forum
"Een Paars kabinet is geen drama"
Mee eens
Niet mee eens
Geen mening
Stem
Vorige forums
Hoe geloofwaardig is ID als wetenschappelijke theorie?

Speuren naar de scheppende hand van God


kaders:
Boek ID vraagt om vervolg
Aanwijzingen genoeg voor een ‘intelligente ontwerper’ van de wereld, stelt de Intelligent Design-theorie. Alleen, die deed er wel miljarden jaren over. Voor veel christenen klinkt dit verwarrend – of zelfs verwerpelijk. René van Woudenberg, filosoof en christen, ziet er wel wat in. Bioloog Jan Lever, eveneens gelovig, kan er minder goed mee uit de voeten: je kunt nooit bewijzen dat er een schepper is.

Door Tjerk de Reus


Speuren naar de scheppende hand van God Het boek Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp, dat de afgelopen maand verscheen, deed veel stof opwaaien. Deze week verschijnt al de vierde druk van het boek, dat bedoeld is als een bezinning op het Intelligent Design-denken (ID). Een groep hoofdzakelijk Nederlandse wetenschappers legt hierin forse bezwaren op tafel tegen de evolutietheorie. Zij noemen het ongeloofwaardig dat alles ontstaan zou zijn door toeval, een proces van toevallige mutatie (verandering) en natuurlijke selectie, zoals de evolutieleer van Darwin stelt.
Kijk naar al die complexe biologische en fysische ontwikkelingen, stellen de meeste auteurs in het boek. Die móeten het resultaat zijn van een vooropgezet plan, een – mogelijk goddelijk – ontwerp. Hoe zouden er anders zulke complexe bouwsteentjes als moleculen kunnen ontstaan, of een hi-tech systeem als het oog? Kort samengevat luidt de theorie van ID: onze wereld met alles erop en eraan is weliswaar in de loop van miljarden jaren ontstaan, maar is duidelijk het product van een intelligent ontwerp.
Maar hoe geloofwaardig is zo’n stelling nu eigenlijk? Luidt dit een nieuwe fase in voor de wetenschapsbeoefening – of is ID hoogstens een luis in de pels van de reguliere wetenschap? Wetenschapsminister Maria van der Hoeven deed na een gesprek met nano-technoloog Cees Dekker in haar weblog de suggestie om een academisch debat over Intelligent Design te starten. Dat idee werd haar door velen bepaald niet in dank afgenomen. Het leidde in de Tweede Kamer tot felle discussies. Ook door wetenschappers werd er geschamperd: bioloog Ronald Plasterk stelde in een Buitenhof-column dat hij geen bioloog kent ‘die Intelligent Design de moeite waard vindt’.waard vindt.
 
René van Woudenberg (1957) stelde samen met Ronald Meester en Cees Dekker het genoemde boek samen. Hoewel hij zelf geen natuurwetenschapper is, staat hij positief tegenover de stellingname van ID. Jan Lever (1922), voormalig hoogleraar biologie aan de VU, is daar minder expliciet over. Hij zegt in zijn bijdrage aan het boek niets over ID, maar laat wel zien hoe de geraffineerdheid van de natuur hem tot verwondering en bewondering brengt. Lever schreef in de jaren vijftig en zestig boeken over schepping en evolutie. Hoe staat hij in de discussie rond ID?
,,Ik sta er kritisch in’’, zegt Lever. ,,Een journalist van de Volkskrant vroeg mij bij de presentatie: ‘Bent u geen vreemde eend in deze bijt?’ Ik antwoordde hem: ‘Nee, ik ben een eend in een vreemde bijt.’ Daarmee bedoel ik: de evolutietheorie speelt vooral een rol op het terrein van de biologie. In het boek Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp staan vooral bijdragen van filosofen, kosmologen en andere wetenschappers. De biologen die aan het boek hebben bijgedragen, zijn – op mij na – geen wetenschappers die op het niveau van  soortvorming de ontwikkelingsstadia van organismen bestuderen. Terwijl dat nu net het punt is waartegen de ID-aanhangers te hoop lopen. Ik heb zelf veel studie gemaakt van weekdieren, schelpen, platvissen, insecten en fossielen. Ik denk dat het belangrijk is dat mensen die op dat terrein deskundig zijn, zich mengen in de discussie rond ID.’’
René van Woudenberg: ,,Er zijn vijf biologen die aan ons boek meewerken. Dat ook niet-biologen meegewerkt hebben, heeft een dubbele reden. Ten eerste omdat de evolutietheorie ook uiterst belangrijke biochemische, wiskundige en wijsgerige aspecten heeft. Ten tweede omdat evolutionaire theorieën waarin toeval en selectie een centrale rol spelen, ook buiten de biologie worden toegepast, zoals in de psychologie en andere menswetenschappen, maar ook in de kosmologie. Drie astrofysici hebben aan ons boek bijgedragen. Kortom, misschien is de bijt toch niet zo heel erg vreemd.’’
 
Het boek wil per se geen boek zijn van gelovigen die via de weg van de wetenschap het bestaan van God aannemelijk willen maken. God blijft aan de rand van het boek.  Speelt hier angst mee niet serieus genomen te worden?
Van Woudenberg: ,,Nee, zo zit dat niet. Het gaat ons er ten eerste om dat je in de natuur zogenaamde ‘complexe structuren’ aantreft, waarvan je je kunt afvragen of ze verklaarbaar zijn door toeval. Cees Dekker, een van de samenstellers, is een kenner van de cel. Hij is hoogleraar in de moleculaire biofysica. Als hij ziet hoe complex een cel in elkaar zit, stelt hij als wetenschapper de vraag: hoe kon dit ontstaan? Als toeval een onwaarschijnlijke verklaring lijkt te zijn, kun je gaan onderzoeken of er sprake kan zijn van ‘ontwerp’. Ten tweede gaat het ons erom dat de fysische constanten in ons universum – zoals de zwaartekrachtconstante, de Planckconstante en de intramoleculaire krachten – zodanig op elkaar zijn afgestemd dat er leven in onze kosmos mogelijk is. Hadden de constanten een íets andere waarde gehad, dan was een kosmos ontstaan waarin géén leven mogelijk was. Dit roept de vraag op of deze afstelling aan toeval kan worden toegeschreven of dat er een ontwerp achter zit.’’
,,Vergelijk het met het SETI-onderzoek [Search for Extraterrestrial Intelligence, red.] in de Verenigde Staten’’, vervolgt Van Woudenberg. ,,De ruimte wordt voortdurend afgeluisterd op signalen, zogenaamde signs of intelligence. Als ze een signaal zouden vernemen dat op een code lijkt, een ontworpen reeks, dan kan men veronderstellen dat er een ontwerp achter zit. Die specifieke signalen kun je dan niet als toevallig bestempelen. Dan zeg je: dit lijkt verdraaid veel op intelligentie. Zo kun je ook de complexiteit van een molecuul of een cel misschien veel plausibeler verklaren met ‘ontwerp’ dan met toeval. Om terug te keren naar de vraag: we hebben het dan over sporen van ontwerp. Wie of wat die sporen heeft aangebracht – God, een buitenaards wezen, een superkracht – weet je niet. Dat kan de wetenschap niet constateren. Daarom blijft God in zekere zin ‘aan de rand’ van het boek.’’
 
Beperkt
Professor Lever, heeft u in uw onderzoek naar weekdieren, schelpen en platvissen ook ontwerp kunnen traceren?
,,Ik zou dat niet zo zeggen, dat iets bij zijn ontstaan is ontworpen en dat op dat moment de ontwerper ingegrepen heeft. Er wordt in het boek gesteld dat aminozuren niet door toeval tot eiwitten samengesteld zouden kunnen zijn. Dat zou niet waarschijnlijk zijn. Ik wil daar iets tegenover stellen. De aarde is ongeveer vier miljard jaar oud. De oudste resten van leven – dus de oudste organismen – dateren van zo’n twee miljard jaar terug. Wij weten niet wat er gebeurd is in die twee miljard jaar die vooraf zijn gegaan aan de eerste levensvormen. We weten weinig tot niets van de omstandigheden waaronder de biofysische wereld toen in ontwikkeling was. Bovendien zijn wij als mensen erg beperkt. Wij kunnen een paar miljard jaar helemaal niet overzien. We kunnen mijns inziens dan ook niet beweren dat een bepaald organisme niet ontstaan kan zijn door een proces van mutatie en natuurlijke selectie. Wat weten we daarvan af? Waarschijnlijkheid of onwaarschijnlijkheid is niet iets wat wij kunnen bepalen op deze schaal.’’
Van Woudenberg: ,,Ik denk niet dat je vanuit het ID-standpunt iets ‘onwettigs’ doet of iets dat ongepast is. Er zijn veel zaken die niet verklaard kunnen worden door natuurwetenschappers, zelfs niet na tientallen jaren van intensief onderzoek. Dan kun je zeggen: we wachten wel op de oplossing die wetenschappers over tweehonderd jaar misschien gevonden hebben. Maar je kunt er ook op een andere manier naar kijken: als een werkelijkheid die bedoeld en ontworpen is. De vraag is dan: zou dit een plausibele verklaring kunnen zijn?’’
Lever: ,,Het geheel van de biologische en fysische werkelijkheid is het werk van God. Maar ik voel niets voor de gedachte van het ingrijpen van een ontwerper op het moment dat wij iets niet kunnen verklaren op een natuurlijke manier. Dat is een wijze van denken die ik afwijs. Dit zogenoemde supra-naturalisme is reeds door Abraham Kuyper in 1899 afgewezen.’’
Van Woudenberg: ,,Daar zou ik een kanttekening bij willen plaatsen. Zoals een koning zijn land regeert door wetten, regeert God de schepping door natuurwetten. Maar zoals een koning ook wel eens afwijkt van zijn eigen wetten en persoonlijk ingrijpt, is God ook niet gebonden aan Zijn eigen wetten. Dat betekent, dat je bij de bestudering van de natuur veel tegenkomt dat zich regelmatig en verklaarbaar heeft ontwikkeld. Maar er kunnen ook momenten zijn waarop het onwaarschijnlijk lijkt dat iets regelmatig en verklaarbaar is. Dan wordt de sturende hand van een intelligent ontwerper zichtbaar. Overigens wil ik er met nadruk op wijzen dat men ID-verklaringen niet kan diskwalificeren als ‘God-van-de-gatenargumenten’. In het boek onderzoek ik onder meer wat een God-van-de-gatenargument nu precies is. Ik kom tot de conclusie dat een ontwerp-argument geen God-van-de-gatenargument is.’’
 
Vindt u het ongezond om zo te redeneren, professor Lever?
Lever: ,,Ik zou er zelf niet zo toe geneigd zijn en ik zie er ook geen aanleiding toe. Ik zou zeggen: er zijn talloze zaken die wetenschappelijk onopgelost zijn en die op dit moment niet verklaard kunnen worden. Dat is prima, want dan kun je aan het werk.’’
,,Maar ik wil nog iets anders zeggen, een mijns inziens zwaarwegender bezwaar tegen ID. Intelligentie is een menselijke eigenschap. Zoals ik al zei: we kunnen niet een miljoen jaar overzien, laat staan een paar miljard jaar. Onze intelligentie schiet compleet tekort bij zulke grootheden. In dit licht, van de beperktheid van wat wij intelligentie noemen, vind ik het hoogmoed, overmoed, om God intelligent te noemen. Dan denk je te menselijk over God.’’
Van Woudenberg: ,,Intelligentie is geen bijbels woord. Maar in de Bijbel lees je wel dat God voornemens en ‘gedachten’ heeft, dat Hij iets op het oog kan hebben, dat Hij kan aansturen op een oplossing en mensen en gebeurtenissen leidt. Dat zijn nu precies eigenschappen die wij in de moderne tijd toeschrijven aan wezens die wij ‘intelligent’ noemen. De mens is geschapen naar Gods beeld. In dit licht is het niet onjuist om op een vergelijkbare wijze te spreken over menselijke intelligentie en goddelijke intelligentie. Natuurlijk speelt hier een kwalitatief onderscheid mee, maar dat neemt niet weg dat onze intelligentie en de aard daarvan niet los staan van goddelijke intelligentie.’’
 
Hoogmoed
Lever: ,,Ik ben het daar niet mee eens. Het is misplaatste hoogmoed als je denkt dingen te weten over wat men ‘goddelijke intelligentie’ noemt. In mijn boek Creatie en evolutie uit 1956 heb ik Prediker 3:11 opgenomen als motto: ‘Alles heeft Hij voortreffelijk gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens van het werk dat God doet, van het begin tot het einde, iets kan ontdekken.’ Je kunt als wetenschapper de natuur onderzoeken; dat leidt tot ver- en bewondering. Maar het is een mysterie hoe dit nu in de details Gods werk is.’’
,,We kúnnen dat niet wetenschappelijk constateren. Het is een geloofsstandpunt, dat buiten de wetenschap staat. Ik heb dit ook willen uitdrukken in mijn bijdrage aan het boek. Ik heb een uitgebreide schets gegeven van de complexiteit en wonderlijke samenstelling van een molecuul, een cel, een mens, de aarde, het heelal. Aan het slot maak ik de opmerking dat wij achter de grenzen van ons weten een ‘scheppende Onzienlijke’ kunnen vermoeden en zelfs geloven. Dat besef is door mijn hele bijdrage heen verweven. Dan hebben we het dus over de zin en de bedoeling van de wereld en alle wonderlijke verschijnselen. Maar dit ligt principieel buiten de grenzen van de wetenschap. Daarom heb ik mijn bijdrage als titel meegegeven: ‘Natuurwetenschap en natuurbeleving’.’’
Van Woudenberg: ,,Ik herken hier veel in. Levers bijdrage aan het boek heeft mij getroffen, omdat hij niet via een redenering bij het geloof in een Schepper uitkomt, maar eigenlijk door zijn hele stuk heen verweven heeft hoe de ingenieuze schepping hem verwondert en brengt tot gelovige gedachten over de Onzienlijke.’’
 
Terug naar ID. Als we de balans opmaken, is ID dan wel zo’n vruchtbare insteek voor de wetenschap? We zullen toch moeten toegeven dat ons verstand beperkt is en dat we op basis van het weinige dat we weten niet al te grote conclusies kunnen trekken.
Van Woudenberg: ,,Ik zie wel degelijk ruimte voor ID. Ik ben geen verdediger of verkondiger van het ID-gedachtegoed, maar de manier van denken is belangwekkend genoeg voor het wetenschappelijk debat omdat het bepaalde vanzelfsprekendheden ter discussie stelt. Ik bedoel dit: er wordt vaak vanuit gegaan dat de wetenschap duidelijk heeft gemaakt dat het geloof in God misplaatst is. ‘Als je wetenschap beoefent, word je vanzelf atheïst’, zei mijn Utrechtse collega Herman Philipse ooit tegen mij.’’
,,Dat tekent het klimaat dat ook in de natuurwetenschap heerst. Je mag in dit klimaat gewoonweg niet over ‘ontwerp’ spreken. Toch is dit vanuit filosofisch oogpunt helemaal niet vanzelfsprekend, zoals Gijsbert van den Brink in zijn bijdrage aan ons boek laat zien. We zien in de wetenschapsgeschiedenis namelijk dat steeds nieuwe concepten worden geïntroduceerd wanneer daar aanleiding toe is. En andere worden bij het oud vuil gezet, eveneens wanneer daar aanleiding toe is. Is er nú aanleiding om het begrip ontwerp te (her)introduceren in de wetenschap? Dat is een interessant punt van discussie – een discussie die niet kan worden beëindigd of voorkomen met de mededeling: ‘Ontwerp’ is geen wetenschappelijk concept’.’’
,,Wie bepaalt eigenlijk wanneer iets een wetenschap is? Staat het soms in de sterren geschreven: ‘Gij zult in de wetenschap het begrip ‘ontwerp’ niet gebruiken’? De vraag stellen is haar beantwoorden. De wetenschap is een uitermate beweeglijke praxis en het feit dat bepaalde begrippen nu niet gebruikelijk zijn, betekent nog niet dat ze dus niet relevant zijn. Wat mij betreft is ID vooral een luis in de pels van de gevestigde en reguliere wetenschap, door nieuwe verklaringen te zoeken voor kwesties waar de wetenschap al tientallen jaren geen stap voorwaarts komt.’’
Lever: ,,Ik zou op voorhand bijzonder terughoudend zijn met ontwerpverklaringen. We kunnen niet uitsluiten dat ze geldigheid hebben. Maar ik zie veel bezwaren in de benadering, vooral omdat je als beperkt mens de grenzen van je kennen te buiten gaat. Het scharnierpunt is de mate waarin iets waarschijnlijk of onwaarschijnlijk is. Maar zoals ik al heb gezegd: in zulke oordelen moet je heel terughoudend zijn. Wetenschappers moeten vooral de wonderbaarlijke natuur onderzoeken en naspeuren hoe alles ‘werkt’ en ‘in elkaar zit’. In een persoonlijke afweging kun je zeggen, vermoeden of geloven dat dit alles het werk is van de Schepper, die ons oneindig ver te boven gaat.’’



Dit artikel maakt deel uit van het dossier In den beginne

Dit artikel is verschenen in CV·Koers juli 2005

Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel



AdverterenNieuwsbriefAbonnee wordenContact
© cv·koers 2010

inloggen
e-mailadres:
wachtwoord:
cv•extra dossiers
40 jaar cv•koers
Kerk en postchristendom
In den beginne
De multiculturele samenleving