Wat betekent het te leven in een wonder?
kaders:
• De kunst van het verwonderen
Hoe relevant is het eigenlijk of de wereld is ontstaan door schepping of door toeval? Doet het ertoe voor je leven vandaag? Jazeker, ontdekte Reinier Sonneveld: geloven dat de wereld is geschapen is bevrijdend. Het bevrijdt je van een één-dimensionaal bestaan, een leven van zichzelf vervreemd. En bovenal bevrijdt het geloof in een schepping je van een verkrampt cynisme.
Door Reinier Sonneveld
Dit artikel maakt deel uit van het dossier In den beginne
Dit artikel is verschenen in CV·Koers maart 2004
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
Een fonkelende wereld
kaders:
• De kunst van het verwonderen
Hoe relevant is het eigenlijk of de wereld is ontstaan door schepping of door toeval? Doet het ertoe voor je leven vandaag? Jazeker, ontdekte Reinier Sonneveld: geloven dat de wereld is geschapen is bevrijdend. Het bevrijdt je van een één-dimensionaal bestaan, een leven van zichzelf vervreemd. En bovenal bevrijdt het geloof in een schepping je van een verkrampt cynisme.
Door Reinier Sonneveld
‘Ik geloof in God, Schepper van hemel en aarde.’ Een religie kan niet provocerender haar geloofsbelijdenis beginnen. Net nu het tegenmodel, die van de Big Bang en de biologische evolutie, steeds sterker wordt, steeds meer genuanceerd en samenhangend - net nu leert het christendom dat we leven in een duizelingwekkend wonder. Het heelal is niet ‘zomaar’ ontstaan, het is geschapen. Juist voor mensen van de 21ste eeuw is het besef dat deze wereld een schepping is, razend actueel.
Ding-houding
Geloven in een Schepper is geloven dat de wereld een mysterie is. Alles heeft een vreemde glans dat het optilt boven het louter dingen-dingen-dingen. Dat is de actualiteit van een scheppingsleer.
Er zijn namelijk globaal twee verschillende houdingen om met je omgeving om te gaan. Filosofen als Martin Buber, Emmanuel Levinas en Gabriel Marcel wezen erop: er is zoiets als een ding-houding en zoiets als een mysterie-houding (ze geven hun eigen namen, maar het komt hier op neer). De formidabele uitglijder van onze cultuur is dat deze twee houdingen uit balans getrokken worden ten gunste van de ding-houding.
Wat is dan deze verschuiving van houdingen? De ding-houding heb je tegenover dingen. Met dingen kun je relatief luchtig omgaan. Je kunt ze uit elkaar halen, ermee knutselen, ze weggooien, enzovoorts. De mysterie-houding heb je gewoonlijk tegenover levende wezens en is een stuk serieuzer. Dieren en mensen gooi je namelijk niet zomaar weg, daar ga je respectvol mee om. Een kast, daar kun je nog eens voor de lol een kogel doorheen jagen - bij een mens krijg je daar veel gedoe mee.
Dingen kunnen je eigendom worden en je kunt ze proberen te verbeteren; de ding-houding mag eindeloos invloed uitoefenen. Dat is bij levende wezens veel lastiger. Zo kunnen dieren nog wel je eigendom worden, maar mensen niet: dat zou slavernij zijn. Je kunt levende wezens niet eindeloos bepalen, je houding tegenover hen is meer een wisselwerking, een relatie, die altijd spannend is. Want wat leeft, heeft altijd iets weerbarstigs, iets onvoorspelbaars, een mysterie. Vandaar de naam: mysterie-houding.
Glans
De uitglijder is dat de ding-houding wordt gebruikt waar een mysterie-houding gepast is. ‘Ik ben geen nummer!’ reageer je dan, ‘Je behandelt me als een stuk vuil’. En terecht. Je merkt het in het klein in hoe we kletsen-met-een-kennis of een-biertje-drinken zijn gaan noemen: ‘netwerken’. Steeds meer relaties worden als projectjes afgehandeld, iets dat functioneel is en waar technieken voor zijn: uiteindelijk die ding-houding.
Deze ongepaste verschuiving zagen de genoemde filosofen Buber, Levinas en Marcel in het groot gebeuren door toedoen van de voortschrijdende techniek en wetenschap. De industrie stort zich op elk ongemak en wissewasje om met lange rijen uitvindingen ons universum te kneden en te vormen, steeds een stukje perfecter. Denk alleen al aan de talloze televisie-programma’s over plastische chirurgie. Waarom niet meteen een gen-opwaardering voor wat meer IQ? Het komt er vast en zeker.
Dit is de actualiteit van het geloof dat God de wereld schiep: je kunt die totalitaire ding-houding ontmaskeren. Want waarom zou een IQ-opwaardering eigenlijk ongepast zijn - als alles uit toeval is ontstaan, waarom zou je niet gewoon overal aan sleutelen? Waarom heeft iets, buiten dat het functioneel is, nog een glans of bijzondere waarde? Lange tijd was een besef van ‘dat doe je gewoon niet, daar komt je niet aan’ doorslaggevend. Er was een diep besef van heiligheid, net zoals je de Mona Lisa niet gaat overschilderen: het heeft iets, dat het veel meer maakt dan een paar tubes verf. Maar als alles bij toeval is ontstaan, wat is het leven meer dan bundelingen van cellen en instincten?
Geloof in een Schepper komt op tegen zo’n cynisme. Je kunt niet maar toe-eigenen en doen wat je wilt. Niet chaos en toeval stond aan de bron van het leven, maar de liefde van een Vader. En dus is niet alles is zomaar te gebruiken - dieren niet, genen niet, regenwouden net zo min. Geloven in een Schepper is geloven in het mysterie van het leven, dat alles een vreemde fonkeling geeft, waardoor alles meer-dan-dingen is, en je er respectvol mee omgaat.
Slagveld
Bovendien, als alles inderdaad uit chaos is ontwikkeld, waarom zou dan ook eigenlijk niet alles om jezelf draaien? Volgens het evolutie-model zijn alle eigenschappen van mensen, dus ook iets als liefde, verklaarbaar vanuit hun ‘overlevingswaarde’. De genen hebben de liefde uitgevonden, omdat dit meer overlevingskans gaf. Liefde is een slimme truc van de genen om andere soorten af te troeven. Het lijkt wel mooi, maar eigenlijk is het puur zelfzuchtig, verzonnen om zelf te overleven in de genen-strijd. Liefde als pantser en wapen, binnenstebuiten gekeerd dus tot iets hypocriets en cynisch.
Zonder schepping is chaos het laatste ‘geheim’ achter alles. De wereld is dan een eeuwige veldslag van de genen, een kosmisch gevecht van allen tegen allen. De mensheid is toevallig even ontsnapt, maar blijft altijd voortvluchtig. Want als de genen bij toeval nieuwe wapens uitvinden (bijv. slimmere hersenen) zal ook de mensheid sneuvelen en wordt vervangen. In deze hongerige wereld moeten we onze weg banen, en we kunnen alleen vluchten in de armen van het heden. De chaos regeert, en dat betekent dat meestal ‘de sterkste wint’. Verder is er niets. Het leven is een bunker of tank voor de genen, meer niet. Een uiterst bittere en cynische wereld. ‘Je moet je erdoorheen knokken, je moet steeds voor jezelf opkomen.’
Maar stel dat achter alles niet chaos schuilt, maar een zorgzame God. Dat het universum atoom-geworden liefde is. Dan keert alles om. Het betekent dat je je weigert neer te leggen bij alle chaos en wreedheden die je ziet. De wereld is defect, maar je blijft dwaas volhouden dat, hoe onbegrijpelijk ook, er iets ‘achter’ moet zitten. Je capituleert niet voor het zichtbare, maar uiteindelijk moet het bestaan een weldaad zijn, persoonlijk op ons toegesneden. Geen slagveld, maar een thuis.
Zelfkennis
De schepping laat zien dat het niet om jezelf draait. Een individualist is drammerig. Je wilt bepalen en je wilt steeds méér bepalen. Duizend keuzes in de supermarkt, op de woonboulevard, op de televisie, op internet. Alles precies naar je smaak. Je lijkt wel verslaafd aan het zelf bepalen en leidt aan ontwenningsverschijnselen als het eens tegenzit.
Individualisme kan alleen leven in een achteloze, triviale wereld. Als alles naar je eigen keus moet zijn en je steeds meer wilt bepalen, moet je omgeving wel louter dingen zijn, triviaal en zonder eigen stem. Dat is wat de schepping doorbreekt: iets wat uit liefde voorkomt, laat zich niet maar gezeggen. Sommige zaken zíjn nu eenmaal zo, die moeten niet anders of beter, klaar. Schepping plaatst je in een duizelingwekkend verhaal van duizenden jaren mensheid en Goddelijke zorg.
‘Je moet overal zelf voor knokken, je bent uiteindelijk toch op jezelf terug geworpen.’ Als chaos het laatste geheim is: ja. Als liefde dat is: nee. Want fundamenteler dan of je dom bent, of beeldschoon, of succesvol, of wat-dan-ook, is dat je opeens allemaal kind bent. In een evolutietheorie is altijd het verschil doorslaggevend, in een scheppingsleer de eenheid. En die hele schepping staat weer onder God. Als er geen God is, kun je klimmen wat je wilt. Dat je schepsel bent, leert dat niemand zich absoluut moet wanen: zeker niet regeringsleiders, ouders of popsterren.
Het christendom leert dus een gezonde, nuchtere zelfkennis. Als God ons geschapen heeft, kennen we pas echt onszelf wanneer we met Hem verbonden zijn. Zonder God ben je wees en moet je het zelf maar uitmaken. Veel adoptiekinderen lijden aan het zogeheten bodemloosheid-syndroom: ze missen zo erg hun roots, hun bodem, dat ze zich in het huidige leven nauwelijks kunnen binden en zich altijd verloren voelen. Pas wie zijn verleden heeft gevonden, kan het heden omarmen. Wat nemen we het eerste mee als ons huis in de brand staat? De fotoboeken - ons verleden.
Anti-cynisme
Geloven in een schepping is broodnuchter. Er is een geheim in de wereld, een vreemde fonkeling die je niet altijd opvalt, maar die essentieel is om de wereld te begrijpen. Het cynisme van dingen-dingen-dingen, dát is pas onrealistisch en doet het leven onrecht. Dit anti-cynisme lijkt mij ook waarom het orthodoxe christendom ook in de 21ste eeuwig vasthoudt aan die schepping: geloven in een schepping is geloven in een toekomst. Het is een motie van vertrouwen. Want dat er eens een goed paradijs was, betekent dat de weg principieel open is voor een nieuw paradijs.
De cynische kijk op de wereld moet vertellen dat goed en kwaad ‘erbij horen’, wezenlijk. Het christendom heeft de zondeval radicaal gescheiden van de schepping, en dus gezegd dat de zonde níet wezenlijk hoort bij het leven. Het kan er los van komen, het defect aan de wereld kan reëel worden opgelost. De Liefde die het bestaan heeft opgeroepen, kan ook het defect verhelpen - dat zie je de chaos nog niet zomaar doen. Zal het de chaos wat interesseren.
Veel mensen zien het leven als een rare mix van mooie en nare ervaringen. Er zijn peilloze diepten en oplevingen. Het christendom vertelt dat die oplevingen niet zomaar gelukjes zijn, toevalstreffers, maar signalen van hoe het gaat worden. De piekmomenten van het leven krijgen een betekenis en dwalen niet in een lege ruimte. Het christendom weigert te buigen voor de pijn, alsof het ‘erbij hoort’. Het hoort er niet bij. Omdat deze wereld geschapen is, hoort de pijn er niet bij en zal het eens weer worden zoals het was: een paradijs.
Een dorp staat in een vreemd landschap van hopen stenen. De bewoners gebruiken de stenen om hun huizen te bouwen, reuzehandig die stenen, maar verder... Tot op een dag iemand ronddwaalt en een vrijwel intact raam vindt. Een siddering gaat door het dorp. Al die hopen stenen - we hebben altijd geleefd in een ruïne van wat eens een gigantisch paleis was!
Sommigen hebben groot verdriet om wat er verloren is gegaan, anderen zijn verrast door hoeveel schoonheid ze nog ontdekken. Iedereen kakelt ronduit door elkaar. Wie hoort de kleinste fluisteren: ‘Is dit eigenlijk wel een ruïne? Is dit niet eigenlijk een paleis in aanbouw, en moet het mooiste nog komen?’
Literatuur
- A. van der Beek, Schepping - De wereld als voorspel voor de eeuwigheid, Callenbach.
- A. van den Beukel, De dingen hebben hun geheim. Ten Have.
- Vincent Brümmer (ed.), Interpreting the Universe as Creation, Pharos.
- Martin Buber, Ik en jij, Bijleveld.
- Stuart Burgess, Ontwikkeling of ontwerp, Medema.
- Gilbert Chesterton, Orthodoxie, Kok.
- Gabriel Marcel, Zijn en hebben, Bijleveld.
- Antoine de Saint-Exupéry, De kleine prins, Ad. Donker.
- René van Woudenberg, Toeval en ontwerp in de wereld - apologetische analyses, Damon.
Dit artikel maakt deel uit van het dossier In den beginne
Naar boven | Reageer op dit artikel | Mail naar vriend(in) | Print dit artikel
