territoriale gemeenten, voor 15% uit profielgemeenten (bijvoorbeeld city-, jeugd- en cultuurkerken) en voor 5% uit netwerkgeoriënteerde gemeenschappen (bijvoorbeeld studenten-, passantenen toerismekerken). Het rapport streeft voor 2030 de verhouding 50-25-25 na. Daarbij denkt men ook aan digitale geloofsgemeenschappen. Ook communiteiten en ordeachtige gemeenschappen komen nadrukkelijk in beeld. Het mag duidelijk zijn dat hier wegen worden geopend naar nieuw te stichten geloofsgemeenschappen.
De rol van kerkplanting
Welke rol kan kerkplanting spelen in dit verlangen naar een vitale aanwezigheid van het christelijk geloof in onze samenleving? In de genoemde studies gaat het vooral over vernieuwing van bestaande kerken en niet over de stichting van nieuwe. Behalve in het Engelse rapport komt kerkplanting niet of nauwelijks aan de orde. Nu vond kerkplanting in Nederland tot nu toe vooral plaats vanuit de evangelische beweging, die naast de gevestigde kerken opkwam vanaf de jaren zeventig (zie hoofdstuk 5). In Engeland (en de Verenigde Staten) maakte gemeentestichting al langer deel uit van het missionaire ‘pakket’ van de grotere kerkgenootschappen en dat verklaart misschien waarom de reflectie op deze praktijk daar eerder begon. Vandaag zullen we echter ook in Nederland moeten nadenken over de vraag of gemeentestichting niet een goede manier kan zijn om te werken aan de vernieuwing van de kerk als geheel.
Ervaringen elders wijzen erop dat het antwoord op die vraag ‘ja’ is. De Amerikaanse kerkplantingsdeskundige Peter Wagner stelt dat het ‘gemakkelijker is om kinderen te krijgen dan om doden op te wekken’. Als zodanig is dit natuurlijk een veel te scherpe stelling en Wagner haast zich dan ook haar te nuanceren. Maar de stelling appelleert wel aan een nuchter ervaringsfeit dat het in het algemeen moeilijker is de cultuur en vormgeving van een bestaande gemeente te veranderen dan om een nieuwe gemeente te beginnen, waar veel nog open ligt (zie ook hoofdstuk 20). Gegeven de snelle veranderingen in de moderne westerse cultuur, is het reëel om te vragen of lang bestaande gemeenten altijd uit zichzelf in staat zullen zijn om adequaat daarop te reageren.
Dit verandert misschien wanneer zij kunnen beschikken over inspirerende voorbeelden van jonge gemeenten en over ideeën en vormen die daar zijn ontwikkeld. Er is nu eenmaal meer ruimte om te experimenteren in een gemeentestichting dan in een gevestigde gemeente, waar de rollen meestal zijn verdeeld en gewoonten zich hebben vastgezet.
Daarnaast is het ook voor de kerk als geheel goed dat er altijd een behoorlijk percentage jonge gemeenten is. Een kerkverband dat bijna helemaal bestaat uit gemeenten van respectabele leeftijd, zal waarschijnlijk ook bedaagder en trager reageren op nieuwe ontwikkelingen. Als het waar is dat een organisatiecultuur het sterkst wordt gevormd in de eerste fase van een organisatie (zie hoofdstuk 20), is het risico groot dat een kerkverband dat zichzelf niet steeds aanvult met nieuwe gemeenten cultureel verstart. Het zijn meestal de jonge gemeenten die het eerst de wind van verandering opsnuiven en het snelst daarnaar handelen.
Timothy J. Keller, invloedrijk presbyteriaans kerkplanter in New York, constateert dat het voortdurend planten van nieuwe gemeenten het belangrijkste instrument is om te werken aan vernieuwing van bestaande kerken. Hij noemt daarvoor vier redenen. In de eerste plaats brengen kerkplantingen nieuwe ideeën binnen in het Lichaam van Christus. Zij vormen als het ware de ‘research & development’-afdeling van de kerk. In de tweede plaats dagen deze nieuwe gemeenten de bestaande kerken uit tot zelfonderzoek. Oude kerken zouden zich kunnen afvragen waarom nieuwe gemeenten slagen waar zij falen (en zij zouden niet te snel tevreden moeten zijn met hun antwoord op die vraag). In de derde plaats krijgt nieuw leiderschap meer kans in nieuwe gemeenten. Kerkplantingen zijn vaak een bron van onontdekte en ongebruikte talenten en gaven, omdat zij een beroep doen op iedereen die bij het project betrokken is. Ten slotte kunnen nieuwe kerken een bron zijn van nieuwe christenen, waarvan ook de oudere kerken kunnen profiteren. Keller stelt vast dat nieuwe kerken in het algemeen beter in staat zijn om nieuwe bevolkingsgroepen (zoals migranten) en niet-christenen aan te spreken. Maar wanneer mensen eenmaal tot geloof zijn gekomen, wil dat niet zeggen dat zij de hectiek en voortdurende veranderingen in een jonge gemeente blijven waarderen. Sommigen van hen zullen ontdekken dat een andere kerk, met meer rust of met een meer gevarieerde samenstelling, beter bij hen past. Zo kunnen langer bestaande kerken ook nieuwe mensen verwelkomen, dankzij de aanwezigheid van kerkplantingen in de omgeving (Timothy J. Keller, ‘Why Plant Churches?’, 2002, http://www.harborpc.org/PDF/why_plant.pdf).
Kortom, er is reden genoeg om te hopen dat de toekomst van de kerk in Nederland de vorm heeft van een ‘gemengde economie’: een vruchtbare samenwerking tussen oudere gemeenten die zich herbronnen en nieuwe gemeenten die worden gesticht vanuit een missionaire motivatie. Kerkplanters kunnen putten uit de wijsheid van bestaande kerken en de rijke ecclesiologische en liturgische tradities die daar worden bewaard. Andersom kunnen bestaande kerken door gemeentestichtingen worden herinnerd aan hun eigen oorsprong (ooit waren zij zelf ook kerkplantingen) en zij kunnen leren van de missionaire experimenten en creatieve benaderingen van de huidige cultuur door kerkplanters. Zo kan een gezamenlijk leerproces op gang komen, waarin Nederlandse kerken ontdekken hoe zij de christelijke traditie kunnen voortzetten in de eenentwintigste eeuw. De belangrijkste voorwaarde voor zo’n leerproces is vertrouwen in en openheid naar elkaar.
Erkennen en herkennen van kerken
Vertrouwen stellen in elkaar en leren van elkaar veronderstelt dat bestaande kerken nieuwe kerken zien als volwaardige gesprekspartners. Daarvan is sprake, wanneer oude kerken hun ‘dochtergemeenten’ kunnen aanvaarden als kerken in de volle betekenis van het woord. Daarmee suggereren we niet dat elke christelijke groep noodzakelijk een kerk moet zijn of worden. Allerlei ‘vloeibare’ en parakerkelijke vormen van gemeenschap hebben een bewezen bestaansrecht (Vgl. Kees de Groot, ‘Fluïde vormen van kerk-zijn’, in: Rein Brouwer e.a., Levend lichaam: Dynamiek van christelijke geloofsgemeenschappen in Nederland, Kampen 2007). Maar aan de andere kant lopen kerkplantingen, wanneer zij altijd een ‘missionair initiatief’ of ‘project’ blijven, het risico onder de voogdij van gevestigde kerken te blijven. Zij kunnen hun vernieuwend en kritisch potentieel dan onvoldoende ontplooien, omdat zij gezien blijven worden als een aanvulling op bestaande structuren en niet als een nieuwe gestalte van de kerk in Nederland. In hoofdstuk 4 zagen we dat het niet vanzelfsprekend is dat oudere kerken nieuwe gemeenschappen als kerk serieus nemen. De les dat zending kan leiden tot nieuwe kerken, die ons ook een spiegel voorhouden, werd langzaam geleerd. Vooroordelen, theologisch dedain en een gebrek aan kennis vormden daarbij belangrijke obstakels. Dit betekent niet dat we verplicht zijn alles ‘kerk’ te noemen wat zich zo aandient, maar dat gevaar is doorgaans niet zo groot. Kerken zijn eerder geneigd te kritisch te zijn ten opzichte van het nieuwe en onbekende.
Een missionair initiatief tot gemeenschapsvorming moet echter juist openheid bieden aan het onbekende. Gemeenschapsvorming is een onderdeel van het antwoord dat mensen geven op het evangelie. Omdat mensen culturele wezens zijn, zal de vorm die hun gemeenschap aanneemt ook verschillen per cultuur en subcultuur. Er is niet één universeel model van christelijke gemeenschap en er is dus ook niet één enkele manier van kerk-zijn. Dit is ook een les van de zendingsgeschiedenis: juist het feit dat het evangelie voor iedereen is, leidt tot een grote diversiteit van reacties daarop (Andrew Walls, ‘Culture and Conversion in Christian History’, in: idem, The Missionary Movement in Christian History: Studies in the Transmission of Faith, Edinburgh 1996).
Voor missionaire kerkplanting betekent dit dat de variatie van kerkvormen groter zal zijn, naarmate meer verschillende culturen en subculturen worden bereikt. Het verschil tussen ‘In de Praktijk’, waar vooral kansarme bewoners van een grote stadswijk worden bereikt (in Den Haag, red.), de Rafaëlgemeente in Amersfoort, die vooral blanke middenklassers trekt en Via Nova, een gemeente met een groot aantal jonge, hoger opgeleide stellen en singles (in Amsterdam, red.), komt duidelijk naar voren uit de beschrijvingen in hoofdstuk 7, 8 en 15. Maar ook het verschil tussen Via Nova en ICF Rotterdam (hoofdstuk 9) is overduidelijk, terwijl dit gemeenten zijn binnen één, vrij homogeen kerkverband. Dergelijke gemeenten delen hun missionaire spiritualiteit en theologische orthodoxie, maar in vormgeving, theologische accenten, structuren, leiderschap en liturgie verschillen zij sterk.
Een gemeentestichter zal daarom moeten oppassen voor een te grote nadruk op de methodiek boven de missiologie. Wie zich alleen concentreert op vragen als ‘hoe kunnen we zoveel mogelijk gemeenten stichten in zo weinig mogelijk tijd?’, loopt het grote risico zich bezig te houden met klonen in plaats van planten. Het kritiekloos vermenigvuldigen van kerken die nu niet missionair effectief zijn, zal de kerk niet verder helpen in de eenentwintigste eeuw. Op dit punt geeft het te denken dat een recent onderzoek naar gemeentestichting in Nederland laat zien dat bij slechts 22% van de initiatieven die na 1990 zijn gestart, het nodig werd gevonden om omgevingsonderzoek te doen, voorafgaand aan de gemeentestichting. Ook bleek dat het merendeel van de onderzochte gemeentestichters een vrij conservatieve of zelfs naïeve kijk heeft op contextualisatie (zie hoofdstuk 6). Tegelijk komt hier naar voren dat dit minder opgaat voor initiatieven die na 1996 zijn gestart. Een meer missiologisch geïnspireerde inzet lijkt dus groeiend (Martijn Vellekoop, Nieuwe kerken in een nieuwe context: Onderzoek naar gemeentestichting in Nederland en de rol van contextualisatie, VU Masterscriptie, Amsterdam 2008).
Een gemeentestichter zal moeten leren denken als zendeling: hij of zij zal veel tijd en aandacht moeten geven aan het begrijpen van de context en zich kritisch moeten verhouden tot de eigen overgeleverde kerkvisie (zie hoofdstuk 18 en 19.3). Alleen kerkplanting die inzet op een creatieve omgang met de context en op theologische en ecclesiologische vernieuwing, kan voor kerkverbanden de broodnodige missionaire ervaring en impulsen opleveren.
Dit artikel is alleen in de online editie van CV•Koers verschenen.
Dit artikel is alleen in de online editie van CV•Koers verschenen.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier De missionaire gemeente
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
