forum
"Een Paars kabinet is geen drama"
Mee eens
Niet mee eens
Geen mening
Stem
Vorige forums
Bijdrage van dr. Jan Hoek aan de bundel 'Geestelijke strijd'

De duivel en demonen in de dogmatiek


kaders:
Lezerskorting op Geestelijke strijd
De dogmatiek kan niet langer om de realiteit van bezetenheid door demonische machten heen, en evenmin om de bevrijding die mogelijk is door de kracht van Jezus Christus, schrijft dr. Jan Hoek in zijn bijdrage aan de bundel Geestelijke strijd. Bevrijding van demonische machten is onlosmakelijk verbonden met de verbreiding van Gods Koninkrijk.

Door Jan Hoek


De duivel en demonen in de dogmatiek Van tijd tot tijd klinken er stemmen die oproepen om te komen tot een nieuwe, eigentijdse aandacht voor het exorcisme, de uitdrijving van demonen, in kerk en geloofsleer. Zo maakte de Zuid-Afrikaanse krant Die Burger er in februari 2002 melding van dat Adrio König, systematisch theoloog aan de universiteit van Pretoria en verbonden aan de Nederduitsch Gereformeerde Kerk, de vraag aan de orde heeft gesteld of de kerk niet opnieuw moet gaan kijken naar het uitdrijven van demonen zoals door Jezus gepraktiseerd. Zou de spiritualiteit van hedendaagse gelovigen niet verrijkt worden door hernieuwde aandacht voor het exorcisme? König wijst erop dat bijvoorbeeld in de eerste helft van het evangelie volgens Marcus een rechtstreeks verband wordt gelegd tussen de verkondiging van het evangelie van het koninkrijk Gods en het werk van de Heilige Geest enerzijds en de uitdrijving van demonen anderzijds. Deze verwevenheid van verkondiging en dienst der bevrijding speelt in de gereformeerde spiritualiteit een te kleine rol. Dominees gaan er in hun prediking weinig op in, terwijl toch bijvoorbeeld in het boek Marcus – maar niet alleen daar - de confrontatie tussen Jezus en de demonen een sterk thema en niet slechts een incidentele zaak is. König wijst er op grond van zijn eigen ervaringen in de Afrikaanse kerken op dat heel wat moderne mensen de realiteit van demonie ervaren en dat er duidelijke getuigenissen zijn van enerzijds de binding door deze machten en anderzijds de bevrijdende kracht van de Geest die deze banden weet te verbreken in Jezus’ Naam.
In Europa ligt dit in wezen niet anders dan in Afrika. Bezetenheid lijkt in Europa minder voor te komen. Dat ligt wellicht aan de slimheid van de demonen die zich  weten aan te passen aan het culturele klimaat van een bepaalde tijd of plaats. In een hoogontwikkelde cultuur verhullen ze de grovere aspecten van hun werk. Ze kunnen zich niet alleen voor  doen als een ‘briesende leeuw’ (1 Petr.5:8), maar ook als ‘een engel des lichts’ (2 Kor. 11:14). In Nederland hebben ondermeer W.C. van Dam (1993) en A. van de Beek (1984, 194), zij het elk op eigen wijze, een pleidooi gevoerd voor een nieuwe bezinning op de plaats van het exorcisme in de kerk. Het exorcisme zou niet langer een privé-aangelegenheid van enkelingen aan de rand van het sectarische moeten zijn, maar een voluit kerkelijke zaak van de kerk die bidt: ‘Verlos ons van de Boze’. Het exorcisme is een zaak waarmee we in onze cultuur met uiterste voorzichtigheid om moeten gaan. Tegelijkertijd is het een teken van wijsheid wanneer de kerken zich hernieuwd bezinnen op de functie van deze oeroude rite.
Mijns inziens wordt terecht betoogd dat de dogmatische bezinning niet nog langer om de realiteit van bezetenheid door demonische machten en van bevrijding door de kracht van Jezus Christus heen mag gaan. Is op deze punten niet veeleer een nieuw, actueel geloofsgetuigenis nodig?
 
Een weg tussen overschatting en onderschatting
Vanouds heeft de duivel met zijn demonen op grond van bijbelse gegevens een plaats gehad in de dogmatische bezinning. Er is wat dit betreft in de christelijke geloofsleer van een golfbeweging te spreken: nu eens krijgt de duivel veel, dan weer nauwelijks of helemaal geen aandacht. Het is nodig te zoeken naar het juiste midden tussen overschatting en onderschatting van de boze, tussen een teveel en een tekort aan aandacht voor hem. ‘Hoewel we de satan nooit meer aandacht moeten geven dan strikt noodzakelijk, is het van groot belang dat wij ons realiseren wat de Schrift allemaal over hem zegt.’ (Duffield/Van Cleave, 529). Dat is meer dan we misschien in eerste instantie zouden denken (vergelijk De Bondt en de hoofdstukken 2 en 3 van dit boek). Soms heeft de belangstelling voor de boze ongezonde proporties aangenomen en werd hem in allerlei preken en beschouwingen te veel ‘eer’ gegeven. In zulke gevallen is het kritische commentaar van toepassing wat een jong predikant na een vurige preek over de satan en zijn geweld kreeg van een oudere collega die bij hem de dienst had bijgewoond: ‘Broeder, ik kwam naar de kerk om Jezus te zien, maar ik kreeg in werkelijkheid de satan te zien’. Als de Bijbel over de satan spreekt, geschiedt dat altijd in de vorm van een signaal, een hevig alarm (zo bijvoorbeeld Jak. 4:7). We krijgen geen lange uiteenzettingen te horen en er wordt nergens bizarre nieuwsgierigheid opgewekt of lust naar sensatie bevredigd. Sommigen hebben zich al te gretig in de diepten van de satan willen begeven en als het ware een encyclopedie van het satanisme willen opstellen. Dit is onvruchtbaar en zelfs gevaarlijk. Het is goed en nodig de satan te ontmaskeren, maar wie al te lang zijn tronie bestudeert, kan er door gebiologeerd raken. Het anti, het alarm, kan in de beschrijving van deze diepten des satans verloren gaan, zo stelt G.C. Berkouwer (z.j., 189–213). Ook Karl Barth heeft gewaarschuwd tegen een teveel aan aandacht voor het demonische. Men moet zich volgens hem niet teveel in de leer van de demonen verdiepen, maar slechts een blik – kort en scherp – op hen richten om vervolgens als een gewaarschuwd mens voort te gaan. 
Het andere uiterste is de onderschatting van de duivel en zijn demonen. Het lijkt dan alsof de duivel niet meer ernstig genomen wordt. In allerlei films en romans, tot in kinderlectuur toe, wordt geflirt met het occulte alsof het slechts om onschuldige sprookjes zou gaan. In actuele dogmatische ontwerpen ‘schittert’ de satan nogal eens door afwezigheid of wordt hij slechts in het voorbijgaan vermeld. Veel hedendaagse theologen betwijfelen zelfs of je in deze tijd na de Verlichting en van postmodernisme nog wel kan spreken over het ‘bestaan’ van God, laat staan over het bestaan van engelen en duivelen. Het axioma waarvan men uitgaat luidt immers dat alleen die dingen ‘bestaan’ die zintuiglijk waarneembaar zijn of die althans een bepaald effect teweeg brengen in de voor ons constateerbare werkelijkheid. Vanuit dit beperkte zicht op de werkelijkheid is er voor ‘metafysica’ geen plaats (zie hiervoor hoofdstuk 1 van dit boek over wereldbeelden). Met B. Wentsel (1996,199) stem ik in dat theologen die de figuur van de satan en de demonen als niets achten of tot mythisch gebeuren verklaren, zeer dwalen. Hun eerste dwaling is dat zij ingaan tegen de vele gegevens in het NT, hun tweede dwaling is dat zij de diepten van het kwaad onderschatten. Hierdoor ontstaat een gevaarlijke achteloosheid inzake de werking van de satan. Wie de geschiedenis in haar diepte wil kennen, moet rekening houden met demonische invloeden. Wentsel noemt een God toegewijd en geheiligd leven als prioriteit voor de kerk en de christenen in de 21e eeuw als het gaat om de bestrijding van de satan en zijn rijk en om de inzet voor koning Christus en zijn rijk.
Sinds de Verlichting vervangt men in de geloofsleer vaak ‘de boze’ door ‘het boze’. De boze als persoonlijke macht past immers niet meer in een rationalistisch verlichte en optimistische tijd. Hij wordt gereduceerd tot een voorstelling waarin men vroeger z’n gedachten omtrent het kwaad vorm gegeven had.  F.D.E. Schleiermacher (1786-1834) meende dat de voorstelling van de duivel wel gehandhaafd kon blijven in de liederenschat van de kerk, omdat de personificatie in de poëzie nu eenmaal een zeker recht heeft, maar daar moest het dan ook  bij blijven. Volgens deze theoloog zou het geloof aan een nog voort bestaand rijk van de vreugde in ons leven aantasten en onze zekerheid bedreigen. Door het verdwijnen van het duivel-geloof zou het leven weer kunnen ontspannen zonder de angst van vroeger. Wanneer de duivel alleen nog maar in de liederenschat der kerk bestaat, is hij een geweken gevaar, een voorbijgegane verschrikking (zie G.C. Berkouwer over Schleiermacher). Schleiermacher heeft in deze benadering van het demonische veel navolging gevonden. Om een enkel voorbeeld uit velen te noemen: de bekende dogmaticus H. Berkhof spreekt in zijn boek Christelijk geloof (1973) zeer terughoudend over de satan als een ‘voorstelling’, die zich gedurende de tijd van het OT heeft ontwikkeld om daarmee de gedachte te vermijden dat God de oorsprong van de zonde zou zijn. Als zodanig behoort de satan volgens Berkhof tot een kring van bijbelse gegevens waarmee we als moderne mensen in kritische vrijheid om mogen gaan. We kunnen aan zo’n voorstelling wel bepaalde relevante overwegingen ontlenen, maar er beantwoordt geen realiteit aan. Dit sluit aan bij wat ‘de man in de straat’ gelooft. Een recent onderzoek in Duitsland (maart 2002) wees uit dat 68% van de ondervraagden de duivel als een verzinsel zagen om het probleem van het kwaad te verklaren en bijna 50% als een machtsinstrument waarmee de kerk probeert druk uit te oefenen.
Het is naar mijn overtuiging niet terecht en voor het geloofsleven zeer gevaarlijk om op deze wijze de relevantie van het bijbelse spreken te reduceren tot een ‘voorstelling’, waaraan dan vervolgens een bepaalde theologische betekenis kan worden toegekend. De satan is geen voorstelling, maar een realiteit. De duivel en zijn demonen bestaan en ze leven en werken onder ons. ‘We hebben wel terdege rekening te houden met de satan als een macht, die het rijk van God aanvecht en die als een persoonlijke wil mensen verleidt….We hoeven de duivel geen inktpot toe te slingeren, zoals Luther deed, maar we hebben er alle belang bij zijn bestaan niet te negeren. De enigen die belang hebben bij zo’n negatie zijn de demonische machten zelf. Zij kunnen ongestoord hun gang gaan… Erkenning van de boze macht kan alleen maar een geopend oog geven voor de macht van Christus, die niet slechts Heer is over de mensenwereld, maar die ook Heer is over dié machten, die onze macht en ons denken ver te boven gaan.’ (Van de Beek, 1984,193). Zo is het door de eeuwen heen in de belijdenissen van de Kerk uitgesproken en in de levens van de gelovigen ervaren.
Misschien is er aan het begin van de 21e eeuw te spreken van een voorzichtige kentering. Er komt wat meer opening voor het erkennen van occulte en demonische machten als realiteiten achter de schermen van het gebeuren in de wereld. De filosoof Karl Jaspers zei in de vorige eeuw: ‘Wij hebben in deze eeuw gezien hoe hele volkeren bezeten werden en zich te gronde hebben gericht en de theologie verwaarloost het thema van individuele en massale bezetenheid steeds meer’ (geciteerd bij Joh. Verkuyl, 1992, 260). De onproportionele afmetingen van de ongerechtigheid en de verwording in de wereld hebben de mensen opnieuw aan het denken gezet over de realiteit van het bovenmenselijke kwaad. Het harmonieuze wereldbeeld van de 19e eeuw heeft ernstige deuken gekregen en daardoor gaan steeds meer mensen gelukkig niet langer met een schouderophalen aan het demonische voorbij. Blijft de theologie dat wél doen, dan raakt zij het contact met de realiteit geheel kwijt!
De geloofsleer dient haar weg te zoeken tussen de klippen van overschatting en onderschatting van de Boze en het demonische door. Een goed voorbeeld van evenwichtige aandacht voor de duivel en zijn rijk vinden we in de Nederlandse Geloofs Belijdenis (1561). In 37 ‘artikelen’ wordt de gehele geloofsleer uiteengezet. De duivel komt met name voor in artikel 12, ‘De schepping van de wereld; de engelen’. Hier wordt gesteld: ‘God heeft ook de engelen goed geschapen, om zijn afgezanten te zijn, en zijn uitverkorenen te dienen. Sommige van die engelen zijn uit die verheven staat, waarin God hen geschapen had, in het eeuwig verderf gevallen, maar de anderen hebben door Gods genade volhard en zijn in hun oorspronkelijke staat staande gebleven. De duivelen en boze geesten zijn zo verdorven, dat zij vijanden van God en van al het goede zijn. Uit alle macht loeren zij als struikrovers op de Kerk en elk van haar leden, om alles door hun bedriegerijen te vernielen en te verwoesten. Zij zijn daarom door hun eigen boosheid veroordeeld tot de eeuwige verdoemenis en verwachten dagelijks hun verschrikkelijke pijnigingen. En wat dit betreft verfoeien wij de dwalingen van de Sadduceeën, die ontkennen dat er geesten en engelen zijn; en ook de dwaling der Manicheeën, die zeggen dat de duivelen hun oorsprong uit zichzelf hebben en van nature slecht zijn, niet dat zij verdorven zijn geworden.’ 
 
De Godsleer en de satan
Binnen de theologie in engere zin – de Godsleer – speelt de satan een wezenlijke rol. God wordt beleden als de Almachtige die alle dingen regeert in zijn voorzienigheid en naar zijn raad. Nergens wordt in de Schrift door verwijzing naar de satan afbreuk gedaan aan het belijden dat uiteindelijk alleen God regeert over het goede en het kwade. Van stringent dualisme is geen sprake. Een contra-god is de satan beslist niet. God staat altijd boven hem en stelt hem de grens. Er is dus geen eeuwige antigod van duisternis als tegenhanger van de God van het licht (zoals in de Perzische godsdienst Ahriman tegenover Ahuramazda stond). De grondovertuiging en kernbelijdenis van Israël dat Jahwe enig is (Deut.6:4), sluit uit dat een
kwade macht ooit met God op hetzelfde niveau zou kunnen staan. De openbaring aangaande de duivel en de boze geesten is in het OT niet erg uitgewerkt, omdat alle nadruk valt op de heerschappij van God en op het belang Hem te dienen. De openbaring is en blijft theocentrisch. In afbakening tegenover het dualisme wijst artikel 12 van de NGB zoals we zagen de manichese dwaling nadrukkelijk af en houdt daartegenover positief nadrukkelijk vast aan de val van de engelen. De Manicheeën, volgelingen van een zekere Mani uit de derde eeuw, meenden dat de wereld geschapen was door  een boze tegengod die er evenals God zelf altijd al geweest was. Er is dan sprake van twee oerprincipes die beide even oorspronkelijk zijn. Het kwade heeft dan even oude papieren als het goede en het wordt opgenomen en verklaard in een metafysische evenwichtsconstructie.
De Bijbel kent alleen God als de Eeuwige. Daarmee leert de Bijbel geen stringent monisme in deze zin dat goed en kwaad, licht en duisternis uiteindelijk één en dezelfde bron zouden hebben. In God enkel Licht wordt geen duisternis gevonden. De verantwoordelijkheid voor het kwade blijft volledig bij het schepsel liggen.  Zo komt aan de rand van het OT de satan in het vizier als  ‘tweede oorzaak’ onder God.  Er is een en andermaal sprake van boze geesten die wel oorspronkelijk bij God vandaan komen, maar van Hem vervreemd zijn. Satan is een wezen dat niet meer tot de hemelse hofhouding behoort. Als hij in Job 1 temidden van de engelen, ‘de kinderen van God’, verschijnt, valt hij op als een vreemd element. Toch wordt hij er nog wel geduld.
Hoe het mogelijk is dat het kwaad Gods oorspronkelijk goede schepping kwam verstoren, is een peilloos diep raadsel. Het ontstaan van het kwaad wordt in de Schrift op geen enkele manier verklaard. In 2 Petrus 2:4 en Judas 6 wordt het bestaan van tegenstand in Gods schepping herleid tot een val van engelen. Het blijft bij een summiere verwijzing, slechts een tipje van de sluier wordt opgelicht.
Opmerkelijk is het afwijkende standpunt van K. Barth op dit punt. Engelen en demonen verhouden zich volgens hem tot elkaar als schepping en chaos. De demonen zijn niet door God geschapen en zijn dan ook niet creatuurlijk (1950, 613)  Hun ‘bestaan’ hangt samen met het ‘neen’ dat God noodwendig uitspreekt, wanneer Hij schept en het voor zijn schepsel opneemt. De demonen bestaan, doordat Gods verkiezen een verwerpen, zijn genade een gericht insluit. Er is bij Barth geen sprake van een val der engelen. Hij noemt deze gedachte ‘één van de boze dromen der oude dogmatiek’. Deze droom zou voortkomen uit de overbodige behoefte om aan de zondeval een metafysisch, aan de geschiedenis voorafgaand fundament te geven, namelijk in de hemel, en op deze manier toch weer het nietige (‘das Nichtige’) te verklaren en af te leiden, in plaats van het in al z’n demonische chaotische irrationaliteit te laten staan. 
Naar mijn mening doet Barth zo geen recht aan de inderdaad summiere, maar toch duidelijke bijbelse gegevens uit Judas en 2 Petrus. De verwijzing die daar gegeven wordt naar de oerzonde en val van de engelen doet op geen enkele wijze afbreuk aan de absurditeit van het kwaad en bedoelt ook zeker niet een antwoord te geven op de vraag naar het ‘unde malum’ (waar komt het kwaad vandaan?). Door vast te houden aan de schepping en val van de duivel en de demonen kunnen we de Godsleer zuiver houden van monisme en dualisme. God is op geen enkele wijze verantwoordelijk voor het kwaad (de monistische dwaling), maar het is ook niet zo dat Hij er (voorlopig) machteloos tegenover staat en het nog niet in zijn  greep kan krijgen (de dualistische dwaling). De paradoxale werkelijkheid blijft dat er in de wereld en in de geschiedenis vele dingen tegen Gods wil ingaan, maar geen ding buiten zijn wil om (zoals Augustinus formuleerde). Dat God uiteindelijk door een kromme stok een rechte slag weet toe te brengen, maakt de kromme stok niet recht en de rechte slag niet krom.
 
De christologie en de satan
Een belangrijk aspect van de bijbelse boodschap is dat Jezus de Overwinnaar is van de boze machten, de Christus Victor. Hier ligt een spits van Jezus’ werk op aarde: Hij is niet alleen de verzoener, het Lam dat de zonden der wereld wegdraagt, maar ook de overwinnaar van de boze machten. Jezus werd geopenbaard om de werken van de duivel te verbreken (1 Joh. 3:8). Door het volbrachte werk van Christus, is de satan in principe al een verslagen vijand. Dat Christus bij zoveel gelegenheden tijdens zijn omwandeling op aarde duivelen uitwierp, heeft alles te maken met de kern van zijn missie op aarde. Hij belichaamt het komende koningschap van God en door zijn woorden en daden wordt het machtsbereik van de boze kleiner. Jezus zelf heeft in de woestijn de verzoekingen van de satan doorstaan en heeft daarmee de duivelskring doorbroken. Vervolgens trekt Hij in zijn optreden onder de mensen een steeds wijdere cirkel van bevrijding om zich heen. De boze wordt steeds meer uit Gods schepping verdrongen, Jezus gaat het bezet gebied binnen en claimt Gods mensen en schepping terug. Dit is geen verleden tijd, maar voluit tegenwoordige tijd. Jezus gaat hier nog steeds mee door. Door zijn Woord en Geest komt er steeds meer bevrijd gebied waar mensen weer zichzelf kunnen zijn en op adem kunnen komen. Ze worden gesteld in een nieuwe vrijheid waarin ze weer beseffen dat ze mogen en kunnen leven tot eer van God.
Deze bevrijdende macht heeft Jezus ook aan de gelovigen geschonken. De centrale tekst hierbij is Lucas 10:18 ‘Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen’. Christus is de Sterkere uit Lucas 11:21v., die in het domein van de boze is binnengedrongen, diens wapenrusting heeft geroofd en deze nu uitdeelt. De satan is in principe verslagen in de woestijn, beslissend verslagen op Golgotha en op de Paasmorgen, en hij wordt voortdurend verslagen bij elke bekering van een zondaar, bij elke bevrijding van een mens uit demonische banden, van welke aard die banden dan ook mogen zijn. Paulus getuigt op heel eigen wijze van deze overwinning in de brieven aan de Efeziërs en de Colossenzen. Jezus is de Overwinnaar van de machten, de wereldelementen en de beheersers van deze eeuw. Bij ‘machten’ kunnen we denken aan ‘religieuze tradities, adatsystemen, structuren, politieke systemen en ideologische blokken’ (Verkuyl, 269). In dit alles verschansen de duivel en zijn demonen zich, maar Jezus heeft hen aan het kruis de doodsteek gegeven en ze aan zijn zegekar gebonden. Al oefent de satan de facto heerschappij hier op aarde uit, soevereiniteitsrecht heeft hij niet. Tot de komst van Christus mocht hij nog in de hemel komen. Door het werk van Christus is hij als een bliksem uit de hemel gevallen en is hem de toegang tot Gods troonzaal definitief ontzegd. Het loopt Christus dus niet uit de hand. De strijd is hevig en spannend, maar de overwinning is zeker en vast. Het is zoals ds. Blumhardt het beleed in zijn strijd tegen demonie: ‘Jesus ist Sieger!’ (vgl. hoofdstuk 5).
Overigens geldt ook hier weer de paradox:  Jezus heerst vanaf het hout en temidden van zijn vijanden. De satan is nog altijd ‘de overste dezer wereld’. Hoewel hij uiteindelijk aan de heerschappij van Christus onderworpen is, ontplooit hij toch een enorme negatieve activiteit. De facto voert hij heerschappij in deze door de zonde ontredderde wereld. Het NT spreekt over de lucht als het operatieterrein en de invloedssfeer van de onder de satan staande demonen. In deze apocalyptische en mythologische taal wordt de werkelijkheid van de omvattende werkingssfeer van boze machten aangeduid: zij maken zich meester van mode, publieke opinie, communicatiemedia, culturele vooronderstellingen, economische en politieke machtsconcentraties, wetenschappelijke paradigma’s, enzovoorts. Nergens onderschat de Schrift, ondanks de triomf van Christus, de macht van de satan. Hij is het hoofd van de demonen die een ontzaglijk groot aantal (maar toch de kleinste helft) van de engelen tot de val heeft weten te brengen. In mensen die bezeten zijn, toont de satan wat hij vermag. Deze mensen zijn kennelijk willoze instrumenten van de duivel en worden als het ware door hem gehypnotiseerd. Zodra is gebleken dat Christus zelf niet door hem te treffen is, barst de duivel in verbeten woede los tegen Christus’ Kerk (Openbaring 12).
 
De pneumatologie en de satan
Demonen worden uitgedreven door de Geest van God (Mat.12:27). De Geest voert Gods geding om Gods wereld. Hij zal de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. Van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is (Joh.16: 8,11). Waar de Geest van God waait en werkt, laat de geest uit de afgrond zich niet onbetuigd. Het satanische verzet is gemobiliseerd sinds de verschijning van Christus in het vlees en het is er na de uitstorting van de Heilige Geest op de grote Pinksterdag niet minder op geworden. Dit verzet gaat in alle felheid door tot op de huidige dag. Het treft ons telkens weer hoe ernstig bijvoorbeeld de apostel Paulus, die toch uit de overwinning van Jezus Christus leefde, in zijn persoonlijk leven, in zijn vermaan van de gemeente en in zijn zendingswerk met de werkelijkheid van de boze heeft gerekend (1 Kor.10:20; 1 Tit. 4:1). Maar hij laat in zijn brieven duidelijk uitkomen dat de Geest de gemeente toerust met bijzondere krachten en gaven om de satan te kunnen weerstaan en de demonen te overwinnen. Dit ligt in de lijn van Marcus 16:17, waar de gelovigen is toegezegd dat zij in Jezus’ naam demonen zullen uitdrijven (vergelijk Luc.10:17).
De charismatische begaafdheid van de gemeente maakt haar in principe geschikt om de boze dapper te weerstaan. In de kracht van de Geest voert de gemeente de militia Christi, een moedige geloofsstrijd met het zicht op de overwinning van Christus. Efeziërs 6:10-17 is hier het bekendste voorbeeld van. Joh.Verkuyl schrijft hierover: ‘De achtergrond van hetgeen ons bedreigt en te gronde tracht te richten, wordt gevormd door het rijk der duisternis, het rijk van de boze, met zijn hiërarchieën, zijn overheden, zijn inlichtingendienst, zijn aanvoerders en legerscharen, zijn spionnen en provocateurs. De Bijbel zegt ons, dat ‘het demonische’ niet zomaar een begrip is, een naam voor allerlei onverklaarbaars, maar een donkere werkelijkheid. Het mensenrijk grenst aan en wordt beïnvloed door het rijk der duisternis. Heel de geschiedenis der Godsopenbaring is er vol van dat het rijk der duisternis worstelt met het Rijk van God en dat het slagveld van die worsteling de mensenwereld is’ (273).
In deze arena is de Geest als Paracleet afgedaald om de Kerk ruggesteun te geven. We staan er in het geloof nooit alleen voor! Dogmatisch moet de ‘streeptheologie’ die op willekeurige en ongefundeerde wijze het functioneren van allerlei charismata tot de apostolische tijd wil beperken, duidelijk worden afgewezen (vergelijk Runia, 2000, 61vv.). Positief gezegd: in de pneumatologie dient ruimte te zijn voor een derde aspect van het werken van de Geest naast het brengen tot het geloof en de vernieuwing van het leven (rechtvaardiging en heiliging), namelijk het aspect van de vervulling en de charismatische toerusting, waaraan alle oprechte gelovigen deel hebben.
Toch zien we in de praktijk van het gemeentelijk leven en van het persoonlijk geestelijk leven dat maar al te vaak niet of veel te weinig geleefd wordt uit de overwinning van Christus en in de kracht van de Geest. Er wordt dan op allerlei wijzen ruimte gegeven aan de boze waardoor hij afbreuk kan doen aan de uitstraling en de werfkracht van de gemeente. Het is zelfs mogelijk dat een gelovige occult belast raakt, zodat het schijnt alsof Christus niet langer Heer en meester is in zijn of haar leven. Gelovigen kunnen in hun leven de deuren open zetten voor de boze, die dan van de gelegenheid gebruik maakt zijn intrek opnieuw te nemen in de harten van mensen die toch Christus hebben leren kennen. De Heilige Geest wordt dan bedroefd, tegengestaan en uitgeblust en trekt zich terug naar de rand van het bestaan van zo’n ver afgedwaalde en ingezonken gelovige. Het is dan urgent om de oorzaken van deze ellende onder ogen te zien en te belijden. In dit kader kan een direct aanspreken van boze geesten – een geest van haat, een geest van hoogmoed, enzovoort - op zijn plaats zijn om deze in de Naam van Christus uit te drijven. Daarvoor is wel nodig dat een zorgvuldige diagnose gesteld is en dat er meer aan de hand is dan karakterfouten en psychische afwijkingen.
Iemand als dr. Martyn Lloyd Jones, die toch bepaald niet van hang naar magie kan worden beticht, vertelt in één van zijn boeken over een meisje, een christin, die in de greep van kwade machten was geraakt (1982,167). Hij adviseerde de plaatselijke predikant en de ouderlingen dat ze eerst voor zichzelf moesten bidden om de bescherming van de Here tegen het kwaad, vervolgens naar het meisje in kwestie toe moesten gaan en haar uitleggen: ‘Volgens ons word je gekweld en bezeten door een boze geest. Zou je graag bevrijd willen worden?’ Als dat meisje bevestigend zou antwoorden, moesten ze voorbede voor haar doen in haar bijzijn en daarbij herhaaldelijk de zin ‘Jezus Christus is in het vlees gekomen’ uitspreken. En zo gebeurde het. Terwijl ze aan het bidden waren en een aantal keren de genoemde zin uitspraken, begon het meisje ineens met een verschrikkelijke stem te roepen: ‘Jezus Christus is niet in het vlees gekomen!’, waarbij ze op handen en voeten begon te lopen en te blaffen als een hond. De predikant en de ouderlingen begonnen nog indringender te bidden voor haar bevrijding. Toen gelastte één van hen de boze geest in Jezus’ Naam om haar los te laten. Het meisje werd vervolgens heel rustig en zei op kalme toon: ‘Hij is weg!’ Lloyd Jones vertelt vervolgens dat hij het meisje ’s avonds met een stralend gezicht in de kerkdienst het lied ‘Jezus, Minnaar van mijn ziel’ zag meezingen.
De gave van duiveluitbanning is dikwijls verwaarloosd en lijkt uit vele kerkelijke gemeenschappen verdwenen te zijn. Wanneer we een pleidooi voeren om naar wegen te zoeken om opnieuw ruimte te geven aan deze gave, om weer open te staan voor deze mogelijkheid die de Geest aanreikt, dienen we uiteraard de nodige voorzichtigheid te betrachten.
 
De eschatologie en de satan
De satan blijft tot op de jongste dag actief. De macht van de duivel op zichzelf is voor en na Christus’ komst op aarde niet meer of minder geworden Zijn macht gaat nog steeds vernietigend over de wereld. In de Bijbel wordt de overwinning gepredikt, maar wordt tegelijkertijd en op die grondslag de strijd en het hartstochtelijk verzet gestimuleerd.
De meest geslaagde proeve van duivelse verleiding is tot nog toe Judas, maar in de eindtijd komt de antichrist. Naar mijn overtuiging zijn er door de eeuwen heen telkens manifestaties geweest van de antichrist, de mens der wetteloosheid, maar zal er in de eindtijd nog een ultieme manifestatie zijn van een mens in wie het verzet tegen God en tegen Christus een afschuwelijk culminatiepunt vindt. Deze antichrist zal gedurende heel zijn leven onder volledige inspiratie van de satan staan (2 Tess. 2).
Welke uitleg ook gegeven wordt aan de binding van de satan volgens Openbaring 20:1-3, de bijbelse boodschap over de eindtijd is er duidelijk over dat de satan tot op de dag van de definitieve voltooiing van het koninkrijk Gods blijft huis houden in de geschiedenis. De hoop van de gemeente is ten diepste niet gericht op enige verbetering van de wereld, ook al wil God in zijn genade oases geven tijdens de woestijnreis, maar op Gods grote en beslissende ingrijpen dat de geschiedenis ten einde brengt. De bezetenen in het evangelie die veelvuldig op Jezus’ weg komen, zijn symbolen van de destructieve macht van de duivel, maar worden door Christus’ bevrijdend handelen tot tekenen van zijn heilzame heerschappij. Ze zijn opgerichte tekenen van hoop op Gods nieuwe wereld die komt, een wereld die bevrijd zal zijn van alle demonische invloeden. Ze verwijzen naar een nieuwe schepping waarbinnen de duivel geen toegang meer heeft, omdat zijn macht voorgoed gebroken is. Eenmaal zal de God des vredes de satan als oorlogsmaniak vertreden, zijn macht verbrijzelen en de gelovigen tot volkomen overwinning brengen (Rom.16:20). Hoeveel de duivel onder de toelating van God ook nog mag doen en zal doen in het laatste der dagen, toch kan hij niet ongelimiteerd tekeer gaan tegen Christus’ Kerk, welke immers gelegenheid moet ontvangen om haar taak in deze wereld te volbrengen. De macht van de satan is vreselijk, maar ook begrensd. Als de demonen aan God denken, staan ze stijf van schrik. Alle engelen, boze en goede, zullen eens geoordeeld worden. Het eindoordeel houdt de finale ondergang van de satan en diens demonen in. Hij zal voortaan totaal genegeerd en buiten de kosmos geworpen worden. Hij telt dan niet meer mee en ondervindt uitsluitend Gods toorn. Hij zal zijn in de poel van vuur en zwavel, in een giftige, verstikkende, levensbenauwende toestand.
 
Satan, zonde en ziekte
Zoals we zagen hecht een dogmaticus als H. Berkhof die het reële bestaan van de duivel ontkent niettemin aan de voorstelling van een satansfiguur en wel vanwege de theologische betekenis daarvan. Hij betrekt dit op de hamartiologie, de leer aangaande de zonde. Aan het beeld van de satan leest hij af dat er in de zonde naast de dimensie van de schuld ook die van de tragiek zit. De mens is geen duivel, de schuldige is altijd ook de verblinde. Het gaat dan bij de leer van de satan om een partiële ontlasting van de menselijke verantwoordelijkheid, zodat wat er overblijft ook werkelijk als eigen schuld kan en moet worden aanvaard. In deze zin bedoelde G.K. Chesterton zijn uitspraak over ‘the happy doctrine of the devil’, het gelukkige leerstuk van de duivel. De mens – zo Emil Brunner- is niet geniaal genoeg om zelf de zonde uit te denken. Zonde als zelfontsteking, dus zonder enige verleiding van buitenaf, is de daad van de satan. De menselijke zonde vooronderstelt een verleidende macht, anders zou het geen menselijke, maar duivelse zonde zijn. Deze gedachte mag echter in geen enkel opzicht leiden tot verontschuldiging van de mens in diens eigen verantwoordelijkheid.
Op zich zijn deze gedachten zeker juist. Ook de bekende gereformeerde dogmaticus Herman Bavinck heeft daarop gewezen (III, par.43): ‘Het geloof aan de duivel handhaaft tegelijk de ontzettende ernst van de zonde en de verlossingvatbaarheid van de mens’. Bavinck bedoelt echter met ‘het geloof aan de duivel’ de aanvaarding van de realiteit van de boze en daarin heeft hij scherper gezien en juister geoordeeld dan Berkhof.
De duivel heeft niet alleen alles te maken met zonde, maar ook met ziekte. Ik denk hierbij aan een discussie die ik jaren geleden voerde met een christen-psychiater. Deze had in een kerkblaadje de volgende woorden van een pastor gelezen: ‘Mevrouw X is in het ziekenhuis opgenomen op de afdeling psychiatrie. De strijd en de vragen zijn groot. Satan is listig en sterk. Wij moeten wel zeggen: wie zal tegen Satan op kunnen? Dat kunnen wij niet. Doch er is er Eén die dat wel kan. Dat is de grote Overwinnaar van dood en graf, de Here Jezus Christus. Die heeft overwonnen.’ De psychiater had grote moeite met deze benadering, met name met de suggestie dat sommige mensen met psychiatrische problemen zich in de greep van Satan bevinden. Dat roept grote verwarring op en maakt de vraag naar criteria urgent: wanneer spelen demonen een rol bij psychiatrische ziektebeelden en wanneer niet?
Naar mijn inzicht moeten we stellen dat overal waar lichamelijke en psychische ziekte is, de macht van de satan zich openbaart. Alle ziekten staan in verband met de duivel en zijn demonische rijk. De duivel staat aan de kant van dood en verderf, terwijl de Here de God van het leven is. De satan laat hier als overste dezer wereld onder de toelating van God zijn verdervende macht gelden. Een macht die hij gekregen heeft door onze zondeval. Als bezwaar tegen de boven geciteerde dominee zou kunnen worden ingebracht dat hij in zijn kerkbode spreekt over de satan als het psychiatrische ziekten betreft, maar waarschijnlijk niet als het gaat over een hartinfarct of over kanker. Ik meen dat lichamelijke én psychiatrische ziekten wat dit betreft gelijkelijk beschouwd moeten worden.
Het boven gestelde is zeker niet het enige wat vanuit het bijbels getuigenis over het lijden te zeggen is, maar het is er wel een belangrijk aspect van. In de bijbelse geschriften komt – naast andere gezichtspunten - zeker de idee voor dat de satan niet alleen de diepste bron van de zonde, maar ook van het lijden is (Van de Beek, 1984, 184).
Verder moet duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen psychische ziektebeelden enerzijds en een bepaalde mate van demonische bezetenheid anderzijds. In het laatste geval hebben mensen zelf door occulte spelletjes, astrologische praktijken, handleeskunde, wichelen en pendelen, bloedpacten, satanscultus, spiritisme en dergelijke het contact met de satan gezocht en zich op het domein van de boze begeven. Belijden van het kwaad, breken met dat kwaad, vasten en bidden is dan de weg om door de kracht van de Heilige Geest tot bevrijding en vernieuwing te komen.
 
Dogmatische aandacht voor exorcisme en occultisme
Aan het slot van dit hoofdstuk keren we terug tot het pleidooi om in de dogmatiek meer aandacht te geven aan demonie en exorcisme. Bij de voortgaande bezinning hierop kan worden aangesloten bij aanzetten die her en der gegeven zijn. Er zal expliciet ingegaan dienen te worden op de werkelijkheid van demonische bezetenheid en van demonische beïnvloeding. Zal het uitdrijven van demonen niet steeds meer nodig worden vanwege de groeiende belangstelling voor het occultisme, voor spiritisme, satanisme en zwarte magie? Uiteraard moet er zorgvuldig en diepgaand nagedacht worden over de praktische vormgeving van de dienst der bevrijding in de pastorale praktijk en in het leven van de gemeente. Het gaat niet om een bepaalde precies voorgeschreven methode van exorcisme. ‘Als de precieze methode wel belangrijk was, dan zou de Bijbel ons wel voorbeelden of aanwijzingen in die richting gegeven hebben’ (Duffield/Van Cleave, 523). Vanuit dogmatisch gezichtspunt is geen bezwaar in te brengen tegen herleefde aandacht voor het exorcisme. Wanneer we last hebben van satanische verzoekingen, van demonische banden, van occulte belasting, is er bevrijding voor ons te vinden door de Naam van Jezus. De gaven van de Geest tot bevrijding gelden vandaag de dag nog net zo goed als in de tijd van het NT. Waar we Jezus’ Naam aanroepen, jagen we de duivel de stuipen op het lijf, want hij weet dat hij het al van Jezus verloren heeft en het eeuwig van Hem zal verliezen. Jezus is Overwinnaar! Met het Woord van God heeft Hij de duivel overwonnen en verjaagd. Nu mogen we de toevlucht nemen tot Hem en zo zullen we in zijn kracht meer dan overwinnaars zijn.
Er zijn maar al te veel mensen die occult belast zijn en de knellende banden ervaren waarmee de duivel met zijn demonen hen gevangen houdt. Satan leeft onder ons. Zijn signalement wordt ons door de Bijbel verstrekt met een indringende waarschuwing erbij. Hij gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou kunnen verslinden. Maar wie hem wederstaat, wie tegenstand biedt met het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord, en wie met het schild van het geloof zijn vurige pijlen uitblust, zal zien dat de duivel van hem wegvlucht. In deze geestelijke strijd kunnen broeders en zusters in het geloof elkaar tot grote hulp en steun zijn. De bevrijdende kracht van de Geest mag gelovig worden ingewacht. De Here Jezus heeft de kop van de oude slang vermorzeld door zijn werk op aarde. Daarom bidden we met vertrouwen: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. ‘Dat wil zeggen: omdat wij uit onszelf zo zwak zijn, dat wij geen ogenblik zouden kunnen bestaan, en omdat bovendien onze doodsvijanden, de boze, de wereld en ons eigen vlees niet ophouden ons aan te vechten, wil ons daarom door de kracht van Uw Heilige Geest staande houden, opdat wij in deze geestelijke strijd niet ten onder gaan, maar altijd krachtig weerstand bieden, totdat wij eindelijk de overwinning volledig behalen’ (Heidelbergse Catechismus, zondag 52).
 
Dr. J. Hoek is hervormd predikant en docent dogmatiek aan de Christelijke Hogeschool Ede (CHE). Tevens is hij directeur van de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Bond ‘Johannes Calvijn’ te Ede en buitengewoon hoogleraar aan de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) te Leuven (België).
 
Het artikel Duivel en demonen in de dogmatiek vormt het zesde hoofdstuk in de bundel Geestelijke strijd (onder redactie van dr. Mart-Jan Paul). Lezers van CV•Koers kunnen dit boek met 3,50 euro korting aanschaffen in de christelijke boekhandel (zie het kader bij dit artikel).



Dit artikel maakt deel uit van het dossier Bevrijdings pastoraat

Dit artikel is verschenen in CV·Koers april 2008

Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel



AdverterenNieuwsbriefAbonnee wordenContact
© cv·koers 2010

inloggen
e-mailadres:
wachtwoord:
cv•extra dossiers
40 jaar cv•koers
Kerk en postchristendom
In den beginne
De multiculturele samenleving